Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2228

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
200.250.699/01 en 200.250.700/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Hoofdverblijfplaats. Enkel fiscale voordelen onvoldoende voor wijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-08-2019
FutD 2019-2283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.250.699/01 en 200.250.700/01

rekestnummers rechtbank : FA RK 17-4645 en FA RK 17-7086

zaaknummers rechtbank : C10/528420 en C/10/533913

beschikking van de meervoudige kamer van 31 juli 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F.C. Frederiks te Zwijndrecht.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 4 december 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 18 januari 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 28 februari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 28 december 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 17 juni 2019 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

van de zijde van de man:

- op 18 juni 2019 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] [in] 2014.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige 1] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ), geboren [in] 2014 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] (hierna te noemen: [de minderjarige 2] ), geboren [in] 2014 te [geboorteplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

3.4

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:

 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

 bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;

 bepaald dat er een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) zal gelden waarbij de minderjarigen op de volgende dagen bij een van de ouders zullen zijn:

Oneven weken:

maandag tot schooltijd bij de man en na schooltijd bij de vrouw

dinsdag bij de vrouw

woensdag tot schooltijd bij de vrouw en na schooltijd bij de man

donderdag bij de man

vrijdag tot 19.00 uur bij de man en vanaf 19.00 uur bij de vrouw

zaterdag bij de vrouw

zondag bij de vrouw

Even weken:

maandag bij de vrouw

dinsdag bij de vrouw

woensdag tot schooltijd bij de vrouw en na schooltijd bij de man

donderdag bij de man

vrijdag bij de man

zaterdag bij de man

zondag bij de man

Partijen verdelen de schoolvakanties, feestdagen en verjaardagen in onderling overleg

bij helfte;

 bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van de beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie), telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 179,- per maand per kind;

 de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.35 tot en met 3.67 van de bestreden beschikking gelast.

4.2

De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de kinderalimentatie, de verdeling van de overige inboedelgoederen en de schuld aan [de kinderopvang] en in plaats daarvan:

  1. te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 4 september 2018 als kinderalimentatie, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zal betalen een bedrag van € 98,53 per kind per maand, althans met een bedrag en een ingangsdatum zoals het hof juist acht, waarbij de man zelf zorgdraagt voor de (kosten van de) opvang als de minderjarigen bij hem zijn conform de zorgregeling;

  2. te bepalen een zorgverdeling voor de zomervakantie die luidt:

 in de oneven jaren zijn de minderjarigen gedurende week 1 tot en met 3 bij de man en in de even jaren gedurende week 4 tot en met 6;

 in de oneven jaren zijn de minderjarigen gedurende week 4 tot en met 6 bij de vrouw en in de even jaren gedurende week 1 tot en met 3;

althans een regeling te bepalen zoals het hof juist acht;

3. de verdeling van de overige inboedelgoederen als volgt te gelasten:

 aan de man wordt toegedeeld de overige inboedelgoederen die hij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening;

 aan de vrouw wordt toegedeeld de overige inboedelgoederen die zij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening;

4. ten aanzien van de schuld aan [de kinderopvang] op de peildatum van € 3.918,03, althans een nader te bepalen bedrag, te gelasten dat deze voor rekening komt van beide partijen, ieder voor de helft, en dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te voldoen.

4.3

De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep:

 de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het het hoofdverblijf en (uitsluitend) de zorgregeling voor de minderjarigen in de zomervakanties betreft en (naar het hof begrijpt) te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben en ten aanzien van de zorgregeling in de zomervakanties te bepalen dat de minderjarigen bij de man zullen verblijven gedurende de drie weken dat het bedrijf van de man gesloten is en gedurende de overige tijd bij de vrouw;

 te bepalen dat partijen terzake van de banksaldi en schulden zoals onder punt 5 van het verweerschrift van de man vermeld, zullen afrekenen, zoals door de man voorgesteld en derhalve te bepalen dat de vrouw de man per saldo een bedrag af € 254,92 moet voldoen plus de helft van het saldo per 6 juni 2017 van haar spaarrekening bij de ING Bank eindigend op - [***] ;

 de vrouw te gelasten de teruggaaf in verband met de hypotheekrenteaftrek voor de voormalige echtelijke woning op haar naam per omgaande stop te zetten;

 te bepalen dat de vrouw in verband met de door haar ontvangen bedragen in verband met de voorlopige teruggaaf van de hypotheekrente voor de voormalig echtelijke woning aan de man een bedrag ad € 1.560,- moet voldoen plus de eventueel vanaf februari 2019 nog door haar (te) ontvangen bedragen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

4.4

De vrouw verweert zich tegen het incidenteel hoger beroep van de man en verzoekt het hof om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken af te wijzen, en de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikking te wijzen met inachtneming van de verzoeken van de vrouw in (principaal) hoger beroep.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Hoofdverblijfplaats

5.1

De man wenst dat beide minderjarigen op zijn adres worden ingeschreven dan wel, indien dit niet wordt toegekend, dat bij iedere ouder één kind word ingeschreven. De man stelt dat wanneer partijen als ouders de verantwoordelijkheid voor de minderjarigen volledig bij helfte delen, er ook alle reden is om de inschrijving van de minderjarigen met daarbij de financiële gevolgen te delen.

5.2

De vrouw voert hiertegen het volgende aan. Als beide minderjarigen bij de man hun hoofdverblijfplaats hebben dan dient de man alle zorg-overstijgende kosten van de minderjarigen te voldoen. De vrouw acht dit niet in het belang van de minderjarigen althans [de minderjarige 2] , omdat de vrouw heeft ervaren dat de man de neiging heeft om meer geld uit te geven aan zoon [de minderjarige 1] dan aan dochter [de minderjarige 2] . De vrouw wijst daarnaast op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBAMS:2019:1662) waaruit volgt dat financieel belang onvoldoende reden is om aan te nemen dat het in het belang van de minderjarigen is dat de hoofdverblijfplaats (van één van hen) wordt gewijzigd. Gezien de inkomsten van de vrouw is het fiscaal gezien ook het meest in het belang van de minderjarigen als zij bij haar ingeschreven staan, nu de vrouw het hoogste bedrag aan kindgebonden budget ontvangt. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zal verder ook de communicatie en dus verstandhouding tussen partijen (verder) onder druk zetten, aangezien de vrouw geen wijziging van de hoofdverblijfplaats wenst. De vrouw acht dit niet in het belang van de minderjarigen.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder de bepaling van de hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind, op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.4

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt hen tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Het hof acht het, mede gezien de leeftijd van de minderjarigen en het feit dat zij al geruime tijd hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, van belang dat er samenhang en consistentie blijft bestaan in de bepaling van de hoofdverblijfplaats. Dit zou doorkruist worden indien het verzoek van de vader zou worden toegewezen. Het enkele feit dat de vader hierdoor (wellicht) minder fiscale voordelen geniet, is op zich onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen betreft, bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van (één van) de minderjarigen afwijzen.

Zorgregeling in de zomervakantie

5.5

De vrouw wenst graag een duidelijke verdeling van de zorg over de minderjarigen in de zomervakanties. De vrouw betwist verder dat de man wat betreft zijn vakantie gebonden is aan de sluiting van het bedrijf waarbij hij werkt. Voor de vrouw is de door de man voorgestelde verdeling bovendien niet acceptabel. De drie weken dat het bedrijf waar de man werkt dicht is, zouden in theorie midden in de vakantie kunnen vallen zodat voor de vrouw geldt dat de minderjarigen dan maximaal twee weken aaneengesloten bij haar zijn. Ook de vrouw wenst de mogelijkheid te hebben om de minderjarigen drie weken aaneengesloten bij zich te hebben. In verband met haar werk en het werk van haar partner kunnen deze drie weken niet ieder jaar in dezelfde periode vallen. De vrouw stelt voor om de zomervakanties te verdelen waarbij iedere ouder maximaal/minimaal twee weken aaneengesloten de minderjarigen heeft en daarnaast één (losse) week, waarbij de ene ouder in de even jaren bepaalt wanneer de minderjarigen bij hem/haar zijn en in het oneven jaar de andere ouder met inachtneming van maximale/minimale duur van twee aaneengesloten weken en een losse week.

5.6

De man voert het volgende aan. Het voorstel van de vrouw is voor de man niet haalbaar, omdat de onderneming waar hij werkzaam is, iedere zomerperiode de eerste drie weken dan wel de laatste drie weken wordt gesloten in verband met de zomervakantie. De man is voor de zomervakantie dus aangewezen op die betreffende periode, hetgeen niet is in te passen in het door de vrouw voorgestelde jaarlijks wisselende schema.

5.7

Het hof stelt ten aanzien van de zorgregeling in de zomervakantie eveneens voorop dat de rechter op grond van artikel 1:253a BW een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.8

Het hof overweegt verder als volgt. De stelling van de man dat het bedrijf van zijn werkgever in de zomervakantie drie weken gesloten is, is door de vrouw niet betwist. Hoewel de vrouw te kennen heeft gegeven dat het in verband met haar werk niet mogelijk is om ieder jaar in dezelfde periode haar zomervakantie te plannen, is het hof niet gebleken dat zij voor de zomervakantie gebonden is aan een door haar werkgever vastgestelde periode. Het hof gaat er dan ook van uit dat de vrouw flexibeler is in het opnemen van haar vakantiedagen. Het hof zal ten aanzien van de zorgregeling in de zomervakantie dan ook bepalen dat de minderjarigen in de drie weken dat het bedrijf van de werkgever van de man gesloten is, bij de man zullen zijn en de overige drie weken bij de vrouw. Het hof gaat er daarbij van uit dat partijen indien dat nodig is, in onderling overleg zullen afwijken van deze regeling. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de zorgregeling in de zomervakantie betreft.

Kinderalimentatie

5.9

De vrouw stelt het volgende. De vrouw verzoekt de behoefte van de minderjarigen exclusief opvangkosten vast te stellen op € 390,- per maand in 2017, geïndexeerd naar 2018 € 396,- per maand. Partijen hebben de zorg voor de minderjarigen gelijk verdeeld. De vrouw hoeft voor de dagen dat de minderjarigen bij haar zijn, in tegenstelling tot de man op de dagen dat de minderjarigen bij hem zijn, geen kosten voor opvang te maken. De man vergoedde tot het najaar 2018 aan haar de helft van de netto opvangkosten. Vanaf medio het najaar 2018 is de man hiermee gestopt en stelt hij zich op het standpunt dat de vrouw de volledige kosten moet dragen. Recent heeft de man ook kinderopvangtoeslag aangevraagd en gekregen. Het gevolg hiervan is dat de vrouw de door haar ontvangen kinderopvangtoeslag ad € 8.738,- aan de Belastingdienst moet terugbetalen, terwijl zij dit heeft uitgegeven aan de kinderopvang. De man behoudt de kinderopvangtoeslag die hij heeft ontvangen en betaalt deze niet door aan de vrouw. Hierdoor komt de vrouw in grote financiële problemen. De vrouw stelt zich tevens op het standpunt dat de man structureel overwerkt en zijn inkomen hoger moet zijn dan uit de overgelegde loonstroken blijkt. Nu de vrouw eveneens is gestopt met haar eigen onderneming en zij daardoor aanzienlijk minder geld verdient dan door de rechtbank begroot, voldoet de door de rechtbank vastgestelde alimentatie niet aan de wettelijke maatstaven. De draagkracht van de vrouw dient met ingang van 4 augustus 2018 op een bedrag van € 50,- bepaald te worden.

5.10

De man voert het volgende aan. Voor zover de minderjarigen in de toekomst bij de vrouw hun hoofdverblijf zullen blijven houden en de vrouw geen kinderopvang meer heeft voor de dagen waarop de minderjarigen bij haar zijn, is de man akkoord met een verlaging van zijn bijdrage aan de vrouw voor de kinderen tot een bedrag van € 97,50 per maand per kind met ingang van 4 september 2018, waarbij de man de door hem gemaakte kosten voor kinderopvang voor zijn rekening neemt. Ten aanzien van de inkomsten van de vrouw merkt de man op dat de vrouw geen gegevens heeft overgelegd van haar inkomsten in de afgelopen jaren en evenmin van haar toekomstige inkomsten als zij per 1 augustus 2019 start in een nieuwe baan. De man betwist verder dat zijn eigen inkomen is gewijzigd. Voor wat betreft de kinderopvangtoeslag meent de man dat hij voor de periode van mei tot september 2018 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, nu partijen toen nog gehuwd waren. Dat de vrouw thans een bedrag aan kinderopvangtoeslag over 2018 dient terug te betalen is omdat het voorschotbedrag kinderopvangtoeslag hoger was dan het bedrag dat definitief is toegekend. De man wijst er op dat de kosten van de buitenschoolse opvang en opvang tijden de vakanties voor hem zullen neerkomen op € 1.207,66 per maand en de kinderopvangtoeslag € 888,13 zal bedragen, zodat er voor hem nog een bedrag van € 319,53 per maand aan kosten zal overblijven.

Periode 4 september 2018 tot 1 augustus 2019

5.11

Voor wat betreft de kinderalimentatie over de periode van 4 september 2018 tot 1 augustus 2019 ziet het hof geen aanleiding om deze opnieuw vaststellen. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Ter zitting is het hof gebleken dat de man de kinderalimentatie zoals is vastgesteld door de rechtbank tot op heden heeft voldaan. De rechtbank heeft de kinderopvangkosten verdisconteerd in de behoefte van de minderjarigen, zodat het hof ten aanzien van deze opvangkosten geen aanleiding ziet om de kinderalimentatie opnieuw vast te stellen. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie is voorts door de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening gehouden met een draagkracht van € 99,-. De vrouw heeft in hoger beroep geen nieuwe financiële gegevens overgelegd ten aanzien van haar inkomen voor de periode tot 1 augustus 2019, zodat het hof geen reden ziet om de draagkracht van de vrouw op een lager bedrag vast te stellen. De stelling van de vrouw dat de man vanaf 1 januari 2019 een structureel hoger inkomen zou verdienen dan het inkomen waarmee in eerste aanleg rekening is gehouden, is door de man betwist. De vrouw heeft haar stelling onvoldoende onderbouwd nu zij haar stelling enkel baseert op de loonstrook van mei 2019, zodat het hof ook voor wat betreft het inkomen van de man geen aanleiding ziet om de kinderalimentatie tot 1 augustus 2019 opnieuw te berekenen. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarin de kinderalimentatie over de periode 4 september 2018 tot 1 augustus 2019 op € 179,- per kind, per maand is bepaald.

Periode vanaf 1 augustus 2019

5.12

Partijen hebben ter zitting verklaard dat thans enkel de man nog opvang voor de minderjarigen afneemt en het kinderopvangcontract met ingang van 1 augustus 2019 daarom enkel op zijn naam zal komen te staan. Vanaf die datum zal de man de opvangkosten dan ook direct aan de betreffende kinderopvanginstelling gaan voldoen. Nu de rechtbank de opvangkosten heeft verdisconteerd in de behoefte van de minderjarigen en bij de draagkracht van de man geen rekening heeft gehouden met door hem te betalen opvangkosten, ziet het hof aanleiding om de kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 2019 opnieuw te berekenen. Naar het oordeel van het hof dienen de kosten van de kinderopvang te worden betrokken in de draagkrachtberekening van de man, aangezien hij deze kosten daadwerkelijk moet maken teneinde het inkomen te kunnen verwerven waar hij thans over beschikt.

Behoefte van de minderjarigen

5.13

Nu vanaf 1 augustus 2019 enkel de man nog opvang zal afnemen en hiervoor kosten voldoet, zal het hof per die datum bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen geen rekening houden met extra opvangkosten. Conform hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de behoefte van de minderjarigen minus de opvangkosten, waartegen partijen niet hebben gegriefd, zal het hof daarom uitgaan van een behoefte van de minderjarigen van (geïndexeerd naar 2019) € 404,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.14

De vrouw heeft ter zitting gesteld dat haar werkzaamheden zijn gewijzigd nu de winkel waar zij werkte per 1 mei 2019 is gesloten, zij inmiddels uitzendwerk doet en het voor haar moeilijk is om werk te vinden. Nu dit door de man niet is weersproken, zal het hof uitgaan van de door de vrouw gestelde draagkracht van € 50,- bij de berekening van de kinderalimentatie vanaf 1 augustus 2019.

Draagkracht van de man

5.15

Ten aanzien van de draagkracht van de man neemt het hof de door hem overgelegde jaaropgave 2018 in aanmerking. Hieruit blijkt man in 2018 een jaarloon van € 40.729,- had. Het hof houdt vervolgens rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, hetgeen leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.731,- per maand. Ten aanzien van de kinderopvangkosten die de man met ingang van 1 augustus 2019 zal voldoen, overweegt het hof dat de stelling van de man dat hij meer dan het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 192,- aan kinderopvangkosten voldoet, door hem niet is onderbouwd. Het hof zal in de berekening van de draagkracht van de man daarom een bedrag aan kinderopvangkosten van € 192,- betrekken. Voorts rekening houdende met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de in 2019 geldende draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 950)] berekent het hof de beschikbare draagkracht van de man op € 539,- per maand. De berekening van de draagkracht van de man wordt aan deze beschikking gehecht.

Draagkrachtvergelijking

5.16

Het hof overweegt het volgende. Partijen hebben, zoals uit het voorgaande volgt een totale draagkracht van € 589,- per maand. Nu de totale draagkracht van partijen de behoefte van de minderjarige overschrijdt, dient een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt. De behoefte van de minderjarige wordt als volgt verdeeld:

Eigen aandeel van de vrouw: € 50,- / € 589,- x € 404,- = € 34,-.

Eigen aandeel van de man: € 539,- / € 589,- x € 404,- = € 370,-.

Zorgkorting

5.17

Tussen partijen is niet in geschil dat rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 404,- per maand bedraagt, betreft de zorgkorting een bedrag van € 141,-. Nu partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de minderjarige te voorzien, zal het hof dit bedrag volledig in mindering brengen op het eigen aandeel van de man.

Conclusie

5.18

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof bepalen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie van in totaal (€ 370,- - € 141,-) € 229,- per maand, derhalve een bedrag van € 115,- per kind, per maand, dient te voldoen.

De verdeling van de gemeenschap

Verdeling inboedelgoederen

5.19

De vrouw stelt het volgende. Ten onrechte heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen dat de ‘overige’ inboedelgoederen worden toebedeeld aan de vrouw. De vrouw heeft aanzienlijk veel inboedelgoederen achtergelaten bij haar vertrek uit de voormalige echtelijke woning. Hetgeen zij heeft verkocht aan inboedel althans heeft meegenomen uit de woning bij haar vertrek betreft circa de helft (van de waarde) van de totale gemeenschappelijke inboedel. De vrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat de inboedel is verdeeld, bij helfte. De vrouw is van mening dat zij ter zake de verdeling van de inboedel dan ook niets aan de man verschuldigd is. Bovendien heeft de rechtbank aan de inboedel een te hoge waarde toegekend, te weten € 5.000,-. De man heeft de waarde van de inboedel niet aangetoond, iedere specificatie met data van aanschaf en aanschafprijzen ontbreekt evenals een onderbouwing van de waarde van de inboedel. De toegekende waarde dient nihil te zijn, nu het gaat om goedkope inboedel waarvan de dagwaarde nagenoeg nihil was. De inboedel is tweedehands gekocht. De vrouw heeft voor het deel van de inboedel dat zij heeft verkocht een bedrag van € 150,- ontvangen. Voor zover het hof de waarde niet op nihil bepaalt, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de (dag)waarde van de totale inboedel van partijen op maximaal € 2.500,- moet worden gesteld.

5.20

De man voert het volgende aan. Het is niet juist dat de vrouw de helft van de inboedel voor de man in de woning heeft achtergelaten. Bovendien heeft de vrouw eigenmachtig opgetreden door zonder overleg met de man spullen uit de woning mee te nemen en spullen te verkopen. De man heeft nagenoeg niets uit de inboedel ontvangen. De man wijst er tevens op dat de bewijslast ten aanzien van de inboedelgoederen bij de vrouw ligt. Voor wat betreft de waarde van de inboedel heeft de man ter zitting verklaard dat het gaat om inboedelgoederen die tweedehands zijn aangekocht.

5.21

Het hof overweegt ten aanzien van de inboedelgoederen, met uitzondering van het snowboard, de schoenen en de drie horloges die in eerste aanleg aan de man zijn toebedeeld, als volgt. Een lijst van de inboedelzaken die zich in de echtelijke woning bevonden ten tijde van het uiteengaan van partijen, ontbreekt. Het is het hof verder ook niet voldoende inzichtelijk geworden wat er met de inboedel is gebeurd nadat de man de echtelijke woning had verlaten. Het is hof wel duidelijk geworden dat partijen de (meeste) inboedelgoederen destijds tweedehands hebben gekocht en zelf hebben opgeknapt. Op basis van het door partijen ter zitting geschetste beeld van de inboedelgoederen zoals die zich in de echtelijke woning bevonden ten tijde van het vertrek van de man uit de woning, is het hof van oordeel dat de waarde van de inboedel (nagenoeg) nihil is. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling van de inboedelgoederen, met uitzondering van voornoemde goederen die reeds aan de man zijn toebedeeld, dan ook vernietigen en het verzoek van de man om een vergoeding van de vrouw voor de inboedelgoederen alsnog afwijzen.

Huwelijkse schuld bij [de kinderopvang]

5.22

De vrouw stelt het volgende. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de schuld bij [de kinderopvang] volledig voor rekening van de vrouw dient te komen. De vrouw betwist dat tijdens het viergesprek van partijen op 29 mei 2017 is afgesproken dat de vrouw de kosten van de kinderopvang zou voldoen. De schuld ziet op de maanden maart, april en mei 2017. De datum van ontbinding van de gemeenschap is 7 juni 2017. De schuld aan [de kinderopvang] betreft dan ook een huwelijkse schuld en de vrouw meent dat ingevolge artikel 1:100 BW ieder van partijen de helft van de schuld moet dragen.

5.23

De man voert het volgende aan. De schuld aan [de kinderopvang] betreft kosten kinderopvang, waarvoor de vrouw de kinderopvangtoeslag ontving. Daarmee heeft zij de kosten nagenoeg geheel kunnen betalen. Zij diende de kosten ook volgens de tussen partijen gemaakte afspraak te betalen. De man wijst daarbij op het verslag van het viergesprek op 29 mei 2017. Dat de vrouw heeft nagelaten de opvangkosten te voldoen, is haar te verwijten en de schuld die daardoor aan [de kinderopvang] is ontstaan, moet dan ook geheel voor haar rekening blijven. De man wijst er verder op dat de schuld betrekking heeft op de kosten kinderopvang over de maanden mei, juni en juli 2017. Voor zover het hof het standpunt van de man niet volgt, stelt de man subsidiair dat dan uitsluitend het verschil tussen de kosten en de kinderopvangtoeslag over deze maanden voor verrekening tussen partijen in aanmerking komt. De man zou de vrouw dan nog een bedrag van € 325,50 moeten voldoen.

5.24

Het hof overweegt als volgt. Gelet op de aard van de schuld bij [de kinderopvang] , namelijk de kosten van de opvang van de kinderen van partijen, is het hof van oordeel dat ieder van partijen de helft van deze schuld op zich dient te nemen. Het hof gaat daarbij voorbij aan de vraag of deze schuld ziet op de periode kinderopvang voor of na de peildatum, te weten 7 juni 2017. Nu partijen gezamenlijk de verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van de minderjarigen dragen en derhalve beiden gebaat zijn bij de opvang van de minderjarigen, dient de schuld voor rekening van beide partijen te komen. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt derhalve vernietigen en beslissen overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof merkt daarbij op dat dit impliceert dat ook de over de betreffende maanden ontvangen kinderopvangtoeslag ieder van partijen bij helfte toekomt, zodat zij per saldo elk de helft van de netto-opvangkosten dragen.

Afrekening terzake de banksaldi en schulden

5.25

De man wijst erop dat in eerste aanleg een aantal cijfers nog niet bekend was, maar inmiddels wel. Volgens de man moet hij nog een bedrag van € 2.000,- aan de ouders van de vrouw betalen. De man moet verder in totaal € 1.143,39 aan de vrouw betalen. De vrouw dient in ieder geval aan de man een bedrag van in totaal € 3.398,31 te betalen. De man stelt voor dat de vrouw de schuld van partijen aan haar ouders geheel draagt en de man hiervoor vrijwaart, zonder regres. De vrouw moet verder nog stukken ter zake het saldo per 7 juni 2017 van haar spaarrekening eindigend op - [***] overleggen. De vrouw is de man per saldo € 3.398,31 verschuldigd. Na verrekening over en weer moet de vrouw de man per saldo nog een bedrag ad € 254,92 voldoen plus de helft van het saldo per 6 juni 2017 van haar spaarrekening bij de ING Bank eindigend op - [***] .

5.26

De vrouw voert hiertegen het volgende aan. Bij de berekening van dit bedrag van € 254,92 houdt de man ten onrechte rekening met een bedrag van € 2.500,- door de vrouw aan de man te betalen ter zake de verdeling inboedel. De vrouw is van mening dat zij ter zake de inboedel niets aan de man verschuldigd is. Voor wat betreft de spaarrekening bij de ING Bank eindigend op - [***] verwijst de vrouw naar het door haar in eerste aanleg overgelegde bankafschrift, betreffende productie 6, waaruit volgt dat het saldo op deze rekening € 0,37 bedroeg. Indien het hof de bestreden beschikking vernietigt en de vrouw volgt in haar betoog dient de man een nader te bepalen bedrag aan de vrouw te betalen na verrekening van de diverse posten.

5.27

Het hof overweegt als volgt. De man heeft gesteld dat hij de vrouw in totaal nog een bedrag van € 3.398,31 dient te betalen, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken. Ten aanzien van het bedrag dat de vrouw nog aan de man verschuldigd is, neemt het hof het volgende in aanmerking. Voor zover het de inboedelgoederen betreft, is de vrouw de man, gelet op hetgeen onder 5.21 is overwogen, geen vergoeding verschuldigd. Ten aanzien van de spaarrekening eindigend op - [***] is het hof uit de stukken gebleken dat het saldo op deze rekening € 0,37 bedraagt, welk bedrag door de man ook niet is betwist, zodat het hof hiermee rekening zal houden. De overige door de man aangevoerde bedragen welke de vrouw nog aan de man zou moeten voldoen, betreffende een totaalbedrag van € 898,31, zijn door de vrouw niet betwist, zodat het hof deze bedragen eveneens in aanmerking neemt bij de afwikkeling. Dit leidt ertoe dat de vrouw aan de man in totaal een bedrag van (€ 0,18 + € 868,31 =) € 898,68 verschuldigd is. Na verrekening hiervan met het door de man te betalen bedrag van € 3.398,31, concludeert het hof dat de man nog een bedrag van € 2.499,62 aan de vrouw dient te voldoen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Aftrek hypotheekrente

5.28

Ter zitting heeft de man het incidenteel hoger beroep ten aanzien van de teruggave hypotheekrente ingetrokken. Het hof hoeft te dien aanzien derhalve niets meer te beslissen.

Bewijsaanbod

5.29

De vrouw biedt bewijs aan van al haar stellingen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen (waaronder zichzelf).

5.30

Het hof passeert het aanbod van de vrouw bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de stellingen waarop het aanbod betrekking heeft.

5.31

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft:

- de zorgregeling in de zomervakantie;

- de kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 2019;

- de verdeling van de inboedelgoederen, met uitzondering van het snowboard, de schoenen en de drie horloges die in eerste aanleg aan de man zijn toebedeeld;

- de huwelijkse schuld bij [de kinderopvang] ;

en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de minderjarigen in de zomervakanties in de drie weken dat het bedrijf van de werkgever van de man gesloten is, bij de man zullen zijn en de overige drie weken bij de vrouw;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 2019 op € 115,- per kind, per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan [de kinderopvang] , partijen genoegzaam bekend;

veroordeelt de man uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de vrouw een bedrag van € 2.499,62,- te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het inleidende verzoek van de man om een vergoeding van de vrouw voor de inboedelgoederen af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, A. Zonneveld en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. N.M. Gerts als griffier, en is op 31 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.