Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2363

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
200.219.677/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Gelet op wisselende, inconsistente en onaannemelijke stellingen, heeft verzekeringnemer onvoldoende onderbouwd dat de volgens hem gestolen Volkswagen-bus dezelfde is als de bus die hij heeft verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 1, p. 39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.219.677/01

Zaaknummer rechtbank : 4977496/CV EXPL 16-1920

arrest van 3 september 2019

inzake

[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.P. van den Bogart te Boxmeer,

tegen

Goudse Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Gouda,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Goudse,

advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg.

Het geding

Bij exploot van 10 juli 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een rolbeslissing van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Gouda (hierna: de kantonrechter) van 21 juli 2016 en twee tussen partijen gewezen vonnissen van 27 oktober 2016 en 13 april 2017.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Goudse de grieven bestreden.

[appellant] heeft vervolgens een akte, met een productie, genomen. Goudse heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.

Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

De feiten


1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in het tussenvonnis van 27 oktober 2016 vastgestelde feiten, voor zover deze ook in hoger beroep niet in geschil zijn, met aanvulling van enkele feiten die ook tussen partijen vaststaan. Het hof zal daarnaast uitgaan van de hierna onder 1.2 vermelde ingangsdatum van de verzekering (die door de kantonrechter was vastgesteld op 4 december 2014), nu partijen het daarover in hoger beroep eens zijn. Grief 1, gericht tegen de door de kantonrechter in het tussenvonnis van 27 oktober 2016 vastgestelde ingangsdatum van de verzekering, hoeft daarom niet verder te worden behandeld.
Het gaat daarmee in deze zaak om het volgende.

1.1

Op 4 april 2014 heeft [appellant] in Duitsland een witte Volkswagen Transporter, met chassisnummer [chassisnummer] (hierna: de VW-bus), gekocht voor een bedrag van € 9.500,00. [appellant] heeft de VW-bus op 16 april 2014 laten keuren door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: de RDW). Daarbij is een kilometerstand geregistreerd van 65.001. De VW-bus is op 24 april 2014 op naam van [appellant] bij de RDW geregistreerd met het kenteken [kenteken] .

1.2

Met ingang van 29 april 2014 heeft [appellant] de VW-bus bij Goudse tegen cascoschade verzekerd.

1.3

Op 9 oktober 2014 heeft [D] een zwarte Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] en met chassisnummer [chassisnummer] getaxeerd op een waarde van € 29.000,00 inclusief btw. Daarbij is een kilometerstand vastgesteld van 48.492.

1.4

Op 6 mei 2015 heeft de echtgenote van [appellant] namens hem telefonisch aangifte gedaan van diefstal van een zwarte Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] .

1.5

[appellant] heeft aanspraak gemaakt op dekking onder de bij Goudse afgesloten verzekering. Goudse heeft dekking onder de verzekering wegens de door [appellant] gestelde diefstal van de VW-bus bij brief van 30 juli 2015 aan [appellant] afgewezen. [appellant] heeft bij brief van 10 augustus 2015 op de afwijzing gereageerd.

1.6

Op 30 oktober 2015 heeft Iteb B.V. (hierna: Iteb) ten behoeve van Goudse een rapport uitgebracht naar aanleiding van een toedrachtsonderzoek naar de gestelde diefstal van de VW-bus.

Het geschil en de vorderingen in eerste aanleg

2.1

[appellant] heeft, na vermindering van zijn eis, gevorderd om voor recht te verklaren dat Goudse is gehouden dekking te verlenen onder de verzekering en Goudse te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.000,00, althans de door een expert vast te stellen schade, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Verder heeft [appellant] gevorderd Goudse te veroordelen om zijn persoonsgegevens te verwijderen uit diverse (fraude)registers, op straffe van een dwangsom, en Goudse te veroordelen in de proceskosten.

2.2

Goudse heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant] . Goudse heeft betwist dat de bij haar verzekerde VW-bus is gestolen en daartoe gewezen op de aanmerkelijke verschillen tussen de volgens [appellant] gestolen bus en de bus die [appellant] in Duitsland heeft gekocht en bij Goudse heeft verzekerd. Verder heeft [appellant] volgens Goudse de diefstal onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft Goudse zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen recht heeft op uitkering onder de verzekering omdat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om alle inlichtingen te verschaffen die van belang zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen, zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met het opzet om haar te misleiden, zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW.

2.3

Bij het bestreden eindvonnis van 13 april 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [appellant] zijn stelling dat hij in de door hem in Duitsland gekochte VW-bus een compleet nieuw interieur, inclusief dashboard, contactslot en sleutel met afstandsbediening, heeft aangebracht, onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op de (aanzienlijke) verschillen tussen de oorspronkelijke (witte) VW-bus en de voor de woning van [appellant] (vermeend) gestolen (zwarte) VW-bus en de betwisting door Goudse dat het hier dezelfde bij haar verzekerde VW-bus betreft, heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] daardoor ook onvoldoende zijn stelling heeft onderbouwd dat de (gestolen) zwarte bus de bus was die bij Goudse was verzekerd. De enkele omstandigheid dat de chassisnummers zouden overeenstemmen, heeft de kantonrechter, gezien het verweer van Goudse, daarvoor onvoldoende geacht.


Beoordeling van het hoger beroep

3.1

[appellant] heeft naar volgt uit de appeldagvaarding hoger beroep ingesteld van de op 21 juli 2016 door de rolrechter genomen rolbeslissing en de vonnissen van 27 oktober 2016 en 13 april 2017. [appellant] vordert in hoger beroep, naar het hof begrijpt, dat het hof de vonnissen van de kantonrechter van 27 oktober 2016 en 13 april 2017 vernietigt en zijn vorderingen als ingesteld in de eerste aanleg alsnog toewijst, met dien verstande dat hij zijn vordering tot uitkering onder de verzekeringsovereenkomst heeft vermeerderd tot een bedrag van € 29.000,00 en zijn vordering om Goudse te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten heeft vermeerderd tot een bedrag van € 2.383,46, met veroordeling van Goudse in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3.2

Goudse heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De grieven van [appellant] zijn gericht tegen het tussenvonnis van 27 oktober 2016 en het eindvonnis van 13 april 2017. Voor zover het appel ook is ingesteld tegen de rolbeslissing van 21 juli 2016 is [appellant] in zijn appel niet-ontvankelijk, omdat tegen die rolbeslissing geen grieven zijn gericht. Grief 1, gericht tegen het vonnis van 27 oktober 2016, is in het voorgaande onder 1 al besproken. Het hof zal daarom hierna (vanaf rov 6) de grieven 2 en 3, gericht tegen het eindvonnis van 13 april 2017, beoordelen.

5.1

Goudse heeft, alvorens zich over de door [appellant] aangevoerde grieven uit te laten, bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van [appellant] in hoger beroep. Daartoe heeft Goudse gewezen op het feit dat [appellant] in eerste aanleg, naar aanleiding van het in de rolbeslissing van 21 juli 2016 aangekondigde voornemen van de kantonrechter om zich op grond van artikel 93 Rv onbevoegd te verklaren, zijn vordering heeft beperkt tot een totaalbedrag van € 25.000,-. Volgens Goudse kan [appellant] dan vervolgens niet in hoger beroep zijn vordering weer vermeerderen tot de oorspronkelijk bij inleidende dagvaarding gevorderde bedragen, nu hij in eerste aanleg zonder enig voorbehoud zijn vorderingen heeft begrensd tot een totaalbedrag van € 25.000,-.

5.2

Het bezwaar van Goudse slaagt niet. Uit de eisvermindering van [appellant] in eerste aanleg blijkt niet dat hij daarbij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn aanspraak op het meerdere. Integendeel, hij heeft zijn eis kennelijk alleen verminderd met het oog op de competentiegrens van de kantonrechter, als bedoeld in artikel 93 Rv, zodat die alsnog bevoegd zou zijn om van zijn vorderingen kennis te nemen. Artikel 130 lid 1 jo. artikel 353 lid 1 Rv staat daarom niet eraan in de weg dat [appellant] in hoger beroep zijn eis weer vermeerdert tot zijn oorspronkelijke vorderingen bij inleidende dagvaarding. Het hof acht die eisvermeerdering ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, nu die is gebaseerd op dezelfde rechtsgrondslagen, Goudse daartegen verweer heeft kunnen voeren en van die gelegenheid (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) ook gebruik heeft gemaakt.

6.1

In zijn grieven 2 en 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de (volgens hem gestolen) zwarte bus dezelfde is als de witte bus die bij Goudse was verzekerd en het daaraan ten grondslag liggende oordeel dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in de VW-bus die hij in Duitsland heeft gekocht een compleet nieuw interieur, inclusief dashboard, contactslot en sleutel met afstandsbediening heeft aangebracht. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.2

Vaststaat dat [appellant] bij Goudse een witte VW-bus heeft verzekerd met het kenteken [kenteken] en chassisnummer [chassisnummer] . Verder is niet in geschil dat er aanmerkelijke verschillen zijn tussen die witte VW-bus en de VW-bus waarvan [appellant] aangifte heeft gedaan van diefstal en op grond waarvan hij uitkering onder de verzekering heeft geclaimd. Zo is de volgens [appellant] gestolen VW-bus zwart, heeft deze een versnellingsbak met zes versnellingen (terwijl de witte (verzekerde) bus vijf versnellingen had) en andere sleutels en andere in de sleutels aanwezige transponders dan die horen bij de witte (verzekerde) bus. Verder had de zwarte bus ten tijde van de taxatie op 9 oktober 2014 een kilometerstand van 48.492, terwijl de witte (verzekerde) bus ten tijde van de keuring door de RDW op 16 april 2014 een kilometerstand had van 65.001. Ook heeft de zwarte bus de volgende accessoires die de witte (verzekerde) bus niet had:
- navigatie;
- parkeerhulp;
- xenon-verlichting;
- trekhaak;
- snelheidsregelsysteem;
- achterdeuren met ruit;
- 17” velgen;
- mistlampen;
- lederen stuurwiel.

6.3

Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde aanmerkelijke verschillen tussen de volgens [appellant] gestolen zwarte VW-bus en de bij Goudse verzekerde witte VW-bus, heeft Goudse zich ter afwijzing van de verzekeringsclaim van [appellant] op het standpunt gesteld dat de volgens [appellant] gestolen zwarte bus niet dezelfde bus is als de witte bus die bij haar is verzekerd. Goudse heeft weliswaar niet betwist dat de zwarte bus met kenteken [kenteken] de identiteit heeft van de bus die [appellant] in april 2014 in Duitsland heeft gekocht, maar volgens Goudse betekent dat niet dat het (dus) om dezelfde bus gaat. Het is volgens Goudse immers mogelijk dat de zwarte (volgens [appellant] gestolen) bus de identiteit van de witte bus heeft gekregen, dus “omgekat” is.

6.4

Nu [appellant] aanspraak maakt op een uitkering onder de verzekering en daartoe stelt dat zijn bij Goudse verzekerde VW-bus is gestolen, heeft [appellant] , in het licht van het gemotiveerde verweer van Goudse dat de volgens [appellant] gestolen bus niet de bus is die bij haar is verzekerd, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en zo nodig de bewijslast van zijn stelling dat de volgens hem gestolen zwarte VW-bus met de hiervoor onder 6.1 genoemde kenmerken dezelfde bus is als de witte VW-bus die hij op 29 april 2014 bij Goudse heeft verzekerd. Daartoe is niet voldoende dat de zwarte bus hetzelfde kenteken en hetzelfde chassisnummer heeft als de witte bus aangezien het - naar Goudse terecht heeft aangevoerd - mogelijk is dat de identiteit van de witte bus is overgebracht op een (andere) zwarte bus via omkatten of klonen. Gezien de hierboven omschreven aanzienlijke verschillen tussen de originele witte bus en het volgens [appellant] gestolen zwarte exemplaar ziet het hof ook geen aanleiding om er voorshands van uit te gaan dat het om dezelfde bus gaat. Dat betekent dat [appellant] ook de stelplicht en zo nodig de bewijslast heeft van zijn stelling dat hij de witte VW-bus heeft omgebouwd tot de zwarte VW-bus met de hiervoor genoemde kenmerken, onder meer door daar een geheel nieuw interieur, inclusief dashboard en contactslot, in aan te brengen. Anders dan [appellant] heeft betoogd, hoeft Goudse dus niet te bewijzen dat [appellant] de bus heeft omgekat of gekloond.

6.5

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij een nieuw interieur en dashboard in de VW-bus heeft ingebouwd, heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat hij in februari 2014 twee interieurs met dashboard heeft gekocht in Duitsland, waarvan hij er een in de VW-bus heeft ingebouwd. Dat nieuwe dashboard had volgens [appellant] een kilometerteller met een lagere kilometerstand dan het oude dashboard. Volgens [appellant] had het nieuwe dashboard ook een nieuw contactslot, waardoor hij ook de buitensloten en de sleutels van de VW-bus heeft moeten vervangen.

6.6

Het hof constateert in de eerste plaats dat [appellant] tegenover Goudse en in deze procedure wisselende verklaringen heeft gegeven over de aankoop van het nieuwe dashboard.

In zijn brief van 10 augustus 2015 aan Goudse, waarin hij heeft gereageerd op de afwijzing van zijn claim, heeft hij gesteld dat hij het interieur en dashboard heeft gekocht bij een bedrijf in Duitsland, in de buurt van Bremen. Dit bedrijf handelt in schadeauto’s en via een collega, die een bedrijf heeft op Urk, stelt hij daar terecht te zijn gekomen. Ook in de inleidende dagvaarding heeft [appellant] gesteld dat hij het interieur en dashboard heeft gekocht bij een bedrijf in Duitsland.

[appellant] heeft vervolgens in eerste aanleg op bevel van de kantonrechter op grond van artikel 22 Rv een aankoopnota, gedateerd op 14 februari 2014, van twee interieurs (van een Volkswagen Caravelle, bouwjaar 2014, en van een Volkswagen Multivan, bouwjaar 2013), in het geding gebracht. Uit die aankoopnota, opgesteld in de Roemeense taal, blijkt dat [A] uit [plaats] (district [district] , Roemenië) de interieurs aan [appellant] heeft verkocht. Volgens [appellant] heeft hij het interieur van de Volkswagen Caravelle in de VW-bus ingebouwd.

In hoger beroep heeft [appellant] , onder verwijzing naar een (ongedateerde) schriftelijke verklaring (met beëdigde vertaling) van [A] , nader aangevoerd dat de koop van de interieurs heeft plaatsgevonden in (de buurt van) Bremen in Duitsland. De overgelegde verklaring van [A] luidt als volgt:

“De ondergetekende [A] , wonende te [plaats] , str. [adres] , Roemenië.

Ik ben in Berlijn, Löbenau, geweest bij mijn zus en ik had die twee auto-interieurs bij mij.

[appellant] is naar BREMEN vertrokken, naar de Automarkt Achim, omdat die plaats niet zover weg is van BERLIJN, van mijn zuster, en daar heb ik die twee auto-interieurs aan hem gegeven en omdat ik een Roemeense staatsburger ben, heb ik voor hem een typisch Roemeense onderhandse koopovereenkomst opgemaakt.”

6.7

De stelling van [appellant] dat hij het auto-interieur heeft gekocht van [A] is strijdig met zijn eerdere stelling dat hij het dashboard en interieur heeft gekocht bij een Duits bedrijf in de buurt van Bremen. De uitleg die hij daarvoor in hoger beroep heeft gegeven, dat [A] twee interieurs aan hem heeft geleverd op de automarkt van Achim (in de buurt van Bremen), biedt voor die tegenstrijdigheid geen afdoende verklaring. Daarmee heeft hij immers nog geen verklaring gegeven voor het feit dat hij eerder heeft gesteld dat hij het interieur en dashboard bij een Duits bedrijf heeft gekocht, dat hij bovendien kende via een - in zijn latere stellingen niet terugkerende - kennis te Urk. Bij het voorgaande komt nog dat in Duitsland geen plaats bestaat met de naam Löbenau en bovendien Bremen niet in de buurt van Berlijn ligt, maar op een afstand van 369 kilometer, en het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [A] deze afstand heeft afgelegd enkel om een paar auto-onderdelen aan [appellant] te verkopen.

6.8

Verder heeft Goudse, ook in eerste aanleg, erop gewezen dat uit de overgelegde aankoopnota volgt dat [appellant] de interieurs al had gekocht, voordat hij de VW-bus heeft aangeschaft en dat [A] kennelijk al op 14 februari 2014 de beschikking had over een compleet interieur met dashboard van een Volkswagen Caravelle van het bouwjaar 2014. Ook vindt Goudse het opvallend dat de kilometerteller van het volgens [appellant] ingebouwde dashboard, met bouwjaar 2014, ten tijde van de taxatie op 9 oktober 2014 al een stand aangaf van 48.492 kilometer. Het hof is met Goudse van oordeel dat het op de weg van [appellant] had gelegen om voor deze opmerkelijkheden een verklaring te geven. [appellant] heeft dat ook in hoger beroep nagelaten.

6.9

Ook over de sleutels van de bus heeft [appellant] wisselende stellingen ingenomen. [appellant] heeft als verklaring voor het feit dat na onderzoek door Goudse van de door hem aan de onderzoeker van Iteb overhandigde sleutels van de VW-bus is gebleken dat die sleutels niet de originele sleutels van die bus zijn, (pas) te kennen gegeven dat bij het inbouwen van een nieuw interieur en dashboard ook het contactslot en de deursloten zijn vervangen, dat bij het dashboard één (nieuwe) sleutel met transponder zat en dat hij de tweede sleutel later heeft bijgekocht en bij […] in Veenendaal heeft laten inlezen. Goudse heeft terecht aangevoerd dat die verklaring strijdig is met zijn eerdere verklaring tegenover de onderzoeker van Iteb dat de door hem overhandigde sleutels de originele sleutels zijn die hij bij aankoop van de VW-bus heeft ontvangen (p. 2 van het rapport van het toedrachtsonderzoek van 30 oktober 2015, productie 1 bij de conclusie van antwoord). [appellant] heeft ook voor deze tegenstrijdigheid in zijn stellingen geen verklaring gegeven, hoewel dat wel op zijn weg had gelegen. Overigens is de lezing van [appellant] over een nieuwe sleutel en de gestelde aanschaf en het inlezen van een tweede sleutel ook niet met stukken onderbouwd.

6.10

Verder roept de kilometerstand van de auto, en hetgeen [appellant] daarover heeft verklaard en aangevoerd vragen op. [appellant] heeft als verklaring voor het feit dat de kilometerstand van de volgens hem gestolen zwarte bus ten tijde van de taxatie op 9 oktober 2014 lager was (48.492) dan de kilometerstand ten tijde van de keuring van de VW-bus door de RDW op 16 april 2014 (65.001) gesteld dat ook dat het gevolg is van het inbouwen van een nieuw interieur en dashboard. Ter nadere onderbouwing van zijn stelling dat het ondanks de (naar beneden) afwijkende kilometerstand toch om dezelfde bus gaat, heeft [appellant] gesteld dat hij van plan was om de kilometerstand van het nieuwe dashboard te laten wijzigen naar de originele kilometerstand en daartoe verwezen naar een (foto van een) schriftelijke verklaring van [B] (handelend onder de naam Auto Service [B] ) van 1 februari 2016. [B] heeft daarin onder meer verklaard dat [appellant] eind 2014 bij hem is geweest om de kilometerstand te wijzigen van zijn VW Transporter bus naar de originele stand omdat hij er een nieuw interieur in heeft gezet. Voordat [appellant] bij hem langs kon komen, is zijn VW-bus gestolen, aldus [B] . Nog daargelaten dat uit de verklaring van [B] niet blijkt over welke VW Transporter bus het gaat, zoals Goudse heeft opgemerkt, is zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, niet aannemelijk dat [appellant] pas eind 2014 zou hebben gevraagd de kilometerstand aan te passen, terwijl hij de bus al op 9 oktober 2014 had laten taxeren met het oog op (volgens hem) verkoop van de bus, en dat hij vervolgens niet voor 6 mei 2015, toen de bus zou zijn gestolen, die aanpassing van de kilometerstand ook daadwerkelijk heeft laten uitvoeren. Zoals Goudse heeft opgemerkt, was het immers ook voor een juiste taxatie van belang dat de bus beschikte over de werkelijke kilometerstand, maar ook met oog op de door [appellant] gestelde voorgenomen verkoop van de bus, zou het van belang zijn geweest dat [appellant] de kilometerstand zo snel mogelijk naar de originele stand zou hebben laten aanpassen. Dat geldt temeer nu [appellant] heeft gesteld dat hij (privé) in de bus is blijven rijden waardoor de kilometerstand bleef oplopen.
Indien het daadwerkelijk om dezelfde bus zou gaan, is zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, verder niet begrijpelijk dat hij op 21 mei 2015 tegenover de onderzoeker van Iteb heeft verklaard dat de kilometerstand ten tijde van de diefstal ongeveer 54.000 was, zonder daarbij te vermelden dat deze kilometerstand het gevolg was van het inbouwen van een nieuw interieur en dashboard, dat de daadwerkelijke kilometerstand hoger was en dat hij voornemens was geweest de kilometerstand te laten aanpassen. Pas nadat hij na onderzoek door Goudse was geconfronteerd met de kilometerstand van de verzekerde bus van 65.001 op 16 april 2014, heeft hij daarvoor als verklaring gegeven dat dat het gevolg was van het inbouwen van een nieuw interieur en dashboard.

6.11

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de oorspronkelijk witte VW-bus die hij bij Goudse heeft verzekerd heeft omgebouwd tot de zwarte VW-bus met de onder 6.1 genoemde kenmerken, en dus dat het een en dezelfde bus betreft die volgens hem is gestolen, heeft [appellant] in eerste aanleg verder nog een (volgens hem) aankoopnota van 8 januari 2014 van een versnellingsbak T5 (“6-bak”) en een aankoopnota van maart 2014 van PDC-bumpers (voor en achter), xenon koplampen en twee achterdeuren, in het geding gebracht. Voor zover al van de echtheid van deze nota’s kan worden uitgegaan, gelet op het verweer van Goudse dat de nota van 8 januari 2014 handmatig is aangepast in “verkooporder” en [appellant] als “verkoper” handmatig is aangepast in “koper”, en op de nota van maart 2014 een incomplete postcode en een niet bestaand btw-nummer van de verkoper staan vermeld, heeft [appellant] ook ten aanzien van deze onderdelen geen verklaring gegeven voor het feit dat hij die al zou hebben gekocht voordat hij de VW-bus in Duitsland had aangeschaft.

6.12

Als enige onderbouwing van de door hem gestelde werkzaamheden aan de VW-bus, heeft [appellant] in eerste aanleg een (ongedateerde) schriftelijke verklaring overgelegd, met de titel “overeenkomst”, van [C] , waarin deze stelt dat hij voor [appellant] omstreeks juni 2014 een witte Volkswagen Transporter T6, met kenteken [kenteken] , schadevrij heeft gemaakt en heeft overgespoten in de kleur zwart. Volgens de verklaring van [C] is dat met gesloten beurs betaald doordat [appellant] een reparatie heeft uitgevoerd aan zijn auto. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, waaruit volgt dat [appellant] onvoldoende zijn stelling heeft onderbouwd dat hij een nieuw interieur, dashboard, sloten en diverse andere onderdelen heeft gekocht ten behoeve van de VW-bus en dat hij die onderdelen vervolgens in de VW-bus heeft ingebouwd, acht het hof de enkele verklaring van [C] dat hij de VW-bus in het zwart heeft overgespoten, een onvoldoende onderbouwing voor de stelling van [appellant] dat de bij Goudse verzekerde witte bus dezelfde bus is die volgens [appellant] is gestolen, met alle afwijkende kenmerken zoals genoemd onder 6.1.

6.13

Het voorgaande overziende, waarbij het hof in het bijzonder acht slaat op de grote verschillen tussen de oorspronkelijke witte bus en de volgens [appellant] gestolen zwarte bus en de wisselende, inconsistente en onaannemelijke stellingen van [appellant] ter verklaring van die verschillen, is het hof van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat de volgens hem gestolen bus dezelfde is als de bus die hij heeft verzekerd bij Goudse onvoldoende heeft onderbouwd. De door [appellant] in hoger beroep overgelegde verklaring van [D] van 1 november 2017 dat hem bij zijn taxatie op 9 oktober 2014 niets is opgevallen aan het chassisnummer en dat in zijn beleving het niet waarschijnlijk is dat de door hem getaxeerde VW-bus is omgekat of gekloond, maakt het voorgaande niet anders. Uit die verklaring volgt immers niet dat het niet zo kan zijn dat de bus is omgekat of gekloond. Daarnaast was het onderzoek van [D] van 9 oktober 2014 gericht op taxatie van de bus en niet op de mogelijkheid dat de bus was omgekat of gekloond. [D] licht ook niet toe waarop hij (achteraf) zijn conclusie baseert dat het hem niet waarschijnlijk lijkt dat de bus is omgekat of gekloond.

6.14

Nu [appellant] ook in hoger beroep zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, zal het hof hem niet toelaten tot het door hem aangeboden bewijs. Het hof heeft gezien het voorgaande evenmin behoefte aan voorlichting door een deskundige, nog daargelaten dat de VW-bus niet meer beschikbaar is voor onderzoek.

6.15

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 2 en 3 falen.

7. Goudse heeft ter betwisting van de stelling van [appellant] dat de volgens hem gestolen zwarte VW-bus dezelfde bus is als de witte VW-bus die hij bij Goudse heeft verzekerd, verder naar voren gebracht dat zij het opvallend acht dat ook een tweede witte bus, die [appellant] tegelijk met de VW-bus in Duitsland had gekocht en heeft omgebouwd tot een zwarte bus met sterk afwijkende kenmerken, als gestolen is opgegeven (kort voor een op verzoek van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) geplande keuring bij de RDW), en dat ook een derde luxe uitgevoerde zwarte VW-bus voor het bedrijf van [appellant] is gesignaleerd en dat na een tip van Goudse aan het LIV een keuring bij de RDW van deze bus niet doorging, omdat die bus inmiddels zou zijn geëxporteerd. Nu de grieven 2 en 3 gelet op het voorgaande al falen, komt het hof aan een beoordeling van die verweren niet toe.

8. Omdat de grieven falen, komt het hof evenmin toe aan het verweer dat Goudse in eerste aanleg verder heeft gevoerd, en aangevuld in hoger beroep, dat [appellant] de diefstal onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en het verweer dat het recht op uitkering onder de verzekering voor [appellant] vervalt op grond van artikel 7:941 lid 5 BW omdat hij Goudse opzettelijk heeft misleid. Het hof komt daarom ook niet toe aan bewijslevering, zoals door [appellant] aangeboden, van de diefstal van de VW-bus.

9. Tegen de afwijzing van zijn vordering om zijn persoonsgegevens te verwijderen uit de diverse (fraude)registers heeft [appellant] geen zelfstandige, voldoende kenbare grieven gericht; Goudse heeft blijkens haar memorie van antwoord evenmin grieven tegen deze beslissing in de memorie van [appellant] gelezen. Dat onderdeel van de beslissing van de kantonrechter ligt daarom in hoger beroep niet ter beoordeling voor.

10. Uit het voorgaande volgt dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep geen doel treft. Het hof zal de bestreden vonnissen van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van Goudse in het hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad, zoals door Goudse gevorderd.

Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de rolbeslissing van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Gouda, van 21 juli 2016;

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Gouda, van 27 oktober 2016 en van 13 april 2017;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Goudse tot op heden begroot op € 1.952,- aan griffierecht en € 2.086,50 aan salaris advocaat (1,5 punt, tarief III), en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kluit, D.A. Schreuder en A. van Staden ten Brink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.