Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2357

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
22-003026-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft haar toenmalige partner mishandelt, met als gevolg een nog altijd bestaand litteken in zijn gezicht.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003026-18

Parketnummer: 10-264153-16

Datum uitspraak: 4 september 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1985,

[BRP-adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 21 augustus 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken, ter zake van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
zij op of omstreeks 20 december 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een litteken aan de linkerzijde van het gezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht te steken en/of te prikken en/of te snijden;

1. subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 20 december 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht heeft gestoken en/of heeft geprikt en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 20 december 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht te steken en/of te prikken en/of te snijden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een litteken aan de linkerzijde van het gezicht, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

2.
zij op of omstreeks 20 december 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een telefoon, merk Microsoft, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], in elk geval toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nadere bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig het vonnis van de rechtbank - op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten een poging tot zware mishandeling, bewezen dient te worden verklaard. Anders dan de advocaat-generaal heeft het hof het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten een zware mishandeling, bewezen verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor de beoordeling van de vraag of in deze zaak sprake is van zwaar lichamelijk letsel heeft het hof de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 3 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1051) als uitgangspunt genomen.

In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat bij de aangever sprake is van blijvend letsel. Allereerst volgt uit de medische informatie en de foto’s van de hechtingen in het dossier dat de aangever als gevolg van de gedraging van de verdachte, in zijn gelaat, te weten op het linker jukbeen, een snijwond van circa 3 centimeter lang, met wijkende wondranden heeft opgelopen. Voorts is bij het incident de slagader van de aangever geraakt. De geschatte genezingsduur bedroeg minimaal 2 weken, met kans op een blijvend litteken. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de littekens van de aangever in zijn gezicht nog steeds zichtbaar zijn. Het hof is daarmee, mede gelet op de plek van het letsel, van oordeel dat sprake is van blijvend letsel dat kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 302 juncto artikel 82 van het wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
zij op of omstreeks 20 december 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een litteken aan de linkerzijde van het gezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht te steken en/of te prikken en/of te snijden.

2.
zij op of omstreeks 20 december 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een telefoon, merk Microsoft, dat geheel of ten dele aan een ander toebehorende, te weten aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], in elk geval toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte, heeft vernield of beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling, begaan tegen haar levensgezel.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd uit zelfverdediging te hebben gehandeld toen zij de aangever met een mes in het gezicht stak. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat de verdachte strafrechtelijke aansprakelijkheid in deze bestrijdt, en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 20 december 2016 zitten de aangever en de verdachte, destijds zijn vriendin, aan de keukentafel. Op een gegeven moment ontvangt de aangever op zijn werktelefoon een bericht van een vrouw waarmee hij vreemd was gegaan. De verdachte ziet dat, wordt razend en gooit in een vlaag van woede die telefoon tegen een muur kapot. Tot zover komen de lezingen van aangever en verdachte over de toedracht in hoofdlijnen met elkaar overeen.

Over hetgeen zich vervolgens heeft afgespeeld lopen de verklaringen uiteen. Volgens de verdachte werd de aangever boos en liep hij naar haar toe. Hij pakte haar stevig beet bij haar T-shirt ter hoogte van haar hals en bracht zijn andere hand omhoog om haar te slaan. Aangezien zij met haar rug tegen het aanrecht stond, kon zij geen kant op. Al grabbelend pakte zij achter haar rug een voorwerp van het aanrecht om zich te verdedigen. Dat was het mes waarmee zij aangever vervolgens in zijn gezicht heeft gestoken. Deze feitelijke gang van zaken vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier, meer in het bijzonder in de verklaring van aangever. Hij is op verzoek van de verdachte in aanwezigheid van haar toenmalige raadsman bij de rechter-commissaris gehoord. Aangever heeft volhard in zijn eerdere verklaring dat de verdachte uit boosheid een keukenmes heeft gepakt waarmee zij in een bovenhandse slaghouding op hem afkwam, waarop hij achteruit moest lopen en op een moment waarop hij geen kant meer op kon, door de verdachte in het gezicht werd gestoken. Bij die stand van zaken komt het hof tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de bewezen verklaarde gedraging heeft verricht in een situatie waarin voor haar de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het noodweerverweer wordt derhalve verworpen. Nu het hof van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, gaat ook het beroep op noodweerexces niet op.

Ook overigens zijn geen omstandigheden en feiten aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft haar toenmalige partner mishandelt, met als gevolg een nog altijd bestaand litteken in zijn gezicht.

Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer en hem nodeloos pijn en letsel bezorgd. Daaraan voorafgaand heeft de verdachte de mobiele telefoon van deze toenmalige partner beschadigd/vernield. Aldus handelende heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen en heeft de verdachte de benadeelden financiële schade en/of overlast berokkend.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. I.P.A. van Engelen, mr. Chr. A. Baardman en mr. F.W. van Lottum, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 september 2019.