Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2364

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
22-003239-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 266, 267 en 300 Sr, artt. 2 en 10 van de Opiumwet, artt. 13 en 72 van de Flora- en faunawet en de artt. 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Jagen op beschermd wild met zgn. lange honden, overtreding van de Opiumwet, belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en mishandeling. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Voorts een hechtenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tot slot de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/25 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003239-17

Parketnummers: 10-998251-15 en 01-026811-15 (tul)

Datum uitspraak: 2 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

19 augustus 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 en onder 6 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 3, 5, 7 en 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

9 maanden, met aftrek van voorarrest. De verdachte is voor feit 2 veroordeeld tot hechtenis voor de duur van

1. maand. Voorts is de vordering tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 12 mei 2015 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 4 en 6 is ten laste gelegd. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – en voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen ten laste gelegd dat:

1.
(verwerven van een haas)

hij op of omstreeks 22 januari 2015 te 's-Gravendeel,gemeente Binnenmaas,in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Flora- en Faunawet en opgenomen in bijlage 1 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, te weten een haas (Lepus Europeaus) heeft verworven en/of onder zich heeft/hebben gehad;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


(doden van een haas)

hij op of omstreeks 22 januari 2015 te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas,in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Flora- en faunawet te weten, een haas (Lepus Europeaus) heeft gedood en/of heeft gevangen en/of heeft bemachtigd en/of met het oog daarop heeft opgespoord;

2.
(verboden vangmiddel)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 22 juni 2015 te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas en/of Bleskensgraaf en/of de Moerdijk en/of te Giessenburg en/of te Zevenbergen en/of in de Biesbosch en/of te Dordrecht,in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer dieren heeft/hebben gevangen en/of gedood met andere dan de in het eerste lid van artikel 72 van de Flora- en faunawet bedoelde middelen, immers heeft hij en/of zijn mededaders, gejaagd met lange honden zijnde een niet toegestaan middel als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder b van het besluit Beheer en schadebestrijding dieren waarbij hij en/of zijn mededaders van het plegen van dat dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

3.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - 822 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of - 23,9 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of - 143,5 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of - 1 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde, telkens (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.
hij op of omstreeks 22 januari 2015 te Maasdam, gemeente Binnenmaas,althans in Nederland, een (politie)ambtena(a)r(en), [persoon 1] en [persoon 2], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, in hun/zijn mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hen/hem te zeggen: kankermongool en/of kankerlijer, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

7.
hij op of omstreeks 14 mei 2015 (op de rijksweg A15) te Gorinchem, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [persoon 3], (meermalen) met een van zijn tot vuist gebalde handen tegen het (linker) jukbeen, althans het hoofd van die [persoon 3] heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

8.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, munitie van categorie III, te weten 43, althans meerdere kogelpatronen van het merk RWS en het kaliber .22 en/of 95, althans meerdere kogelpatronen van het/de merk(en) RWS en/of CCI en het kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en dat - in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden zal worden opgelegd, met daarnaast een onvoorwaardelijke hechtenis voor de duur van één maand ter zake van feit 2 en tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 8 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van de doosjes met munitie in een keukenlade van de woning waar hij destijds met zijn ouders verbleef.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
(verwerven van een haas)

hij op of omstreeks 22 januari 2015 te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Flora- en Faunawet en opgenomen in bijlage 1 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, te weten een haas (Lepus Europeaus) heeft verworven en/of onder zich heeft/hebben gehad;
2.
(verboden vangmiddel)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 22 juni 2015 te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas en/of Bleskensgraaf en/of de Moerdijk en/of te Giessenburg en/of te Zevenbergen en/of in de Biesbosch en/of te Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer dieren heeft/hebben gevangen en/of gedood met andere een ander middel dan de in het eerste lid van artikel 72 van de Flora- en faunawet bedoelde middelen, immers heeft hij en/of zijn mededaders, gejaagd met lange honden, zijnde een niet toegestaan middel als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder b van het besluit Beheer en schadebestrijding dieren waarbij hij en/of zijn mededaders van het plegen van dat dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

3.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 822 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of

- 23,9 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- 143,5 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- 1 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde, telkens (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.
hij op of omstreeks 22 januari 2015 te Maasdam, gemeente Binnenmaas, althans in Nederland, een (politie)ambtena(a)r(en), [persoon 1] en [persoon 2], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, in hun/zijn mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hen/hem te zeggen: kankermongool en/of kankerlijer, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

7.
hij op of omstreeks 14 mei 2015 (op de rijksweg A15) te Gorinchem, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [persoon 3], (meermalen) met een van zijn tot vuist gebalde handen tegen het (linker) jukbeen, althans het hoofd van die [persoon 3] heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging

Feit 3

Het overweegt dat indien het bezit van harddrugs betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, anders dan door de raadsman is betoogd, geen sprake is van straffeloosheid, maar – gelet op het bepaalde in artikel 10 lid 6 van de Opiumwet - slechts van een lager strafmaximum. Het bezit van een gram cocaïne is dan ook een strafbaar feit. Evenmin is het gepubliceerd beleid van het Openbaar Ministerie om bij een dergelijke hoeveelheid af te zien van strafvervolging. Ten overvloede merkt het hof op dat de verdachte überhaupt niet heeft verklaard cocaïne te gebruiken.

Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de cocaïne die is aangetroffen in zijn slaapkamer opzettelijk aanwezig had. Voor wat betreft de overige (anders dan in de slaapkamer van de verdachte) in de woning aangetroffen verdovende middelen kan het hof aan het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende feiten en omstandigheden ontlenen waaruit bij de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van deze drugs in de betreffende woning van wetenschap (dan wel de aanmerkelijke kans daarop) kan blijken, terwijl het hof ook overigens niet is gebleken dat de verdachte dienaangaande een verwijt kan worden gemaakt, zodat de verdachte van het bezit daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 72, vijfde lid, van de Flora- en faunawet.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een flink aantal strafbare feiten. Zo heeft de verdachte samen met anderen een haas, een beschermde inheemse diersoort, verworven en heeft hij gedurende een aantal maanden dieren gevangen en gedood met behulp van lange honden, een jachtmiddel dat niet is toegelaten op grond van de Flora- en faunawet. De verdachte heeft door zo te handelen ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de natuur en het welzijn van in het wild levende dieren, alsmede van een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef voor het belang van de samenleving bij een zekere stand van beschermde inheemse diersoorten. Dat het aantal in Nederland levende hazen al lange tijd gestaag afneemt heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om daar zelf een bijdrage aan te leveren.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van een overigens kleine hoeveelheid cocaïne. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en de verdachte heeft door het bezit daarvan een bijdrage geleverd aan het daarmee samenhangende criminele circuit.

De verdachte heeft voorts twee ambtenaren in functie beledigd. De verdachte heeft door zijn gedrag de eer en goede naam van de desbetreffende ambtenaren aangetast en er tevens blijk van gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, door het slachtoffer op de openbare weg meermalen in zijn gezicht te stompen, nadat het slachtoffer met diens auto tot stoppen was gedwongen. De verdachte heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

26 juli 2019. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en is veroordeeld voor diverse feiten.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een reclasseringsrapport d.d. 23 februari 2017.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat zijn tweede kind op komst is en dat hij een eenmanszaak heeft. Zijn bedrijf loopt goed en de verdachte is bezig dit bedrijf verder uit te bouwen. Met de inkomsten die hij daarmee verdient kan hij zijn gezin onderhouden. Het hof ziet het belang van de verdachte om zijn bedrijf voort te kunnen zetten. Een onvoorwaardelijke detentie zal naar alle waarschijnlijkheid aanmerkelijke schade aan het bedrijf toebrengen en het hof zal daar bij de strafoplegging rekening mee houden.

Hoewel de ernst van de gepleegde misdrijven zonder meer een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigt, zal het hof – alles afwegende en gelet ook op het tijdsverloop – volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur.

Daarnaast is het hof van oordeel dat voor de gepleegde overtreding in beginsel een hechtenis voor de duur van 2 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk een passende en geboden reactie vormt.

Het hof is echter van oordeel dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden gelet op de tijd die is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn op 19 juli 2017 en het eindarrest van dit hof op 2 september 2019. Dit maakt dat de redelijke termijn met ongeveer 1,5 maand is overschreden. Het hof zal de geconstateerde overschrijding verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de overwogen hechtenis van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, een hechtenis van 2 maanden geheel voorwaardelijk opleggen. Deze voorwaardelijke hechtenis zal tevens moeten dienen als stok achter de deur ter voorkoming van recidive.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 mei 2015 onder parketnummer 01-026811-15 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging, nu de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers een aantal van de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 62, 63, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 13 en 72 van de Flora- en faunawet en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 8 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 5 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair, onder 3, onder 5 en onder 7 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van

2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 mei 205, onder parketnummer 01-026811-15, te weten van: een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. N. Schaar en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2019.

mr. N. Schaar en de griffier zijn buiten staat om dit arrest te ondertekenen.