Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2262

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
200.262.206/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:6220
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Schorsing werking bestreden beschikking t.a.v. verhuizing en inschrijving minderjarige op een andere school. Belangenafweging leidt ertoe dat de behandeling van de bodemzaak moet worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.262.206/02

rekestnummer rechtbank : FA RK 19-1646

zaaknummer rechtbank : C/09/569399

beschikking van de meervoudige kamer van 14 augustus 2019

in het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad

van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.M. van Wijk te Delft,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Hoorn (NH).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:

  • -

    bepaald dat de twee minderjarige kinderen [de minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [geboorteplaats] , vanaf 1 augustus 2019 (hierna te noemen: de minderjarigen) hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder in [woonplaats moeder] zullen hebben;

  • -

    de moeder toestemming verleend – welke toestemming die van de vader vervangt – om de minderjarigen in te schrijven op de basisschool ‘ [de basisschool] ’ in [woonplaats moeder] ;

  • -

    een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de minderjarigen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot schorsing met producties ingekomen op 5 juli 2019;

- het verweerschrift tegen het schorsingsverzoek, ingekomen op 25 juli 2019.

2.2

De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing heeft op 7 augustus 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. L.E.M. de Vries-Blom, als waarnemend advocaat van de advocaat van de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat: mr. D.E.M. Boukens.

De raad is overeenkomstig zijn bericht niet ter zitting verschenen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitaantekeningen (aangeduid als zitting-aantekeningen) overgelegd.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Aan de orde is het verzoek van de vader op grond van artikel 360 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schorsing te bevelen van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.2

De vader voert in zijn verzoekschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan. Het is voor de minderjarigen beter om de uitkomst van de procedure in hoger beroep af te wachten terwijl zij nog bij de vader wonen, om een eventueel terugverhuizen te voorkomen. Een terugverhuizing na een beslissing in de bodemzaak is voor de minderjarigen meer belastend dan het laten voortduren van de oude situatie, totdat er in hoger beroep een uitspraak is. De vader vreest dat er met de verhuizing naar [woonplaats moeder] een onomkeerbare situatie zal ontstaan, omdat na verloop van tijd zal worden gesteld dat de minderjarigen inmiddels gewend zijn. Indien het hof in appel tot het oordeel zou komen dat de bestreden beschikking op het punt van de verhuizing toch in stand blijft, dan kunnen de minderjarigen in alle rust na de Kerstvakantie verhuizen en op hun nieuwe school beginnen. Niet verhuizen of, bij bekrachtiging van de bestreden beschikking door het hof, eenmaal verhuizen verdient de voorkeur boven tweemaal verhuizen.

3.3

De moeder voert – kort samengevat – en zoals aangevuld ter zitting, het volgende aan. De vader had zijn incidentele verzoek direct na afgifte van de beschikking moeten indienen. Inmiddels zijn de minderjarigen al voorbereid op het feit dat zij vanaf 1 augustus 2019 bij de moeder zullen gaan wonen. [de minderjarige 1] is al ingeschreven op de basisschool in [woonplaats moeder] . Het is niet in het belang van de minderjarigen dat zij nu zouden moeten omschakelen naar een situatie waarbij zij alsnog tijdelijk bij de vader zullen verblijven en dan na een uitspraak van het hof toch naar de moeder zullen verhuizen. De rechter in eerste aanleg heeft alle belangen afgewogen, in het licht van de omstandigheden van het geval.

3.4

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3.5

Het hof stelt het volgende voorop.

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

(iii) Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.6

Nu de rechter in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking, dient het hof te oordelen met inachtneming van het in de vorige rechtsoverweging onder (i) tot en met (iii) vermelde. Dit betekent dat het hof de belangen van partijen tegen elkaar zal afwegen, waarbij het hof de bestreden beschikking en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen tot uitgangspunt zal nemen.

3.7

Het hof is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat het belang van de vader bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Hoewel de rechtbank per 1 augustus 2019 de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft bepaald, is hier feitelijk nog geen gevolg aan gegeven. Op dit moment geldt de tussen de ouders een afgesproken vakantieregeling, waarbij de minderjarigen de eerste drie weken van de vakantie bij de ene ouder verblijven en de laatste drie weken bij de andere ouder. Een definitieve verhuizing van de minderjarigen naar de moeder in [woonplaats moeder] heeft nog niet plaatsgevonden. Indien de minderjarigen na de zomervakantie verhuizen naar [woonplaats moeder] , en door het hof in de hoofdzaak de bestreden beschikking zou worden vernietigd, moeten de minderjarigen weer terugverhuizen naar [woonplaats vader] . [de minderjarige 2] heeft op dit moment nog niet de schoolgaande leeftijd bereikt, maar in het geval van [de minderjarige 1] zal dat in dat geval een extra wisseling van basisschool met zich meebrengen. Mocht het hof evenals de rechtbank beslissen dat de hoofdverblijfplaats zal worden gewijzigd en dat zij zullen gaan wonen bij de moeder, dan kunnen beide minderjarigen ( [de minderjarige 2] is dan inmiddels vier jaar oud) na de Kerstvakantie starten op de basisschool in [woonplaats moeder] . Het is in het belang van de minderjarigen dat het aantal verhuizingen en wisselingen van school zoveel mogelijk wordt beperkt. Het feit dat de moeder, anders dan de vader, de minderjarigen al over de verhuizing heeft ingelicht, doet daar niet aan af. Mogelijk grensoverschrijdend gedrag van een (of meerdere) klasgenootjes van [de minderjarige 1] op haar school in [woonplaats vader] , voor zover daarvan al sprake is, leidt evenmin tot een ander oordeel.

3.8

De behandeling van de hoofdzaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen tijdstip waarvoor partijen nog afzonderlijk een oproep zullen ontvangen.

3.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van de vader toe;

schorst de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking;

bepaalt dat de behandeling voor wat betreft de hoofdzaak op een nader te bepalen datum en tijdstip zal worden voorgezet; partijen zullen daarvoor nog een oproep ontvangen;

wijst het meer of anders verzochte in de schorsingsprocedure af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, J.M. van de Poll en F.A.M. Schoenmaker, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier, en is op 14 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.