Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:220

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
200.217.382/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de Staat jegens een advocaat voor tuchtrechtelijke uitspraken van de Raad van Discipline die door het Hof van Discipline (gedeeltelijk) zijn vernietigd. Volgens welke maatstaf moet aansprakelijkheid worden beoordeeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0281
RAV 2019/47
JA 2019/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.217.382/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/510494/ HA ZA 16-542

arrest van 19 februari 2019

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. [de advocaat] te Den Haag,

tegen

De Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. M. Dijkstra te Den Haag.

1 Het geding

Bij exploot van 31 mei 2017 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2017. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [appellante] is in 1987 beëdigd als advocaat in het arrondissement Rotterdam. Na werkzaam te zijn geweest bij verschillende advocatenkantoren, is [appellante] in 1997 haar eigen advocatenkantoor gestart. Eind 2014 heeft zij haar advocatenkantoor verplaatst van het arrondissement Rotterdam naar het arrondissement Den Haag.

Op 1 augustus 2008 heeft de deken van de Raad van Toezicht van het arrondissement Rotterdam, hierna: de Deken, een ambtshalve klacht ingediend tegen [appellante] . De Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage, hierna: de Raad van Discipline, heeft op 6 oktober 2008 een tussenuitspraak gedaan, waarin hij – het geheel overziende en gelet op het tuchtrechtelijk verleden van [appellante] – heeft geoordeeld dat er op zichzelf bezien grond was om, zoals de Deken had bepleit, [appellante] van het tableau te schrappen. De Raad van Discipline heeft echter in aanmerking genomen dat [appellante] had benadrukt dat zij haar gedrag structureel had aangepakt en dat dit al tot veranderingen ten goede had geleid. De Raad van Discipline heeft de behandeling van de klacht voor de duur van ten hoogste anderhalf jaar aangehouden om te bezien of deze veranderingen structureel effect zouden hebben.

De daaropvolgende zitting van 12 april 2010 van de Raad van Discipline is op verzoek van de Deken aangehouden omdat de Deken twee nieuwe klachten tegen [appellante] had ontvangen die hij nog niet had kunnen onderzoeken. Ook de zitting van 4 oktober 2010 is op verzoek van de Deken aangehouden, ditmaal omdat hij voornemens was om op 15 oktober 2010 naar aanleiding van de nieuwe tegen [appellante] ingediende klachten een tweede ambtshalve klacht aan de Raad van Discipline voor te leggen en hij deze bij de behandeling van de eerste ambtshalve klacht wilde betrekken. Deze nieuwe ambtshalve klacht had betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen de heer [A] (hierna: [A] ) waarbij [appellante] samen met een Belgische advocaat, mr. [C] , als vereffenaar was opgetreden. De zitting van 1 november 2010 is vervolgens aangehouden omdat de Deken de stukken van de door hem op 15 oktober 2010 ingediende tweede ambtshalve klacht aan het dossier van de eerste ambtshalve klacht wilde toevoegen.

De aangehouden behandeling van de eerste ambtshalve klacht is uiteindelijk voortgezet op 7 februari 2011. Tijdens deze (voortgezette) mondelinge behandeling heeft de Deken verklaard dat [appellante] veel minder aandacht van het Bureau van de Orde van Advocaten nodig had dan voorheen, dat er een positief effect leek te zijn uitgegaan van de tussenbeslissing van de Raad van Discipline en dat de Raad van Toezicht daarom had besloten van een verzoek tot schrapping van het tableau af te zien. Tijdens deze (voortgezette) mondelinge behandeling werden ook de tweede ambtshalve klacht van de Deken en de tegen [appellante] ingediende klachten van mevrouw [A] (van 1 december 2009), mevrouw [B] (van 1 augustus 2008 en 29 maart 2010) en mr. [C] (van eind 2010) behandeld. Deze klachten hadden, net als de tweede ambtshalve klacht van de Deken, alle betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van [A] . Mevrouw [A] heeft haar klacht later ingetrokken.

Op 2 mei 2011 heeft de Raad van Discipline in deze klachtzaken – die van mr. [C] uitgezonderd – uitspraak gedaan. De Raad van Discipline heeft naar aanleiding van de eerste ambtshalve klacht van de Deken, die hij reeds in de tussenbeslissing van 6 oktober 2008 gegrond had verklaard, aan [appellante] de maatregel van voorwaardelijke schorsing van de praktijkuitoefening voor de duur van één jaar opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, en onder het stellen van de bijzondere voorwaarde dat [appellante] haar medewerking zou verlenen aan de totstandkoming van een bindend advies met betrekking tot de juistheid van de door [appellante] in rekening gebrachte kosten van haar werkzaamheden en die van door haar ingeschakelde derden in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van [A] . Identieke maatregelen zijn door de Raad van Discipline opgelegd in de beslissingen van 2 mei 2011 op de tweede ambtshalve klacht van de Deken en de klachten van mevrouw [A] en mevrouw [B] . In het geval van de klacht van mevrouw [A] heeft de Raad van Discipline deze beslissing genomen niettegenstaande het feit dat mevrouw [A] haar klacht had ingetrokken, omdat naar het oordeel van de Raad van Discipline het algemeen belang vorderde dat de behandeling van de klacht werd voortgezet.

[appellante] heeft tegen deze uitspraken van de Raad van Discipline hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline heeft in deze zaken uitspraak gedaan op 6 februari 2012. In alle zaken heeft het Hof van Discipline de beslissingen van de Raad vernietigd. Op de klachten tegen [appellante] heeft het Hof van Discipline als volgt beslist:

 de eerste ambtshalve klacht van de Deken is door het Hof van Discipline alsnog ongegrond verklaard; daartoe overwoog het Hof onder meer dat de Deken had verzuimd voldoende duidelijk te omschrijven welke gedragingen van [appellante] door hem als klachtwaardig werden beschouwd;

 op de klacht van mevrouw [A] hoefde naar het oordeel van het Hof van Discipline niet meer te worden beslist, nu mevrouw [A] deze klacht had ingetrokken en het Hof, anders dan de Raad, van oordeel was dat het algemeen belang geen voortzetting vorderde van de behandeling van deze klacht;

 van de vier bezwaren van de Deken in zijn tweede ambtshalve klacht heeft het Hof van Discipline er drie gegrond verklaard. Deze drie bezwaren kwamen er kort samengevat op neer dat [appellante] (i) als vereffenaar van de nalatenschap van [A] niet onmiddellijk boedelrekeningen had geopend, (ii) in haar hoedanigheid van vereffenaar geïncasseerde bedragen had overgemaakt naar privérekeningen, en (iii) afbreuk had gedaan aan de overzichtelijkheid van het financieel beheer van de afwikkeling van de nalatenschap en de controle daarop door het grote aantal rekeningen dat zij had gebruikt. Het vierde bezwaar van de Deken is door het Hof van Discipline ongegrond verklaard omdat het betrekking had op het handelen van [appellante] na haar ontslag als vereffenaar en het Hof van oordeel was dat een schending van de normen geldend voor een vereffenaar bij de afwikkeling van zijn bediening niet schadelijk is voor het vertrouwen in de advocatuur;

 de klacht van mevrouw [B] bestond eveneens uit vier onderdelen. Van deze vier onderdelen was volgens het Hof van Discipline alleen het laatste onderdeel gegrond. Dat verwijt kwam op hetzelfde neer als twee van de hiervoor genoemde, door het Hof gegrond bevonden bezwaren van de Deken in zijn tweede ambtshalve klacht.

Met betrekking tot de op te leggen sanctie heeft het Hof van Discipline overwogen dat het niet de bedoeling van de Raad van Discipline kan zijn geweest om in de vier beslissingen van 2 mei 2011 vier maal een voorwaardelijke schorsing van één jaar op te leggen, aangezien de beslissingen betrekking hadden op grotendeels dezelfde feiten. Voor de drie bezwaren van de Deken in zijn tweede ambtshalve klacht die door het Hof van Discipline gegrond zijn bevonden, heeft het Hof aan [appellante] een voorwaardelijke schorsing opgelegd van vier maanden, met een proeftijd van een jaar. Het Hof van Discipline heeft de proeftijd tot een jaar verkort omdat [appellante] als gevolg van de gang van zaken bij de behandeling van de eerste ambtshalve klacht van de Deken al geruime tijd had moeten leven met de dreiging van een uit te spreken schorsing. De bijzondere voorwaarde dat [appellante] haar medewerking zou verlenen aan de totstandkoming van een bindend advies heeft het Hof van Discipline niet toelaatbaar geoordeeld. Voor het gegrond bevonden onderdeel van de klacht van mevrouw [B] heeft het Hof van Discipline geen sanctie opgelegd, omdat [appellante] voor in essentie dezelfde feiten reeds de voorwaardelijke schorsing van vier maanden opgelegd had gekregen.

De klacht van mr. [C] is door de Raad van Discipline bij beslissing van 20 januari 2014 gegrond verklaard. De Raad van Discipline heeft [appellante] in verband met deze feiten voorwaardelijk geschorst voor de duur van twee maanden. [appellante] heeft ook tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline heeft in zijn uitspraak van 25 augustus 2014 de door de Raad van Discipline opgelegde maatregel vernietigd en de beslissing voor het overige bekrachtigd. Het Hof van Discipline heeft geen maatregel opgelegd omdat in deze klacht hetzelfde feitencomplex aan de orde was als in de tweede ambtshalve klacht van de Deken en de klacht van mevrouw [B] , en het Hof voor die feiten al in de beslissing van 6 februari 2012 een maatregel had opgelegd.

2.2

In eerste aanleg heeft [appellante] een verklaring voor recht gevorderd dat de Staat diverse keren onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar, in het bijzonder door onrechtmatig recht te spreken, waardoor zij schade heeft geleden. Verder heeft [appellante] gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, te begroten door de rechtbank of op te maken bij staat, en de Staat in de proceskosten te veroordelen. De onrechtmatige rechtspraak bestaat volgens [appellante] uit de behandeling van de tegen haar gerichte klachten door de Raad van Discipline en de beslissingen van de Raad. De Staat heeft verweer gevoerd.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellante] in de kosten veroordeeld. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de vraag of de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor rechtspraak van de Raad van Discipline, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 3 december 1971 (NJ 1972/137, Jan Luyken). Volgens deze maatstaf kan de Staat slechts aansprakelijk worden gesteld voor beslissingen waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat en heeft opengestaan. Voor beslissingen van de Raad van Discipline kan de Staat dus niet aansprakelijk worden gesteld, aldus de rechtbank.

2.3

In hoger beroep vordert [appellante] vernietiging van het vonnis van de rechtbank en toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van de Staat in de proceskosten in beide instanties. De Staat voert verweer.

2.4

Grief I van [appellante] is gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde maatstaf. Volgens [appellante] had de rechtbank moeten onderzoeken of de Raad van Discipline ‘opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, dan wel met kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt (grof plichtsverzuim)’, overeenkomstig de maatstaf gehanteerd door de Hoge Raad in zijn arresten van 4 december 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ7834, Greenworld) en 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2215, QNOW). Grief I is uitgewerkt in de volgende grieven, waarin - zo begrijpt het hof de memorie van grieven - [appellante] aangeeft waarom de rechtbank had moeten oordelen dat de Raad van Discipline zich schuldig heeft gemaakt aan dergelijk grof plichtsverzuim. Volgens Grief II is sprake van grof plichtsverzuim omdat Raad van Discipline in zijn beslissing van 2 mei 2011 naar aanleiding van de eerste ambtshalve klacht van de Deken een sanctie heeft opgelegd voor klachten met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van [A] , terwijl de klacht betrekking had op de praktijkvoering van [appellante] . Grief III zoekt het grove plichtsverzuim in de overtreding van het ne bis in idem beginsel, doordat de Raad van Discipline [appellante] voor hetzelfde feitencomplex vier keer voorwaardelijk een jaar heeft geschorst. Met Grief IV verwijt [appellante] de Raad van Discipline dat zij niet ambtshalve heeft onderzocht of [appellante] een advocaat nodig had. Grief V heeft betrekking op de vele aanhoudingen van de behandeling van de eerste ambtshalve klacht van de Deken, die volgens [appellante] hebben geleid tot onrechtmatige vertraging in de behandeling van haar zaak.

2.5

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Daarbij stelt het hof in navolging van de rechtbank voorop dat de rechtsgang bij de Raad van Discipline aangemerkt kan worden als overheidsrechtspraak, waarvoor de Staat aansprakelijk gesteld kan worden. De grieven stellen de vraag aan de orde volgens welke maatstaf de aansprakelijkheid van de Staat moet worden beoordeeld. Volgens [appellante] is dat de maatstaf gehanteerd door de Hoge Raad in de Greenworld- en QNOW-arresten, en kan zij volgens die arresten ook opkomen tegen beslissingen van de Raad van Discipline. Volgens de Staat kan over deze maatstaf verschillend worden gedacht. De Staat houdt vast aan de maatstaf gehanteerd door de Hoge Raad in het Jan Luyken-arrest. Daarnaast betoogt de Staat dat een partij die stelt getroffen te zijn door onrechtmatige overheidsrechtspraak, in ieder geval de rechtsmiddelen zal moeten aanwenden die tegen de desbetreffende uitspraak open staan voordat hij een vordering tegen de Staat kan instellen bij de burgerlijke rechter.

2.6

Naar het oordeel van het hof kan in deze zaak in het midden worden gelaten of de Staat óók aansprakelijk kan worden gesteld voor een rechterlijke uitspraak indien daartegen hoger beroep open heeft gestaan en eiser dat hoger beroep ook heeft ingesteld. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de Staat niettegenstaande de mogelijkheid van hoger beroep in rechte kan worden aangesproken wegens een uitspraak van een lagere rechter, dan nog behoort die weg slechts open te staan voor een partij die schade heeft geleden die door het hoger beroep niet is - of had kunnen worden - weggenomen. Alleen in dat geval kan immers sprake zijn van een situatie waarin het instellen van hoger beroep geen effectieve remedie is, en zou er aanleiding kunnen zijn voor een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

2.7

[appellante] heeft echter niet gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de beslissingen van de Raad van Discipline waarvoor geen effectieve remedie heeft bestaan in de vorm van het hoger beroep bij het Hof van Discipline. Zij stelt slechts dat de beslissingen van de Raad van Discipline onrechtmatig zijn omdat zij door het Hof van Discipline zijn vernietigd. Daaruit blijkt geenszins dat het hoger beroep tegen die beslissingen in de gegeven omstandigheden geen effectieve remedie was. Ten overvloede overweegt het hof dat uit de summiere stellingen van [appellante] in dit opzicht niet valt af te leiden dat de schade die zij stelt te hebben geleden, bestaande uit de kosten van een notaris, advocaatkosten, omzetverlies en immateriële schade, is ontstaan in de periode na de beslissingen van de Raad van Discipline en voordat het Hof van Discipline uitspraak deed. Verder gaat [appellante] er aan voorbij dat het Hof van Discipline een deel van de klachten tegen [appellante] wel gegrond heeft geacht. [appellante] heeft evenmin aangegeven waarom het hoger beroep geen effectieve remedie was voor het (vermeende) gebrek aan bijstand door een advocaat in de procedure bij de Raad van Discipline, of voor de aanhoudingen van de behandeling van de eerste ambtshalve klacht door de Raad van Discipline. De klachten zijn in hoger beroep opnieuw onderzocht, en daarbij had [appellante] zich alsnog door een advocaat kunnen laten bijstaan. Overigens heeft [appellante] bij dagvaarding in eerste aanleg een proces-verbaal van de zitting van de Raad van Discipline van 7 februari 2011 en een pleitnota van haar advocaat overgelegd, waaruit blijkt dat zij zich op die zitting wél door een advocaat heeft laten bijstaan. Met de aanhoudingen heeft het Hof van Discipline rekening gehouden bij het bepalen van de termijn van de proeftijd. Zo die aanhoudingen al tot een onrechtmatige vertraging hebben geleid, heeft [appellante] heeft niets gesteld waaruit zou kunnen volgen dat verkorting van de proeftijd in haar geval geen effectieve remedie inhield.

2.8

Op het voorgaande stuiten alle grieven van [appellante] af. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

3 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 1.074,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, S.A. Boele en K.J. van den Herik en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.