Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2198

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
BK-18/01027
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof wijst een tweede verzoek om uitstel van de zitting af. Het niet-afhalen van een aangetekend verzonden poststuk komt voor rekening en risico van belanghebbende. Het Hof wijst de zaak terug naar de Inspecteur met toepassing van de judiciële lus ex artikel 8:113, lid 2, Awb in verband met schending van de hoorplicht. Het Hof kent geen proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende, nu niet is gebleken dat de in de stukken vermelde rechtsbijstandverlener enige voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2019-2220
Viditax (FutD), 22-08-2019
V-N Vandaag 2019/1936
V-N 2019/44.24.16
NTFR 2019/2234
NLF 2019/1956 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01027

Uitspraak van 10 juli 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [A] , [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 augustus 2018, nummer SGR 18/861.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van artikel 67a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een boete opgelegd van € 369.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.1.

Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 14 december 2017, door de Inspecteur ontvangen op 15 december 2017, op de voet van artikel 4:17 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het onder 1.2 vermelde bezwaarschrift.

1.3.2.

Bij beschikking van 21 december 2017 heeft de Inspecteur beslist dat belanghebbende geen recht heeft op toekenning van een dwangsom (de dwangsombeschikking).

1.3.3.

Belanghebbende heeft op 26 januari 2018 een bezwaarschrift ingediend tegen de dwangsombeschikking.

1.3.4.

Bij brief van 1 februari 2018 heeft de Inspecteur het bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking aan de Rechtbank gestuurd en verzocht dit met toepassing van artikel 4:19 Awb te voegen in de lopende beroepsprocedure betreffende de onderhavige aanslag en boetebeschikking.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar, alsmede tegen de dwangsombeschikking beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de aanslag IB/PVV, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 gelast.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft op 8 mei 2019 voor de aanvang van de zitting eerst telefonisch en daarna per e-mail, ontvangen op 8 mei 2019 om 8:29 uur, wegens ziekte verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting. Het uitstelverzoek is door het Hof ingewilligd.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 juni 2019. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende heeft per e-mail, ontvangen op 4 juni 2019 om 16:10 uur, bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij - naar het Hof begrijpt - kennelijk tevens om uitstel van de zitting verzocht. Dat uitstelverzoek is door het Hof niet ingewilligd (zie onder 5.1). Belanghebbende is op 8 en 9 mei 2019 in totaal vier keer tevergeefs gebeld om een nieuwe datum te plannen voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep. Vervolgens is zij bij aangetekende brief, verzonden op 9 mei 2019, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Deze brief is verzonden naar het in het hogerberoepschrift vermelde correspondentieadres [Y] , [Z] (het woonadres) van belanghebbende. Op 29 mei 2019 is de enveloppe waarin de vorenbedoelde brief is verzonden, ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de gegevens van Track&Trace van PostNL en de geplaatste sticker op die enveloppe, welke door de griffier in het dossier zijn gevoegd, volgt dat de besteller van PostNL op 10 en 11 mei 2019 geen gehoor heeft gekregen op het eerder bedoelde adres, dat de brief bij de PostNL-locatie niet is afgehaald, en dat PostNL de enveloppe tenslotte op 27 mei 2019 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier. Blijkens de van de gemeente [Z] ontvangen schriftelijke inlichtingen, gedagtekend 3 juni 2019 en in het dossier gevoegd, staat belanghebbende sinds 17 november 2005 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het eerder bedoelde adres. Vervolgens heeft de griffier de brief bij gewone post op 3 juni 2019 aan belanghebbende verzonden op dat adres, waarbij het Hof opmerkt dat het gerechtshof in verband met het Hemelvaartsweekend van 30 mei 2019 tot 2 juni 2019 gesloten was. De griffier heeft tevens op 4 juni 2019, gelet op de geplande zittingsdatum en de korte termijn, (tevergeefs) getracht telefonisch contact te krijgen met belanghebbende. Toen dat niet lukte heeft de griffier een e-mail verzonden naar belanghebbende. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij de hiervoor bedoelde e-mail van 4 juni 2019. Uit deze e-mail blijkt dat belanghebbende de per gewone post verzonden uitnodigingsbrief op 4 juni 2019 heeft ontvangen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8.

Het Hof heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting het hogerberoepschrift van belanghebbende met toepassing van artikel 8:14 Awb gesplitst in twee zaken betreffende enerzijds de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking (kenmerk BK-18/01027) en anderzijds de onder 1.3 vermelde beschikking (kenmerk BK-19/00364).

Vaststaande feiten

2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende door de Inspecteur is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015. De aangifte IB/PVV 2015 is niet vóór de in de uitnodiging gestelde termijn (1 mei 2016) ingediend.

2.2.

Tot de stukken van het geding behoort een afschrift van een op 17 juni 2016 gedagtekende herinneringsbrief, waarin belanghebbende eraan wordt herinnerd dat zij nog geen aangifte IB/PVV 2015 heeft gedaan, en waarin wordt meegedeeld dat zij dit alsnog dient te doen en dat de aangifte uiterlijk 1 juli 2016 moet zijn binnengekomen. De brief vermeldt voorts dat belanghebbende geen uitstel meer kan krijgen. Verder heeft de Inspecteur belanghebbende in deze brief erop gewezen dat zij, wanneer zij niet reageert op de herinnering, een aanmaning zal krijgen en, wanneer niet of te laat wordt gereageerd op de aanmaning, een boete. De aangifte IB/PVV 2015 is niet uiterlijk 1 juli 2016 door de Inspecteur ontvangen.

2.3.

Tot de stukken van het geding behoort een afschrift van een op 29 juli 2016 gedagtekende aanmaning, waarin belanghebbende wordt aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2015. De brief vermeldt dat de aangifte IB/PVV 2015 uiterlijk 12 augustus 2016 moet zijn binnengekomen. In de brief heeft de Inspecteur belanghebbende voorts erop gewezen dat zij, wanneer niet of te laat wordt gereageerd op de aanmaning, een boete kan krijgen. De aangifte IB/PVV 2015 is niet uiterlijk 12 augustus 2016 door de Inspecteur ontvangen.

2.4.

In hoger beroep heeft de Inspecteur een op 4 maart 2019 door [D] – werkzaam bij de Belastingdienst/Centrale administratieve processen – opgemaakt 'rapport datum verzending' overgelegd.

2.5.

Belanghebbende heeft op 17 november 2016 de aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Zij heeft een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 15.000. Het inkomen betreft een arbeidsbeloning die aan haar is toegekend in verband met voor het kantoor van haar echtgenoot verrichte werkzaamheden.

2.6.

Met dagtekening 1 september 2017 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2015 overeenkomstig de aangifte vastgesteld. Gelijktijdig met de aanslag is aan belanghebbende een verzuimboete van € 369 opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte IB/PVV 2015.

2.7.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag en boetebeschikking. In de nadere motivering van het bezwaarschrift van 23 oktober 2017 heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Deze nadere motivering vermeldt voorts onder meer:

"Beginsel van hoor en wederhoor

138. Indien de Inspecteur voornemens is de aangevoerde bezwaren geheel of gedeeltelijk af te wijzen, verzoeken [de echtgenoot en belanghebbende; Hof] de Inspecteur hun voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord."

2.8.

Met dagtekening 14 december 2017 heeft belanghebbende een ingebrekestelling aan de Inspecteur gezonden wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.

2.9.

Op 18 december 2017 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan zonder dat belanghebbende is gehoord. Daarbij is het bezwaar afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – overwogen:

"9. Bij uitspraak van deze rechtbank d.d. 29 augustus 2018 is ten aanzien van de echtgenoot van [belanghebbende] geoordeeld dat geen sprake is van een bron van inkomen. Uit de standpunten van partijen concludeert de rechtbank dat in dat geval geen inhoudelijk geschil meer tussen partijen bestaat. De rechtbank sluit zich aan bij dit eenstemmige oordeel van partijen zodat in zoverre het beroep gegrond is en de aanslag dient te worden verminderd met het aangegeven arbeidsinkomen. Aan de vraag of sprake is van een schending van het hoorrecht, wordt dan niet meer toegekomen.

10. In de uitspraak op bezwaar is ten onrechte niet ingegaan op het bezwaar tegen de verzuimboete. Met [de Inspecteur] is de rechtbank van oordeel dat dit niet inhoudt dat geen uitspraak is gedaan maar dat sprake is van een motiveringsgebrek in de uitspraak op het bezwaar.

11. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat om uitstel voor het doen van aangifte zou zijn verzocht en dat haar na telefonisch contact zou zijn toegezegd dat de aangifte in november 2016 mocht worden ingediend. [Belanghebbende] heeft deze stellingen niet nader onderbouwd en bij betwisting door [de Inspecteur] ervan, acht de rechtbank ze dan ook niet voldoende aannemelijk gemaakt. daarmee concludeert de rechtbank dat [belanghebbende] niet tijdig aangifte heeft gedaan. [Belanghebbende] heeft ten aanzien van de boete aangevoerd dat sprake is van avas. Daartoe verwijst zij naar persoonlijke omstandigheid, in het bijzonder een hevig ziekbed en overlijden van een familielid. Daarmee heeft [belanghebbende] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit de afwezigheid van alle schuld zou kunnen blijken. De rechtbank acht de opgelegde boete van € 369, alle omstandigheden in aanmerking nemend, dan ook passend en geboden."

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd, alsmede of terecht een verzuimboete aan belanghebbende is opgelegd.

4.2.

Belanghebbendes conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel wat betreft de beslissing inzake de verzuimboete, tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur met opdracht opnieuw op het bezwaar te beslissen met toepassing van artikel 7:2 Awb dan wel tot vernietiging van de verzuimboete, en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in beroep en hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Verzoek om uitstel mondelinge behandeling

5.1.

Het Hof heeft in de inhoud van het e-mailbericht van belanghebbende van 4 juni 2019 geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting (nogmaals) uit te stellen. De uitnodiging om op de zitting te verschijnen is tijdig en op regelmatige wijze op het juiste adres aangeboden. Belanghebbende heeft geen gewichtige redenen aangevoerd waarom zij niet op de voor de behandeling van zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn. Dat zij aangetekend verzonden post niet afhaalt, komt voor haar eigen rekening en risico. In de e-mail van 4 juni 2019 schrijft belanghebbende onder meer: "In uw e-mail van heden stelt u dat u op 9 mei 2019 een aangetekende uitnodiging heeft verstuurd. Mij is een dergelijke oproeping niet bekend én bovenal ontving ik geen enkel bericht van PostNL dat een aangetekende brief niet kon worden besteld, dan wel op het postkantoor kon worden afgehaald." Het Hof acht deze ontkenning van belanghebbende niet geloofwaardig. Blijkens de Track&Trace gegevens van PostNL is de bedoelde uitnodiging, nadat deze twee keer tevergeefs op het juiste adres is aangeboden, gebracht naar een zogenaamde PostNL-locatie waar die kon worden afgehaald. Gezien de omstandigheid dat de postbesteller een sticker op de enveloppe heeft geplaatst met het adres van de PostNL-locatie, gaat het Hof ervan uit dat de postbesteller tevens een afhaalbericht op het adres van belanghebbende heeft achtergelaten. Het Hof acht bovendien niet aannemelijk dat de postbesteller beide keren geen bericht zou hebben achtergelaten. Voor zover in de e-mail van 4 juni 2019 wordt aangevoerd dat ook de heer [E] niet aanwezig kan zijn op de vastgestelde zittingsdag, gaat het Hof aan die grief voorbij omdat [E] zich niet als gemachtigde van belanghebbende heeft gepresenteerd.

Schending hoorplicht

5.2.

Tussen partijen is terecht niet in geschil (i) dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan beoordeling van de vraag of sprake is van schending van het hoorrecht, niet wordt toegekomen, en (ii) dat de hoorplicht is geschonden (vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, BNB 2009/169, en voorts HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59, BNB 2019/51).

5.3.

Naar 's Hofs oordeel kan dit gebrek niet met toepassing van artikel 6:22 Awb worden gepasseerd. Uit de stukken van het geding en de door de Inspecteur ter zitting van het Hof gegeven toelichting is gebleken dat tussen partijen wat betreft de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete verschil van mening bestaat over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. Bovendien heeft de Inspecteur een discretionaire bevoegdheid om de boete te verminderen op grond van persoonlijke omstandigheden. Dit brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende door het niet-horen niet is benadeeld.

5.4.

Hieruit volgt dat de zaak, mede gelet op het daartoe strekkende verzoek van belanghebbende, moet worden teruggewezen naar de Inspecteur. Het Hof komt derhalve niet toe aan beantwoording van de vraag of terecht een verzuimboete aan belanghebbende is opgelegd.

Judiciële lus

5.5.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet het Hof aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, lid 2, Awb te bepalen dat tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar van de Inspecteur slechts bij het Hof beroep kan worden ingesteld. Het belang van een definitieve beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn weegt voor het Hof zwaarder dan een hernieuwde behandeling in twee feitelijke instanties.

Slotsom

5.6.

Het Hof zal het hoger beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, doch enkel wat betreft de beslissing inzake de verzuimboete, en de zaak terugwijzen naar de Inspecteur teneinde, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw uitspraak op bezwaar te doen ten aanzien van de verzuimboete.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Onder het door belanghebbende ingediende hogerberoepschrift staan de gegevens van een rechtsbijstandverlener vermeld, maar deze heeft zich niet als gemachtigde van belanghebbende gepresenteerd. Evenmin is gebleken dat deze voor de Rechtbank of voor het Hof enige voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling heeft verricht.

6.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 126 te worden vergoed.

Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel wat betreft de beslissing inzake de verzuimboete;

  • -

    wijst de zaak terug naar de Inspecteur voor hernieuwde behandeling en beslissing op het bezwaar ten aanzien van de verzuimboete met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen die uitspraak op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij dit Hof; en

  • -

    draagt de Inspecteur op het door belanghebbende in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden van in totaal € 172.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Obbink-Reijngoud, Chr.Th.P.M. Zandhuis en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 10 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.