Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:23

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
200.215.076-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg notariële akten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.215.076/01,

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/496303/ HA ZA 16-220.

Arrest van 22 januari 2019

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

1 Compagnie De Manutention Ro-Ro (CDMR) B.V.,
thans geheten C.R.O. Ports Nederland B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. Compagnie De Manutention (CDM) B.V.,

gevestigd te Vlissingen,

appellanten in het principaal beroep,

verweerders in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

verweerders in het incident ex artikel 843a Rv,

tezamen te noemen: C.RO (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

1 [geïntimeerde 1],

gevestigd te [vestingingsplaats],

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd te [vestingingsplaats],

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep,

eisers in het incident ex artikel 843a Rv,

tezamen te noemen: [geïntimeerde] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. P.J.M. Koning te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 31 maart 2017 is C.RO in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 4 januari 2017, hierna ook: het bestreden vonnis. Bij memorie van grieven (met producties), tevens akte wijziging/vermeerdering eis, heeft C.RO 12 grieven (per abuis niet goed doorgenummerd) aangevoerd en haar eis gewijzigd. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden, (voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van 4 grieven, haar eis gewijzigd en een vordering ex artikel 843a Rv ingesteld tot het in het geding brengen van de (hierna te bespreken) brief van 10 december 2004. C.RO heeft deze brief overgelegd bij antwoordconclusie in het incident waarna [geïntimeerde] haar vordering in het incident ex artikel 843a Rv heeft ingetrokken. Hierna heeft C.RO (met producties) geantwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel appel. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling bepleit op 26 november 2018, dit aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Daarna is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet, althans niet met voldoende mate van nauwkeurigheid, bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2 De volgende feiten staan tussen partijen vast.
(2.1). Zowel [geïntimeerde] als C.RO exploiteert een stuwadoorsbedrijf in het havengebied Vlissingen-Oost. Het bedrijf van [geïntimeerde] is, voor zover hier van belang, gelegen aan de Quarleshaven. De kade langs die haven is de Sloekade (hierna ook: de kade). Die kade en het daaraan grenzende kadeplatform behoren niet tot het terrein dat [geïntimeerde] in erfpacht heeft. Aangrenzend aan het terrein van [geïntimeerde] (liggend aan het water) is het terrein van C.RO gelegen. Dat terrein grenst niet aan de Sloekade.
(2.2) [geïntimeerde] is deels eigenaar, deels erfpachter van de grond waarop zij haar bedrijf uitoefent. C.RO is erfpachter van de grond waarop zij haar bedrijf uitoefent.
(2.3) Het havengebied Vlissingen-Oost kan vanaf de openbare weg, de Sloeweg, worden bereikt, namelijk over de Engelandweg. Deze Engelandweg loopt vanaf de Sloeweg tot aan de Sloekade.
(2.4) Halverwege de Engelandweg bevindt zich een afslag naar de Ritthemsestraat, via welke weg het terrein van C.RO kan worden bereikt.Voorbij deze afslag heeft [geïntimeerde] de Engelandweg afgesloten door middel van een ijzeren hek en betonblokken.
(2.5) C.RO heeft op de Ritthemsestraat, op het punt waar deze aan de oostzijde het terrein van C.RO binnen gaat, een bewaakte toegangspoort geplaatst. Aan de westzijde van haar terrein heeft C.RO de Ritthemsestraat afgesloten door middel van een ijzeren hek en betonblokken.
(2.6) Voorafgaande aan de hierboven genoemde feiten, die de actuele stand van zaken weergeven, hebben zich de volgende feiten voorgedaan.
(2.7) Het havengebied Vlissingen-Oost is aangelegd in de jaren ’70 van de twintigste eeuw. Het beheer ervan is thans in handen van N.V. Zeeland Seaports (hierna: Zeeland Seaports of ZS). In het vervolg van dit arrest zal het hof de havenautoriteit aanduiden als Zeeland Seaports of ZS, ook als het haar rechtsvoorgangster betreft.
(2.8) Bij notariële akte van 9 maart 1982en de daarop volgende inschrijving van die akte in de openbare registers (hierna ook: de akte 1982) heeft (de voorgangster van) Zeeland Seaports de in 2.2 bedoelde grond (althans het grootste deel daarvan) in erfpacht aan (de rechtsvoorgangster van) [geïntimeerde] gegeven, zulks onder de in die akte beschreven voorwaarden en bepalingen. Voor zover in deze procedure in hoger beroep van belang, gaat het om de volgende voorwaarden en bepalingen:
“Artikel 10

1. De erfpachtster heeft met inachtneming van de belangen van andere gebruikers het recht op vrij gebruik van het kadeplatform […]. Aan dit gebruik kunnen voorwaarden worden verbonden.
2. Met het oog op het medegebruik van de weg- of spoorwegaansluiting en de openbare kade door andere belanghebbenden dient gehandeld te worden volgens aanwijzingen en voorschriften door of namens de directeur gegeven.
(…)
Artikel 15

1. Op de grens van het in erfpacht gegeven terrein mag een afrastering worden geplaatst, welke ten behoeve van een doelmatige terreinafsluiting tot aan de havenzijde mag worden doorgetrokken, of op door derden te plaatsen afrastering mag aansluiten.
2. In de afrastering moet ter plaatse van de spoorbaan naar de openbare kade, over voldoende breedte een opening worden gespaard, welke afsluitbaar mag worden gemaakt door middel van een draai- en of schuifhek.
3. Het beweegbare hek ter plaatse van de spoorbaan kan, wanneer dit door of namens de directeur wordt voor gewenst, na overleg met de erfpachter en met haar toestemming worden opengesteld voor de toegang van wegverkeer naar het oostelijk deel van de verlengde openbare kade.
De toegang zal niet op onredelijke gronden kunnen worden geweigerd.
(…)
Artikel 17
1. De erfpachtster heeft, met inachtneming van de belangen van andere gebruikers, het recht van voorkeur op de voor het in erfpacht gegeven terrein gelegen kadeligplaats voor het aanleggen van vaartuigen (…).
2. Het Havenschap zal bevorderen, dat de kadeligplaats en het kadeplatform zal zijn ontruimd indien erfpachtster daarvan gebruik wenst te maken, mits hiervan tijdig kennis is gegeven.
Artikel 18

Het Havenschap heeft het recht, na overleg met de erfpachtster, telkenmale wanneer de kadeligplaats gelegen voor het in erfpacht gegeven terrein niet wordt bezet met een vaartuig voor de doeleinden als omschreven in artikel 17, aldaar een ander vaartuig ligplaats aan te wijzen, dat van de kade en het kadeplatform gebruik zal mogen maken.
Artikel 19
(…)
3. Bij het buiten bedrijf zijn van kranen, containerkranen of andere hijswerktuigen moeten deze zodanig worden opgesteld dat geen kraanarmen buiten de havenzijde van de kade uitsteken en dat andere belanghebbenden bij het gebruik van de openbare kade van de aanwezigheid van de kranen, containerkranen of hijswerktuigen geen hinder ondervinden.
(…)
Artikel 21
1. De erfpachtster heeft met inachtneming van de belangen van andere gebruikers het recht gebruik te maken van de stamspoorlijn van het Havenschap en van de op het kade aangelegde sporen.(…)”
(2.9) Bij brief van 14 september 1995 aan diverse geadresseerden heeft de directeur van ZS bekend gemaakt dat het dagelijks bestuur heeft besloten de “toegangspoort Engelandweg” te sluiten. De brief luidt voor zover relevant als volgt:
“Rekening houdend met de gewijzigde omstandigheden hebben wij besloten om met ingang van 18 september 1995 de toegangspoort Engelandweg te sluiten en alle bevoegde bezoekers van de Sloekade via de toegangspoort van de N.V. Haven van Vlissingen (hof: de rechtsvoorgangster van [geïntimeerde]) toegang te verlenen.
In geval een andere stuwadoor dan de twee eerder genoemden van het platform Sloekade gebruik wil maken kan de toegangspoort Engelandweg desgewenst weer in gebruik worden genomen onder nader te bepalen voorwaarden.”

(2.10) In een notitie van 27 mei 1999 ten behoeve van een vergadering van het bestuur van ZS heeft haar algemeen directeur, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…) Gedurende het afgelopen decennium gingen steeds minder bedrijven, anders dan de N.V. Haven van Vlissingen (hof: de rechtvoorgangster van [geïntimeerde]), van de openbare kade gebruikmaken. Vaste bezoekers, zoals loodsen, scheepshandelaren e.d. bereikten de openbare kade via de ingang van N.V. Haven van Vlissingen. Thans heeft ons het verzoek bereikt van de N.V. Haven van Vlissingen om het deel van de Engelandweg, gelegen achter meergenoemd hek te verwerven. (…) De reden hiervan is gelegen in het feit dat een aantal tabaksloodsen (…) worden geschikt gemaakt voor de opslag van o.a. papier en pulp. Het moge duidelijk zijn dat er in dat geval een voortdurend gebruik zal worden gemaakt van de Engelandweg als verbinding tussen twee bedrijfsterreinen. En omdat met name papier zeer gevoelig is tijdens het vervoer met b.v. een hefwerktuig dient de verbinding naadloos aan te sluiten aan beide terreinen. E.e.a. betekent dat een nieuw plaveisel moet worden aangebracht.
(…)
Voorts zal de N.V. Haven van Vlissingen op hun terrein een corridor markeren, waarover bezoekers van de kade veilig de kade kunnen bereiken.
Ik moge u voorstellen in te stemmen met het vorenstaande (…)”

(2.11) Bij notariële akte van 28 december 1999 en daarop volgende inschrijving van die akte in de openbare registers (hierna ook: de akte 1999) heeft Zeeland Seaports aan (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] geleverd de eigendom van een gedeelte van de Engelandweg, te weten, kort weergegeven, het deel voorbij de afslag naar de Ritthemsestraat tot aan de Sloekade (het deel van de Engelandweg dat over het door [geïntimeerde] gepachte bedrijfsterrein loopt). De akte luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

BEPALINGEN
De comparanten (…) verklaarden dat voormelde overeenkomst van koop en levering is geschied onder de navolgende bepalingen
(…)

Artikel 7
De koopster verleent het recht van overpad over haar terrein voor bestemmingsverkeer naar en van de openbare kade (Sloekade) en zal onder andere om veiligheidsredenen daartoe een “corridor” markeren.”

(2.12) In 2001 heeft C.RO zich op het haventerrein gevestigd (op een terrein naast dat van [geïntimeerde])

(2.13) Bij brief van 19 november 2003 heeft [geïntimeerde] het volgende aan ZS bericht, voor zover thans van belang:
“Zoals in de loop van dit jaar is afgesproken, zijn de kades grenzend aan ons terrein opgenomen in onze milieuvergunning en hebben wij het alleenrecht om hier schepen te behandelen.(…)
Dit geldt voor de Handelskade aan de Quarleshaven (…). Dit schrijven behoort als bijlage bij onze milieuvergunningsaanvraag. Indien er van uw kant nog opmerkingen of vragen zijn verzoeken wij u binnen 10 dagen te reageren, daar wij daarna onze aanvraag moeten indienen.”
(2.14) Nadien heeft [geïntimeerde] de Engelandweg afgesloten (zie ook r.o. 2.4).

(2.15) Bij brief van 10 december 2004 heeft de Exploitatiemaatschappij Schelde Maas (ESM) – een inmiddels opgeheven samenwerkingsverband tussen de Zeeuwse en Rotterdamse havens – onder meer aan C.RO geschreven:
“(…) Op de kade rust een voorkeursrecht van NV Haven van Vlissingen/[geïntimeerde] Terminals. Dat voorkeursrecht is vastgelegd in de notariële akte van 9 maart 1982 (…)
In artikel 17 en 18 is het voorkeursrecht vastgelegd en dat komt er eigenlijk op neer dat NV Haven (hof: de voorganger van [geïntimeerde]) een recht van voorkeur heeft op de voor het in erfpacht gegeven terrein gelegen kade te gebruiken voor – kort gezegd – de eigen laad- en losactiviteiten. Weliswaar dient zij dat formeel te doen met “inachtneming van de belangen van andere gebruikers”, maar zij heeft het voorkeursrecht. Dat laatste komt ook duidelijk tot uitdrukking in het tweede lid van artikel 17, dat luidt dat “het havenschap zal bevorderen dat de kadeligplaats en het kadeplatform zal zijn ontruimd indien erfpachtster daarvan gebruik wenst te maken, mits hiervan tijdig kennis is gegeven”.
Uit artikel 18 volgt dat het Havenschap weliswaar bevoegd is ligplaats aan te wijzen, maar dat zij dit alleen kan in overleg met de erfpachter en dan ook alleen wanneer de betreffende kadeligplaats niet door de NV Haven wordt bezet.(…)

(2.16) Partijen hebben met elkaar overleg gevoerd naar aanleiding van de door C.RO gewenste openstelling van de Engelandweg (over het terrein van [geïntimeerde]), in verband met het door C.RO beoogde gebruik van de (Sloe)kade en het kadeplatform. In dat kader is onder meer gesproken over een alternatieve toegang van C.RO tot de Sloekade, te weten via een nieuw aan te leggen weg en brug vanaf het terrein van C.RO.

(2.17) Op 12 november 2015 heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant uitspraak gedaan in het beroep van C.RO tegen het besluit van het dagelijks bestuur van ZS van 14 december 2012 inzake de afwijzing om handhavend op te treden ter zake de afsluiting door [geïntimeerde] van de Engelandweg. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De vorderingen in eerste aanleg en de beslissingen van de rechtbank

3. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, in conventie, kort samengevat, gevorderd:
I. een verklaring voor recht dat hij geen gevolg hoeft te geven aan de sommatie van C.RO om de toegang tot de kade via de Engelandweg (over zijn terrein) te herstellen;
II. veroordeling van C.RO om alle verkeer (van en naar het terrein van [geïntimeerde]) over de Ritthemsestraat te dulden en daartoe haar versperringen weg te halen, op straffe van een dwangsom;

4. C.RO heeft in eerste aanleg in reconventie, kort samengevat, gevorderd:
III. [geïntimeerde] te veroordelen om het door hem geplaatste hekwerk op de Engelandlaan te verwijderen ten behoeve van activiteiten van C.RO en te dulden dat C.RO het kadeplatform kan gebruiken, op straffe van een dwangsom;
IV. subsidiair: een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] moet dulden dat C.RO een toegangsweg/brug aanlegt via haar eigen terrein naar de Sloekade en dat [geïntimeerde] moet dulden dat C.RO de Sloekade benut voor haar activiteiten, op straffe van een dwangsom.

5. De rechtbank heeft bij het thans bestreden vonnis (in conventie) voor recht verklaard dat [geïntimeerde] niet gehouden is gevolg te geven aan de sommatie van C.RO om de toegang tot het kadeplatform langs de Sloekade via de Engelandweg (over het terrein van [geïntimeerde]) te herstellen (vordering I). De rechtbank heeft daarbij het door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
De rechtbank heeft (in reconventie) [geïntimeerde] veroordeeld te dulden dat C.RO een toegangsweg/brug aanlegt vanaf haar terrein naar het openbare kadeplatform, op straffe van een dwangsom (vordering IV). De rechtbank heeft daarbij het door C.RO meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
De vorderingen in hoger beroep

6. C.RO heeft in hoger beroep, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd, voor zover zijn eis is afgewezen, en, opnieuw rechtdoende gevorderd:
a) een verklaring voor recht dat C.RO op grond van artikel 7 van de akte 1999 gerechtigd is over de terreinen van [geïntimeerde] het openbare kadeplatform (aan de Sloekade) te bereiken en dat [geïntimeerde] verwijtbaar handelt indien hij het recht van pad niet verstrekt. Dit recht primair als erfdienstbaarheid en subsidiair als persoonlijk recht (met het karakter van derdenbeding) uit te oefenen door C.RO;
b) veroordeling van [geïntimeerde], binnen 10 dagen na het arrest op grond van artikel 7 van de akte 1999 primair het hekwerk op de Engelandweg te verwijderen en verwijderd te houden, althans het hekwerk open te stellen en geopend te houden voor (activiteiten van) C.RO en te dulden dat C.RO het openbare kadeplatform kan bereiken, en subsidiair een toegang aan te wijzen en blijvend te verstrekken over de terreinen van [geïntimeerde] en te dulden dat C.RO via die toegang het openbare kadeplatform kan bereiken, een en ander (primair en subsidiair) op straffe van een dwangsom.
c) een verklaring voor recht dat C.RO het kadeplatform mag benutten voor zijn activiteiten (ex artikel 10 lid 2 van de akte 1982)

d) veroordeling van [geïntimeerde], binnen 10 dagen na het arrest, C.RO ongehinderd het openbare kadeplatform te laten gebruiken, primair: in overeenstemming met de notariële akte van 9 maart 1982 en subsidiair vanaf het moment dat appellanten volledig hebben voldaan aan de door ZS gestelde voorwaarden, een en ander (primair en subsidiair) op straffe van een dwangsom.

7. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis voor zover zijn vordering is toegewezen en die van C.RO is afgewezen, alsmede tot afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van C.RO. In incidenteel appel heeft hij vier – deels voorwaardelijke – grieven geformuleerd en, kort weergegeven, alsnog (in gewijzigde vorm) toewijzing gevorderd van haar afgewezen vordering (II) betreffende de door [geïntimeerde] gewenste toegang van zijn verkeer over de Ritthemsestraat.
Beoordeling van de grieven en (gewijzigde) vordering van C.RO in het principaal appel

8. Deze grieven en vordering hebben alle betrekking op de door C.RO gewenste toegang tot de Sloekade via het bedrijfsterrein van [geïntimeerde], alsmede op het gebruik van het kadeplatform en de Sloekade door (ook) C.RO. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

9. Alvorens de grieven te bespreken wijst het hof er op dat [geïntimeerde] geen bezwaar heeft tegen de aanleg door C.RO van een toegangsweg/brug vanaf het eigen terrein van C.RO naar het openbare kadeplatform. Deze (door de rechtbank toegewezen) alternatieve toegangsweg (vordering IV) hoeft het hof daarom in zoverre niet (verder) te beoordelen. In het kader van de derde grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel zal het hof nog wel terugkomen op de terzake toegewezen vordering van C.RO.
Gebruiksrechten kade en kadeplatform

10. Ten aanzien van de grieven van C.RO stelt het hof het volgende voorop. De akte 1982, waarbij het recht van erfpacht op het bedrijfsterrein aan (de voorgangster van) [geïntimeerde] werd verleend, moet objectief worden uitgelegd. Het komt daarbij aan op de bedoeling van partijen voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. De bedoeling van partijen moet worden afgeleid uit de bewoordingen van de akte, die naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd in het licht van de hele akte. Dus niet de verhouding tussen de (toenmalige) partijen, maar de tekst van de akte is hier bepalend.

11. Blijkens artikel 10 van de akte 1982 heeft [geïntimeerde], met inachtneming van de belangen
van andere gebruikers, het recht op vrij gebruik van het kadeplatform. Met het oog op medegebruik door andere belanghebbenden moeten daarbij de aanwijzingen en voorschriften van de havenautoriteit worden opgevolgd. Blijkens artikel 17, lid 1 van de akte 1982 heeft [geïntimeerde] het recht van voorkeur op de Sloekade voor het aanleggen van vaartuigen, dit met inachtneming van de belangen van andere gebruikers. Lid 2 sluit hierop aan, aangezien de havenautoriteit moet bevorderen dat de kadeligplaats en het kadeplatform zijn ontruimd indien erfpachtster hiervan gebruik wil maken.
C.RO erkent ook dit voorkeursrecht/recht op vrij gebruik van [geïntimeerde] maar betoogt dat de akte 1982 ook ruimte biedt voor andere gebruikers van de kade en het kadeplatform, die beide openbaar zijn.
Voor de uitleg van medegebruik van de kade en het kadeplatform geeft artikel 18 van deze akte duidelijke aanwijzingen. Wanneer de kadeligplaats niet wordt bezet door schepen die bij erfpachtster [geïntimeerde] in behandeling zijn, kan het Havenschap een ander vaartuig aanwijzen dat van de kade en het kadeplatform gebruik zal mogen maken, dit na overleg met erfpachtster.

12. Uit de bewoordingen van de akte 1982 (de artikelen 10, 17 en 18 in onderling verband beschouwd) volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar, niet alleen dat [geïntimeerde] een voorkeursrecht heeft op de kade, maar ook als eerste in aanmerking komt voor het gebruik van het kadeplatform. Blijkens artikel 18 van deze akte kan de kadeligplaats en het kadeplatform alleen door anderen worden gebruikt, kort gezegd, wanneer [geïntimeerde] deze niet nodig heeft. [geïntimeerde] heeft daarbij een stevige vinger in de pap, gelet op de bewoordingen ‘na overleg met erfpachtster’, terwijl uiteindelijk ZS beslist. Het komt er dus op neer dat blijkens de akte 1982 derden, waaronder C.RO, op voorhand geen zekerheid hebben over de mogelijkheid van gebruik van de kade en het kadeplatform, terwijl [geïntimeerde] altijd vóórgaat.

13. Voor zover C.RO met zijn vorderingen (c) en (d) dan ook op min of meer regelmatige en vaste basis gebruik van de kade en het kadeplatform beoogt, staat de akte 1982 daaraan in de weg. Het hof ziet dan ook geen grond voor de door C.RO in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht (c), inhoudende dat C.RO het kadeplatform mag benutten voor zijn activiteiten (ex artikel 10 lid 2 van de akte 1982), nu deze vordering veel te onbepaald is en niet strookt met het vorenoverwogene. Voor toewijzing van vordering (d) bestaat evenmin grond en in ieder geval heeft C.RO onvoldoende belang bij toewijzing van die vordering, nu niet [geïntimeerde] maar ZS uiteindelijk beslist over het gebruik van de kadeligplaats en het kadeplatform (zie hiervoor in r.o. 12) en [geïntimeerde] heeft toegezegd zich te zullen houden aan zijn verplichtingen jegens ZS (memorie van antwoord onder 3.6).
Toegang tot kade en kadeplatform

14. Iets anders is de vraag naar de toegang tot de kade en het kadeplatform. Zoals hiervóór in r.o. 9 is overwogen, staat het C.RO (civielrechtelijk) vrij om een toegang via eigen terrein aan te leggen in de daar bedoelde zin. Daarnaast is toegang mogelijk via het (openbare) water van de haven. C.RO wenst echter voor haar stuwadoorswerkzaamheden een blijvend te verstrekken toegang tot de kade en het kadeplatform, primair via de Engelandweg en subsidiair via een andere route over het terrein van [geïntimeerde], te verkrijgen.

15. C.RO betoogt in dit verband dat zij op grond van artikel 7 van de akte 1999 een onbelemmerd recht van overpad (ergens over het terrein van [geïntimeerde]) heeft naar de kade (als heersend erf). Dit betoog wordt verworpen, waarbij het hof ook hierbij de in r.o. 10 geformuleerde maatstaf als uitgangspunt neemt.

16. Blijkens dit artikel 7 heeft bestemmingsverkeer een recht van overpad en zal [geïntimeerde] daartoe om veiligheidsredenen een corridor aanleggen. De begrippen ‘bestemmingsverkeer’ en ‘veiligheidscorridor’ zijn in de akte niet nader uitgelegd, zodat het hof met inachtneming van het normale spraakgebruik en de handelsgebruiken een uitleg zal geven over de reikwijdte van deze begrippen in de akte.

17. De begrippen ‘bestemmingsverkeer’ en ‘veiligheidscorridor’ in het normale spraakgebruik duiden veelal op verkeer dat ter plaatse moet zijn ten behoeve van de directe omgeving (dus ten behoeve van het terrein van [geïntimeerde] of de kade/het kadeplatform) en daartoe een veilige route moet hebben. Zeker geven deze formuleringen geen aanwijzing voor onbelemmerd gebruik door iedere derde (zoals C.RO) voor zijn logistieke bewegingen over de weg (via het terrein van [geïntimeerde]) naar de kade. Dit geldt des te sterker wanneer hierbij worden betrokken de beperkte gebruiksmogelijkheden van de kade/het kadeplatform voor anderen dan [geïntimeerde] (op grond van de akte 1982).
C.RO heeft ook niet gesteld hoe de begrippen ‘veiligheidscorridor’ en ‘bestemmingsverkeer’ in zijn visie geïnterpreteerd moeten worden. Hij heeft volstaan met het noemen van ‘gebruikers’ (memorie van grieven 27 tot en met 29) en met het verwijzen naar de notitie/notulen van 27 mei 1999 (r.o. 2.10 van dit arrest), welke notitie de besluitvorming betreft voorafgaande aan de akte 1999. Indien wordt gekeken naar de betreffende notitie, dan wordt daarin naar het oordeel van het hof kennelijk beoogd om ‘vaste bezoekers, zoals loodsen en scheepshandelaren’ toegang tot de kade te bieden, via een ‘veiligheidscorridor’ over het terrein van [geïntimeerde]. Deze formuleringen wijzen slechts op een incidenteel veilig gebruik van deze toegang via het terrein van [geïntimeerde] door een beperkt aantal personen. Zeker geven deze formuleringen geen aanwijzing voor onbelemmerd gebruik door C.RO als stuwadoor voor zijn goederenverkeer van en naar de kade.

18. Nu de akte 1999 geen steun geeft aan de lezing van C.RO, valt hiermee het doek voor C.RO en dienen ook de overige twee vorderingen van C.RO in hoger beroep (a en b) afgewezen te worden. De grieven van C.RO falen, althans hoeven verder niet meer afzonderlijk te worden besproken. Het hof komt niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de akte een erfdienstbaarheid of derdenbeding behelst.
Beoordeling van de grieven van [geïntimeerde] en de gewijzigde vordering in het incidenteel appel

19. De eerste grief hoeft niet besproken te worden, nu de daartoe gestelde voorwaarde niet is vervuld.

20. Bij de tweede grief, die het door de rechtbank niet behandelde verjaringsverweer betreft, heeft [geïntimeerde], gelet op het voorgaande, geen belang.

21. Met de derde grief klaagt [geïntimeerde] dat de toegewezen vordering (IV) van C.RO tot het dulden door [geïntimeerde] van de aanleg van een toegangsweg/brug over het eigen terrein van C.RO, op straffe van een dwangsom, geen stand kan houden, omdat hij zich daartegen niet verzet en C.RO hierbij dus geen belang heeft.
Nu C.RO hier – in hoger beroep bij pleidooi onweersproken – tegenover heeft gesteld dat zij wel degelijk een belang heeft omdat de vordering erop ziet dat [geïntimeerde] deze werkzaamheden niet frustreert en nu [geïntimeerde] deze grief overigens ook verder niet heeft toegelicht wordt deze grief verworpen.

22. Wel verdient aandacht dat de aan deze verklaring voor recht verbonden dwangsom zinledig is, nu deze is verbonden aan (slechts) een verklaring voor recht en niet aan een veroordeling, zoals bij dit (indirecte) executiemiddel (ex artikel 611a Rv) bedoeld.

23. De vierde grief heeft betrekking op de door de rechtbank afgewezen vordering (II) van [geïntimeerde], ertoe strekkende dat C.RO alle verkeer van [geïntimeerde] over de Ritthemsestraat moet dulden en daartoe de door C.RO aangebrachte versperringen (zie r.o. 2.5 van dit arrest) moet verwijderen, op straffe van een dwangsom. [geïntimeerde] heeft in dit verband in hoger beroep zijn eis gewijzigd en, zakelijk, gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat C.RO jegens [geïntimeerde] onrechtmatig handelt door in strijd met artikel 14 van de Wegenwet dit deel van de openbare weg, de Ritthmsestraat, afgesloten te houden voor verkeer met een andere bestemming dan zijn eigen bedrijventerrein, waaronder verkeer van [geïntimeerde].

24. Deze grief wordt verworpen. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank terzake in r.o.’s 4.28 tot en met 4.31 heeft overwogen en waarover [geïntimeerde] in hoger beroep geen deugdelijke nieuwe gezichtspunten naar voren heeft gebracht. Dit betekent dan ook dat de in hoger beroep terzake gewijzigde vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen.
Slotsom

25. De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden vonnis bekrachtigd zal worden en dat de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van partijen zullen worden afgewezen. De stellingen en weren van partijen hoeven verder niet besproken te worden. Aan bewijslevering (door getuigen) wordt niet toegekomen, nu geen van belang zijnde stellingen in hoger beroep te bewijzen zijn aangeboden. Partijen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld, respectievelijk in de proceskosten in het principaal en incidenteel appel.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van
    4 januari 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

  • -

    wijst af het door partijen in hoger beroep meer of anders gevorderde;

- veroordeelt C.RO in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 716,-- aan griffierecht en € 3.222,-- aan salaris advocaat;,

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van C.RO tot op heden begroot op € 1074,-- aan salaris advocaat.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, voorzitter, M.A.F. Tan-de Sonnaville en
B.R. ter Haar, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.