Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2287

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
200.258.260/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bevel op grond van artikel 843a Rv tot verstrekking van politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens aan de betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/613
JBPR 2020/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.258.260/01

Rolnummer rechtbank: C/09/567734 / KG ZA 19-110

Arrest van 3 september 2019

in de zaak van:

1. [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellant] c.s. en afzonderlijk: [appellant] en [appellante] ,

advocaat: mr. E.J. Bijl te Deventer,

tegen

De Nationale Politie,

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Politie,

advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Het geding

Bij exploot van 16 april 2019 is [appellant] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 maart 2019. In het exploot heeft [appellant] c.s. vier grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij H1-formulier en brief van 19 april 2019 heeft [appellant] c.s. verzocht het hoger beroep te behandelen als spoedappel. Dat verzoek is toegewezen.

Bij mondeling arrest van 24 april 2019 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie van partijen is gehouden op 30 april 2019 ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Bij brief van 30 april 2019 heeft mr. Bolt namens de Politie gereageerd op een ter zitting besproken schikkingsvoorstel. Per e-mail van 1 mei 2019 heeft het hof mr. Bolt daarover twee vragen gesteld, die mr. Bolt bij e-mail van 1 mei 2019 namens de Politie heeft beantwoord.

De Politie heeft vervolgens een memorie van antwoord in kort geding genomen en daarin de grieven bestreden.

Bij e-mail van 20 juni 2019 zijn partijen verzocht om kenbaar te maken of zij behoefte hadden hun standpunten ten overstaan van de meervoudige kamer die over de zaak beslist en waarvan de raadsheer-commissaris deel uitmaakt, toe te lichten. Bij e-mails van 23 respectievelijk 24 juni 2019 hebben partijen meegedeeld geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge toelichting.

Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

  2. [appellant] en [appellante] zijn echtgenoten van elkaar.

  3. Op 4 mei 2010 om 19:14 uur is [appellant] ingesloten in een cel van een politiebureau te [plaatsnaam] . Hij werd in de cel door middel van een camera geobserveerd. Voorts was er een camera gericht op de ruimte voor de cel. De camerabeelden zijn opgenomen op een dvd. Van de beelden is door de Rijksrecherche een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal is aan [appellant] c.s. verstrekt.

  4. Blijkens het proces-verbaal heeft [appellant] zich gedurende zijn verblijf in de cel verschillende keren met hoofd en lichaam tegen de deur en de wand van de cel geworpen. Na bezoeken en/of observaties van een GGD-arts, een psychiatrisch verpleegkundige en een psychiater hebben politieagenten op 5 mei 2010 om circa 00:13 uur de cel betreden en [appellant] door middel van de zogeheten “schildprocedure” gefixeerd. Vervolgens constateerde de GGD-arts dat [appellant] geen hartslag meer had, waarop men [appellant] heeft gereanimeerd en per ambulance heeft laten vervoeren naar het ziekenhuis in [plaatsnaam], alwaar hij gedurende enige tijd kunstmatig in coma is gehouden.

  5. Op 12 mei 2010 is bij [appellant] acute letale katatonie vastgesteld. In 2012 zijn bij hem blijvende cognitieve stoornissen geconstateerd. [appellant] is thans grotendeels aangewezen op dagopvang en/of zorg door [appellante] .

  6. Op 21 oktober 2014 heeft [appellant] de Politie aansprakelijk gesteld voor alle door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de gebeurtenissen op 4 en 5 mei 2010. De Politie heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.

  7. Op 21 februari 2017 heeft [appellant] c.s. de Politie gedagvaard voor de rechtbank Overijssel en een verklaring voor recht gevorderd dat de Politie aansprakelijk is voor de schade van [appellant] c.s. als gevolg van onrechtmatig handelen op 4 en 5 mei 2010 met veroordeling van de Politie tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Aan die vordering heeft [appellant] c.s. – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de Politie niet tijdig en niet adequaat heeft opgetreden, niet de vereiste voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om het letsel te voorkomen en niet heeft ingegrepen toen bleek dat ingrijpen geboden was om verdere schade te voorkomen. Bovendien is [appellant] door het handelen van de Politie verstoken geweest van tijdige medische hulp waaraan hij behoefte had.

  8. Bij vonnis van 21 maart 2018 heeft de rechtbank Overijssel de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen. [appellant] c.s. heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Naar het hof ambtshalve bekend is, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in dat hoger beroep een comparitie van partijen gelast op 19 mei 2020.

9. Bij brief van 24 mei 2018 heeft de advocaat van [appellant] c.s. aan de Politie verzocht haar een kopie te verstrekken van de camerabeelden die zijn gemaakt vanaf 4 mei 2010, 19:12 uur, tot en met 5 mei 2010, 00:47 uur, in de cel waarin [appellant] zich bevond.

10. Op 14 november 2018 heeft de advocaat van [appellant] c.s. de camerabeelden bekeken op het politiebureau en heeft zij gevraagd of het mogelijk was haar een kopie te verstrekken van de dvd waarop de beelden zijn opgeslagen.

11. Bij besluit van 23 november 2018 heeft de Politie dat verzoek aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 25 Wet politiegegevens (hierna: Wpg) en het verzoek afgewezen met de motivering dat deze wet niet verplicht tot het verstrekken van afschriften van de documenten waarin de verwerkte politiegegevens zijn opgenomen.

12. Bij exploot van 8 februari 2019 heeft [appellant] c.s. de Politie in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag en op grond van artikel 843a Rv gevorderd de Politie te gebieden op straffe van verbeurte van een dwangsom een afschrift te verstrekken van alle camerabeelden met betrekking tot het incident, gemaakt tussen 4 mei 2010, 19:14 uur, en 5 mei 2010, 00:54 uur.

12. Bij vonnis van 20 maart 2019 heeft de voorzieningenrechter [appellant] c.s. niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het door [appellant] c.s. gevorderde beeldmateriaal politiegegevens betreft in de zin van de Wpg. De Wpg voorziet in artikel 25 in de mogelijkheid om politiegegevens in te zien, maar biedt niet uitdrukkelijk de mogelijkheid om afschriften van politiegegevens te verkrijgen. De Politie heeft de brief van de advocaat van [appellant] c.s. van 24 mei 2018 op goede gronden aangemerkt en afgehandeld als een verzoek ex artikel 25 Wpg. Artikel 29 lid 1 Wpg bepaalt dat een beslissing als bedoeld in artikel 25 Wpg geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee moet de in de Wpg beschreven procedure tot het verkrijgen van inzage in politiegegevens als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang worden beschouwd, aldus nog steeds de voorzieningenrechter. Verder is van belang dat – mede gelet op de aard van de betreffende informatie – de Wpg (voor wat betreft de mogelijkheid om kennis te nemen van politiegegevens) als lex specialis moet worden aangemerkt en niet kan worden doorkruist door de algemene regeling van artikel 843a Rv. Dit brengt mee dat in de onderhavige zaak geen rol is weggelegd voor de burgerlijke rechter, te minder nu ervan moet worden uitgegaan dat in de bestuursrechtelijke procedure aan de orde kan worden gesteld of het bepaalde in artikel 25 Wpg beperkt (enkel inzage) of ruim (ook verstrekking van afschriften) moet worden uitgelegd. [appellant] c.s. had binnen zes weken na het besluit van de Politie van 23 november 2018 beroep moeten instellen en/of een verzoek tot bemiddeling of advisering moeten indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens waarop [appellant] c.s. ook expliciet is gewezen in het besluit. De omstandigheid dat [appellant] c.s. dat heeft nagelaten, komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geheel voor diens rekening en risico en kan niet meebrengen dat de civiele rechter het geschil betreffende de verstrekking van politiegegevens toch inhoudelijk beoordeelt.

12. In hoger beroep vordert [appellant] c.s. vernietiging van het vonnis van 20 maart 2019 en alsnog toewijzing van de oorspronkelijke vordering met veroordeling van de Politie in de kosten van beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

12. De vier grieven van [appellant] c.s. leggen de zaak in volle omvang aan het oordeel van het hof voor. [appellant] c.s. betoogt – kort gezegd – dat de rechtsgang op grond van de Wpg in de onderhavige zaak niet als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang kan worden beschouwd nu daarmee geen afschrift van de camerabeelden kan worden verkregen. De Raad van State heeft immers in zijn uitspraak van 20 juni 20181 geoordeeld dat de Wpg niet verplicht tot het verstrekken van afschriften. De Wpg kan ook niet worden aangemerkt als een lex specialis van artikel 843a Rv. Een lex specialis regelt een specifieke situatie die ook onder een lex generalis valt. De Wpg biedt echter geen grondslag voor het verstrekken van een afschrift terwijl artikel 843a Rv dit wel doet. Het belang bij de onderhavige vordering op grond van artikel 843a Rv is het verkrijgen van stukken om die in de procedure te kunnen overleggen ten behoeve van waarheidsvinding. Het belang in het kader van de Wpg is anders, namelijk het (kunnen) controleren of de verwerking van politiegegevens in overeenstemming met privacywetgeving geschiedt. Het besluit van de Politie in het kader van de Wpg staat derhalve niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de zelfstandige grondslag van artikel 843a Rv.

16. De Politie heeft aangevoerd dat de Wpg niet verplicht tot het verstrekken van afschriften zodat deze wet geen recht geeft op het verstrekken van afschriften. Omdat de Wpg een lex specialis is, die voorrang heeft op artikel 843a Rv, kan het verstrekkingenregime van de Wpg niet worden doorkruist door het op dit artikel gebaseerde verzoek. Nu de Wpg geen grondslag biedt voor de gewenste verstrekking is die grondslag er niet. De mogelijkheden die er zijn voor verstrekking van politiegegevens zijn geregeld in de Wpg en nergens anders. De vraag of in een concreet geval recht bestaat op de gewenste verstrekking, moet dus aan de hand van de Wpg worden beantwoord. Daarbij is van belang dat de Wpg een geheimhoudingsplicht voor de Politie behelst. Daarop kan alleen in de gevallen waarin de Wpg voorziet een uitzondering worden gemaakt. De Wpg heeft op het punt van de kennisneming van politiegegevens dus wel degelijk exclusieve werking. Volgens vaste rechtspraak bestaan de voormalige Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp (oud)) en artikel 843a Rv naast elkaar en kunnen zij in eenzelfde casus tot een andere uitkomst leiden. Dat geldt echter niet voor de relatie tussen de Wpg en artikel 843a Rv. De Wpg bevat een exclusieve regeling voor het al dan niet kennisnemen en verstrekken van politiegegevens en heeft derhalve wel degelijk het karakter van een lex specialis. [appellant] c.s. had beroep moeten instellen bij de bestuursrechter. In die procedure had aan de orde kunnen komen of artikel 25 Wpg beperkt of ruim moet worden uitgelegd. Dit heeft wel degelijk te gelden als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dat [appellant] c.s. daarmee wellicht niet het door hem beoogde doel kon bereiken, is geen reden om de rechtsgang te diskwalificeren als niet met voldoende waarborgen omkleed.

16. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

16. De Wpg regelt opslag, gebruik en verstrekking van persoonsgegevens door de Politie en geeft de burger daarmee waarborgen tegen ongerechtvaardigde inbreuken op zijn persoonlijke levenssfeer. De systematiek en de uitgangspunten van de Wpg – en de Europese richtlijn 2016/6802 waarvan de Wpg de implementatie vormt – zijn in grote lijnen gelijk aan die van de - inmiddels ingetrokken – Wbp (oud) en de opvolger daarvan, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG).3 De Wpg betreft een specifieke regeling ter bescherming van persoonsgegevens (lex specialis) terwijl de AVG/Wbp (oud) algemene regels (lex generalis) daarover bevat.4 Ten aanzien van de verhouding tussen artikel 35 Wbp (oud) en artikel 843a Rv heeft de Hoge Raad overwogen dat elk van deze bepalingen een eigen toepassingsgebied heeft.5 Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden voor de verhouding tussen artikel 25 Wpg en artikel 843a Rv. Artikel 25 Wpg dient ook een ander doel dan artikel 843a Rv. Net als artikel 35 Wbp (oud) geeft artikel 25 Wpg de betrokkene het recht op inzage van hem betreffende persoonsgegevens, zodat de betrokkene kan kennisnemen van deze gegevens, kan nagaan of deze juist zijn en overeenkomstig de Wbp, respectievelijke Wpg, worden verwerkt en in voorkomend geval de hem uit hoofde van de Wbp, respectievelijke Wpg, toegekende rechten kan uitoefenen.6 Artikel 843a Rv daarentegen voorziet erin dat degene die daarbij een rechtmatig belang heeft, onder meer afschrift van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, kan vorderen.7 De vordering kan worden gedaan met uiteenlopende oogmerken, waaronder, doch niet uitsluitend, de bewijslevering in een lopende procedure.8 De bestuursrechtelijke procedure in het kader van artikel 25 Wpg kan dan ook niet worden beschouwd als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt als met een vordering op grond van artikel 843a Rv. De bestuursrechtelijke procedure in het kader van artikel 25 Wpg kan derhalve niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van een eiser in een vordering op grond van artikel 843a Rv. Gezien het eigen toepassingsgebied van beide bepalingen kan artikel 25 Wpg ook niet worden beschouwd als een ten opzichte van artikel 843a Rv bijzondere bepaling die afbreuk kan doen aan de rechten die kunnen worden ontleend aan artikel 843a Rv. Daarbij komt dat artikel 25 Wpg geen verbod inhoudt om politiegegevens aan de betrokkene te verstrekken.

19. Ook de geheimhoudingsplicht van artikel 7 Wpg kan niet afdoen aan de toepasselijkheid van artikel 843a Rv. In artikel 843a lid 3 Rv is immers uitdrukkelijk rekening gehouden met de ambtelijke geheimhoudingsplicht. Daaruit volgt juist dat artikel 843a Rv wel van toepassing is in het geval van een ambtelijke geheimhoudingspicht zoals artikel 7 Wpg. Indien een dergelijke geheimhoudingsplicht geldt, behoeft ingevolge artikel 843a lid 3 Rv niet aan de vordering ex artikel 843a Rv te worden voldaan. In de onderhavige zaak speelt de geheimhoudingsplicht van artikel 7 Wpg echter geen rol. Op grond van artikel 7 Wpg mogen politiegegevens slechts in bepaalde gevallen aan derden worden verstrekt.9 In de onderhavige zaak gaat het echter niet om verstrekking aan derden maar om verstrekking aan de betrokkene zelf. Met de verstrekking aan de betrokkene zelf wordt vanzelfsprekend geen inbreuk gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Voorts gaat het in deze zaak om gegevens waarvan de Politie bij besluit van 23 november 2018 heeft vastgesteld dat [appellant] daarvan kennis mag nemen. De geheimhoudingsplicht is derhalve in de onderhavige zaak niet aan de orde zodat noch artikel 7 Wpg noch artikel 843a lid 3 Rv aan verstrekking in de weg staat.

20. De grieven slagen derhalve.

20. De Politie heeft in eerste aanleg gesteld dat het besluit van 23 november 2018 formele rechtskracht heeft gekregen zodat op het punt van de totstandkoming en inhoud van de rechtmatigheid van het besluit moet worden uitgegaan en de civiele rechter dus niet bevoegd is om het reeds in een onherroepelijk besluit door de Politie afgewezen verzoek te beoordelen10.

22. Dit argument van de Politie faalt reeds omdat de onderhavige vordering van [appellant] c.s. niet is gebaseerd op de onrechtmatigheid van het besluit van 23 november 2018, maar op artikel 843a Rv. Overigens leidt formele rechtskracht niet tot onbevoegdheid van de civiele rechter.

22. Voorts heeft de Politie in eerste aanleg aangevoerd dat de vordering op grond van artikel 843a Rv veeleer thuishoort in de toch al lopende bodemprocedure11. De rechter die over het onderliggende geschil moet oordelen, is volgens de Politie het beste in staat om te beoordelen of het verstrekken van de camerabeelden redelijkerwijs van de Politie kan worden gevergd en of de camerabeelden naast de reeds verstrekte stukken nog een relevante rol kunnen spelen.

24. Voor zover de Politie hiermee de ontvankelijkheid van [appellant] c.s. in zijn vordering ter discussie wil stellen, geldt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 201312 volgt dat het instellen van een vordering op grond van artikel 843a Rv in een afzonderlijk kort geding tijdens een aanhangige bodemprocedure geen grond is voor een niet-ontvankelijkverklaring. Voor het overige faalt de stelling van de Politie bij gebrek aan onderbouwing.

25. Tot slot heeft de Politie in eerste aanleg nog betwist dat [appellant] c.s. een rechtmatig belang heeft bij verstrekking van de camerabeelden.13 Volgens de Politie zijn de camerabeelden in het rapport van de Rijksrecherche overduidelijk, nauwkeurig en uitvoerig beschreven. De camerabeelden voegen daar niets aan toe, te meer nu de dvd niet alle beeldfragmenten bevat die in het rapport zijn beschreven. De leverancier van de camera’s heeft niet alle beelden naar behoren overgezet op de dvd. Ook de oorspronkelijke datum en tijd van de opnames zijn niet op de dvd te zien. Voorts staat het gedrag van [appellant] niet ter discussie tussen partijen zodat daarvan geen bewijs nodig is. Een behoorlijke rechtspleging is ook zonder de beelden voldoende gewaarborgd. Door de geboden inzage en het rapport van de Rijksrecherche heeft de Politie voldaan aan artikel 843a Rv. Door toewijzing van de vordering zou de Politie onredelijk worden benadeeld. De Politie is gebonden aan het toetsingskader van de Wpg en het is van groot belang dat de Wpg hier maatgevend is en blijft. Het beschikbaar stellen van de beelden zou ook in strijd zijn met het beleid van de Politie dat voorkomen moet worden dat camerabeelden van de Politie een eigen leven gaan leiden en dat de Politie het niet meer in haar macht heeft wat er met de beelden gebeurt. Tot slot meent de Politie dat het risico van een mede door emotie bepaalde beslissing in de bodemprocedure niet in haar belang is. Voor het geval de vordering toch wordt toegewezen, verzoekt de Politie een ruime tijdspanne voor het beschikbaar stellen van de beelden zodat deze eerst kunnen worden geanonimiseerd en bewerkt om te zorgen dat het beeld niet doorloopt terwijl de tijd stilstaat, er geen herhaling van dezelfde beelden is en de chronologie zoveel mogelijk kloppend wordt gemaakt. De kosten hiervan komen voor rekening van [appellant] c.s.

26. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] c.s. een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv. [appellant] c.s. heeft tijdens het pleidooi in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat er op de beelden meer te zien is dan beschreven in het rapport van de Rijksrecherche.14 De enkele stelling van de Politie dat de camerabeelden niets toevoegen, faalt bij gebrek aan onderbouwing. Met de stelling dat het gedrag van [appellant] niet ter discussie staat en daarvan geen bewijs nodig is, miskent de Politie dat [appellant] c.s. met de beelden zijn stelling wil onderbouwen dat de situatie en de gesteldheid van [appellant] ten tijde van het incident dusdanig waren dat de Politie eerder had moeten ingrijpen. De stelling van de Politie over het toetsingskader van de Wpg faalt op de gronden als overwogen in rovv. 18-19. Het gestelde risico dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na aanschouwing van de camerabeelden een mede door emotie bepaalde beslissing neemt, is niet onderbouwd. Het door de Politie genoemde bezwaar dat verstrekking van een kopie van de beelden aan [appellant] c.s. ertoe kan leiden dat de beelden “een eigen leven gaan leiden” kan worden ondervangen door geen afgifte van de beelden te bevelen, maar te bepalen dat de Politie de beelden tijdens een zitting in de bodemprocedure moet (laten) vertonen. Op die wijze heeft de Politie ook een voldoende ruime tijdspanne om de beelden desgewenst te anonimiseren en te bewerken om te zorgen dat het beeld niet doorloopt terwijl de tijd stilstaat, er geen herhaling van dezelfde beelden is en de chronologie zoveel mogelijk kloppend wordt gemaakt. De (eerstvolgende) zitting vindt immers pas plaats op 19 mei 2020. Aldus wordt naar het oordeel van het hof recht gedaan aan de belangen van beide partijen. [appellant] c.s. heeft tijdens de comparitie in het onderhavige beroep overigens ook verklaard te kunnen instemmen met deze wijze van “verstrekking”. Het hof zal met toepassing van artikel 843a lid 2 Rv de vordering in die zin toewijzen. Om geschillen over de bewerking van het beeldmateriaal te voorkomen, zal het hof bepalen dat de Politie de camerabeelden zoals die nu op de dvd staan, dus ongeanonimiseerd en onbewerkt, moet tonen tijdens de zitting in de bodemprocedure, indien en voor zover de rechter in de bodemprocedure dat toestaat. Desgewenst kan de Politie aanbieden om daarnaast of in plaats daarvan een geanonimiseerde en/of bewerkte versie te laten zien. Het is aan de rechter in de bodemprocedure om te bepalen of de beelden daadwerkelijk worden getoond en, zo ja, in welke versie(s).

27. De slotsom is dat de grieven slagen en het vonnis moet worden vernietigd. De vordering zal als hierna in het dictum omschreven, worden toegewezen met veroordeling van de Politie in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, het nasalaris voor de advocaat daaronder begrepen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis;

en, opnieuw rechtdoende:

- gebiedt de Politie om, indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure tussen [appellant] c.s. en de Politie vertoning van de camerabeelden toestaat, op eerste verzoek van [appellant] c.s. de camerabeelden gemaakt tussen 4 mei 2010 om 19:14 uur en 5 mei 2010 om 00:54 uur in en voor cel [nummer] van het politiebureau aan [het adres] te [plaatsnaam] , zoals die nu op de dvd staan, geheel of het door [appellant] c.s. gewenste gedeelte daarvan ter zitting in genoemde bodemprocedure te (laten) vertonen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere keer dat de Politie niet voldoet aan een verzoek van [appellant] c.s. de betreffende beelden ter zitting in de bodemprocedure te vertonen terwijl de rechter vertoning toestaat;

- veroordeelt de Politie in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op 20 maart 2019 aan de zijde van [appellant] c.s. bepaald op € 104,32 aan kosten voor het exploot, € 297,- aan griffierecht en op € 980,- aan salaris voor de advocaat;

- veroordeelt de Politie in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] c.s. bepaald op € 99,01 aan kosten voor het exploot, € 324,- aan griffierecht, € 2.148,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 89,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 89,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, E.M. Dousma-Valk en P.H. Blok en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.

1 . ECLI:NL:RVS:2018:1982.

2 . Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.

3 . Tweede Kamer 2017–2018, 34 889, nr. 3, blz. 4; Tweede Kamer, 2005-2006, 30 327, nr. 3, blz. 1 en 3.

4 . Tweede Kamer, 2017–2018, 34 851, nr. 3, blz. 18.

5 . HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, NJ 2007/638, rov. 3.6.2 en HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:365, NJ 2018/423, rov. 3.3.2.

6 . Overweging 43 van richtlijn (EU) 2016/680; Tweede Kamer, 2017–2018, 34 889, nr. 3, blz. 78-79; vgl. voor artikel 12 van richtlijn 95/46/EG, waarvan artikel 35 Wbp (oud) de implementatie vormde, HvJ EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:994, Nowak, rov. 57.

7 . HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, NJ 2007/638, rov. 3.6.2.

8 . HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264, r.o. 3.5.

9 . Tweede Kamer, 2005-2006, 30 327, nr. 3, blz. 37.

10 . Pleitnota eerste aanleg mr. Bolt, alinea’s 10-11.

11 . Pleitnota eerste aanleg mr. Bolt, alinea 14

12 . ECLI:NL:HR:2013:BY6111, NJ 2013/107.

13 . Pleitnota eerste aanleg mr. Bolt, alinea’s 15-26.

14 . Pleitnota eerste aanleg mr. Bijl, alinea 4.