Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2362

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
22-002262-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 244 Sr. Zedenzaak. Plegen van ontucht met een meisje van destijds zeven jaar oud. Alternatief scenario betreffende aangetroffen DNA-sporen niet aannemelijk geworden. Gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, proeftijd 5 jaren. Toewijzing vordering benadeelde partij, alsmede oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002262-17

Parketnummer: 09-807626-15

Datum uitspraak: 3 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedag] 1966,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 september 2017 en 20 augustus 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 28 februari 2015 te Zoetermeer, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte (meermalen)

- [ slachtoffer] meegenomen naar de kelder en/of kelderbox en/of

- [ slachtoffer] haar (onder)kleding laten uittrekken en/of

- zijn penis in de mond van [slachtoffer] gebracht en/of heen en weer bewogen en/of [slachtoffer] haar hooofd heen en weer laten bewegen en/of

- [ slachtoffer] op haar rug gelegd en/of haar benen heeft gespreid/laten spreiden en/of vervolgens (met ontbloot onderlichaam) op haar is gaan liggen en/of met zijn penis heen en weer heeft bewogen over de vagina en/of benen van [slachtoffer] en/of

- [ slachtoffer] op haar buik gelegd en/of vervolgens (met ontbloot onderlichaam) op haar is gaan liggen en/of met zijn penis heen en weer heeft bewogen over de billen en.of benen van [slachtoffer].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Deskundigheid van [deskundige 1]

Op 26 juli 2019 is [deskundige 1](hierna: [deskundige 1]) als deskundige gehoord door de gedelegeerd raadsheer-commissaris. De gedelegeerd raadsheer-commissaris heeft voorafgaand aan de beëdiging als deskundige aan [deskundige 1] medegedeeld dat er op dat moment geen beslissing over zijn deskundigheid zou worden genomen, opdat een eventueel debat daarover tussen partijen op zitting gevoerd kan worden, waarna daarover door de meervoudige kamer kan worden beslist. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [deskundige 1] deskundig is en zij heeft het hof verzocht om zich uit te laten over de deskundigheid van [deskundige 1].

Het hof merkt ten aanzien van de deskundigheid van [deskundige 1] het volgende op. Gelet op de overgelegde diploma’s en getuigschriften is [deskundige 1] aan te merken als deskundige op het gebied van DNA. Het hof heeft evenwel – gelet op het verhoor van de deskundigen ([deskundige 1] en [deskundige 2], hierna: [deskundige 2]) bij de gedelegeerd raadsheer-commissaris d.d. 26 juli 2019 - geconstateerd dat [deskundige 1] niet bekend is met de wetenschappelijke studies waarop [deskundige 2] zich in zijn rapport heeft gebaseerd, met name is hij niet bekend met de in dat rapport vermelde studie van Murphy. Dit levert naar het oordeel van het hof een beperking in zijn deskundigheid op ten opzichte van [deskundige 2].

Gevoerd verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich – overeenkomstig haar overgelegde en aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitnotities - ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat een alternatief scenario kan verklaren hoe de aangetroffen DNA-sporen van [slachtoffer] op een tweetal kleden terecht is gekomen. Met name wijst zij er op dat [deskundige 1] in het getuigenverhoor heeft aangetoond dat bij ‘één enkele aanpakking’ van een opgevouwen deken toch op beide zijden DNA wordt achtergelaten, namelijk doordat zij de kleden heeft vastgepakt/vastgehouden.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 augustus 2019 verklaard dat [slachtoffer] een kleed ongeveer een minuut of vijf heeft vastgehouden toen hij spullen aan het verschuiven en opruimen was in zijn kelderbox.

Allereerst staat vast (hetgeen ook niet wordt betwist) dat er DNA-sporen van het slachtoffer [slachtoffer] op beide zijden van beide kleden in het midden van die kleden zijn aangetroffen.

In het door [deskundige 2] opgestelde NFI-rapport d.d. 2 december 2016 (pagina 5) concludeerde hij: “Daar de dekens in opgevouwen toestand waren op het moment van contact (en ook in opgevouwen toestand zijn aangeleverd op het NFI) wordt de kans op het aantreffen van DNA van aangeefster op het middendeel van beide zijden van één van beide dekens ingeschat als zeer klein.”

[Deskundige 1] heeft in het verhoor bij de gedelegeerd raadsheer-commissaris d.d. 26 juli 2019 verklaard dat in het geval dat [slachtoffer] de opgevouwen kleden enkel heeft vastgepakt haar DNA-sporen op beide zijden van de kleden terecht kunnen zijn gekomen. Dit vereist een specifieke manier van opvouwen van de kleden, zoals door [deskundige 1] getoond (met een handdoek) tijdens het verhoor op 26 juli 2019.

[Deskundige 2] heeft in dat verhoor verklaard dat het mogelijk is om op die wijze DNA achter te laten en dat dat kan aan beide zijden, maar dat de kans op aantreffen van DNA bij een relatief weinig intens contact, dus het vasthouden van een kleed, als er ook een DNA-profiel van een ander persoon aanwezig is, klein is. Die kans wordt door [deskundige 2] beoordeeld als zeer klein in combinatie met de opgevouwen toestand.

[Deskundige 2] heeft in dat verhoor voorts verklaard: “In mijn rapport van 2 december 2016, p. 5, tweede streepje van onderen, heb ik aangegeven dat ik de kans klein acht om op beide zijden van die deken het DNA aan te treffen van degene die dat heeft vastgepakt in opgevouwen toestand, in tegenstelling tot een deken die uitgevouwen is en die je makkelijk aan beide zijden kunt aanraken. Maar zoals ik aangaf in mijn reactie, ik acht de kans klein om aan beide zijden DNA aan te treffen. Dat hangt samen met de kans dat we DNA detecteren op beide zijden van de deken. Dat wordt met name ingegeven door de grote hoeveelheid DNA die al op de deken aanwezig was van andere personen, waarbij bij zo’n relatief weinig intensief contact de kans op overdracht al kleiner is vanwege de hoeveelheid materiaal die wordt overgedragen en vervolgens de kans op detectie van het DNA niet zo groot is door de grote hoeveelheid DNA van andere personen die al aanwezig is. Die kans heb ik dus ook beoordeeld als zeer klein in combinatie met de opgevouwen toestand.”

Naar het oordeel van het hof doet de door [deskundige 1] geuite kritiek niet af aan de conclusies van [deskundige 2]. [Deskundige 1] heeft in het deskundigenverhoor een scenario getoond waarin de kleden in een zogenaamde ‘drieslag’ zijn opgevouwen. Voor zover van dat scenario zou worden uitgegaan, wijst het hof erop dat dit scenario niet afdoet aan de bevindingen en conclusies van [deskundige 2]. De DNA-sporen zijn volgens [deskundige 2] immers op beide zijden van het middendeel van beide kleden terechtkomen. Het hof heeft op het filmpje dat tijdens genoemd deskundigenverhoor is gemaakt, waargenomen dat ‘de zone die gemarkeerd is met plakkers’ - en waar in dat scenario volgens [deskundige 1] sporen van het slachtoffer aangetroffen hadden kunnen worden - zich aan de ene zijde relatief bovenaan en aan de andere zijde relatief onderaan de getoonde handdoek bevindt. [Deskundige 1] was niet in staat om op basis van dit scenario een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheidsgraad voor het aantreffen van biologische sporen van het slachtoffer. Daar komt nog bij dat het door [deskundige 1] getoonde voorbeeld aan het euvel lijdt dat de maten van de getoonde handdoek niet overeen komen met de maten van de betreffende kleden.

Voorts overweegt het hof nog het volgende. De verdachte heeft gedurende het strafrechtelijk onderzoek relatief laat en niet eenduidig verklaard over de genoemde kleden waarop biologische sporen zijn aangetroffen. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte als mogelijke verklaring voor de aanwezigheid van biologische sporen geopperd dat hij dacht dat het slachtoffer de kleden in opgevouwen toestand aangepakt heeft: “U vraagt mij hoe het kan dat er een mengprofiel van celmateriaal van mij en [slachtoffer] op de kleden is aangetroffen. Dat weet ik niet. Ik denk dat ze de kleden heeft aangeraakt met het opruimen van de kelderbox. Wanneer ik de box opruim, pak ik de kleden, leg ik ze buiten neer en daarna ga ik aanvegen en dan de dozen weer opstapelen. De kleden heeft ze me aangegeven. Deze waren volgens mij toen opgevouwen.” Vervolgens heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep stellig verklaard dat het slachtoffer de deken in opgevouwen toestand voor de duur van vijf minuten heeft vastgehouden. Deze verklaringen zijn door de verdachte verder niet onderbouwd en tevens is onduidelijk op welke wijze zij dit zou hebben gedaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het door de raadsvrouw aangedragen alternatieve scenario waarbij de kleden bij het opruimen van de kelder slechts in opgevouwen toestand door de handen van het slachtoffer zijn gegaan, geen steun vindt in de conclusies van de deskundigen en ook anderszins niet aannemelijk is geworden.

Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat de op de betreffende kleden aangetroffen biologische sporen in belangrijke mate de verklaring van het slachtoffer over het onder meer op deze (niet in opgevouwen toestand verkerende) kleden gepleegde seksueel misbruik ondersteunen, zoals hieronder bewezen wordt verklaard en uit de bewijsmiddelen blijkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 28 februari 2015 te Zoetermeer, telkens met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte meermalen

- [ slachtoffer] meegenomen naar de kelder en kelderbox en

- [ slachtoffer] haar onderkleding laten uittrekken en

- zijn penis in de mond van [slachtoffer] gebracht en [slachtoffer] haar hoofd heen en weer laten bewegen en

- [ slachtoffer] op haar rug gelegd en haar benen laten spreiden, waarna hij vervolgens met ontbloot onderlichaam op haar is gaan liggen en met zijn penis heen en weer heeft bewogen over de vagina van [slachtoffer] en

- [ slachtoffer] op haar buik gelegd, waarna hij vervolgens met ontbloot onderlichaam op haar is gaan liggen en met zijn penis heen en weer heeft bewogen over de billen van [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal weken meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een meisje van destijds zeven jaar oud, waarbij de ontucht mede bestond uit het seksueel binnendringen van het slachtoffer. De verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes en een ernstige inbreuk gemaakt op haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. Dit terwijl hij wist dat het slachtoffer al eerder, op nog jongere leeftijd, het slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. De feiten vonden plaats in de kelder/kelderbox van de verdachte. Hij was de buurman van het slachtoffer en heeft het vertrouwen dat zij en haar ouders in hem konden en mochten stellen op vergaande wijze geschonden. Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Ook voor de ouders van het slachtoffer is het zeer belastend. Daarnaast veroorzaakt dit soort delicten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Dat de bewezenverklaarde handelingen grote impact hebben (gehad) op het slachtoffer blijkt onder andere uit de toelichting van de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 31 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

Gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheid dat het misbruik meerdere malen heeft plaatsgevonden, en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is naar het oordeel van het hof in beginsel enkel de oplegging van een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof ziet in de door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen reden om daarvan af te wijken.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De termijn als bedoeld in voornoemd artikel is op 9 april 2015, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, aangevangen. Op 4 mei 2017 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Op 16 mei 2017 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het dossier is bij het hof binnengekomen op 23 juni 2017. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 26 september 2017 en op 3 september 2019 is arrest gewezen. Zowel de behandeling in eerste aanleg, als de behandeling in hoger beroep hebben derhalve niet binnen de daarvoor geldende termijn plaatsgevonden, hetgeen een schending van de redelijke termijn oplevert. Het hof heeft dit in aanmerking genomen en zal een strafkorting toepassen, door in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren op te leggen.

Het hof acht een proeftijd voor de duur van 5 jaren wenselijk nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft immers geen enkel inzicht getoond in het kwalijke van zijn gedragingen. In het kader van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden heeft de verdachte reeds begeleiding van de reclassering gekregen. Echter, gelet op zijn ontkennende houding, is er de facto geen sprake geweest van een behandeling, waardoor het hof het recidiverisico nog steeds aanwezig acht en dat risico ook aanzienlijk vindt.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.506,50.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.506,50 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer](geboren op [geboortedag] 2007) te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.506,50 (drieduizend vijfhonderdzes euro en vijftig cent) bestaande uit € 6,50 (zes euro en vijftig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.506,50 (drieduizend vijfhonderdzes euro en vijftig cent) bestaande uit € 6,50 (zes euro en vijftig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 januari 2015.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer](geboren op [geboortedag] 2007) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. de Bruijn,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Bijl.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 september 2019.