Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2182

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
BK-18/01075 en BK-18/1076
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:14850, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep houdt partijen in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld, of belanghebbende accijns is verschuldigd ter zake van de uitslag van de in de AGP aanwezige uit benzinedamp teruggewonnen benzine. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend, met dien verstande dat de vóór 1 januari 2016 bestendig toegepaste verliesnorm van 1,7 liter per 1000 liter bij een temperatuur van 15°C of een nader in goede justitie door het Hof te bepalen forfaitaire hoeveelheid benzine buiten de heffing van accijns moet blijven. De Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. Voorts is in geschil of de Inspecteur terecht is overgegaan tot wijziging van de AGP-vergunning in die zin dat de goedkeurende regeling ter voorkoming van de meermalige accijnsheffing is komen te vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-08-2019
FutD 2019-2192
NLF 2019/1945 met annotatie van Martijn Schippers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-18/01075 en BK-18/01076

Uitspraak van 28 juni 2019

in de gedingen tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Breda, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 4 oktober 2018, nr. SGR 17/3046, en het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 4 oktober 2018, nr. SGR 17/3049.

Procesverloop

1.1.

Bij beschikking is de vergunning voor de accijnsgoederenplaats van belanghebbende per 1 januari 2016 gewijzigd (SGR 17/3046 / BK-18/01075) en belanghebbende heeft over de maand januari 2016 ter zake van de uitslag tot verbruik van ladingen ongelode lichte olie een bedrag aan accijns van minerale oliën op aangifte voldaan (SGR 17/3049 / BK-18/01076).

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking en het op aangifte voldane bedrag aan accijns gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 333 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraken van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft twee verweerschriften ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij op 7 mei 2019 aan de Inspecteur doorgezonden brief van 1 mei 2019 met een bijlage.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 17 mei 2019. Partijen zijn verschenen.

Feiten

Aan de hand van de in de gedingstukken veelal zeer gedetailleerd weergegeven punten en aangevoerde argumenten van partijen en het ter zitting verhandelde stelt het Hof de feiten vast die de kern van het geschil raken:

2.1.

Belanghebbende, vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats (AGP), produceert benzine (ongelode olie) en levert de benzine aan diverse tankstations hier te lande. In de onderwerpelijke periode heeft belanghebbende op de gebruikelijke wijze ter zake van de uitslag van de benzine uit de AGP accijns voldaan op aangifte. Inherent aan de (veraccijnsde) benzine is dat een mate van verdamping plaatsheeft. De verdamping heeft voornamelijk plaats in de opslagtanks van de tankstations en in de tanks van de auto’s van klanten. De benzinedamp uit de auto’s van klanten wordt bij het tanken verdreven en teruggevoerd in de opslagtanks van de tankstations en wordt samen met de verdampte benzine uit die opslagtanks verdreven en teruggevoerd in de tankwagens van belanghebbende bij de aflevering van nieuwe benzine. Belanghebbende voldoet aan de verplichting ingevolge de milieuwetgeving de benzinedamp maximaal in te zamelen en voegt deze met behulp van dampretoursystemen en dampterugwinningsinstallaties in vloeibare vorm bij de in de AGP aanwezige (onveraccijnsde) benzine.

2.2.

Tot 1 januari 2016 geldt voor belanghebbende de bijna twintig jaar bestaande door de staatssecretaris van Financiën uitgevaardigde goedkeuringsregeling ter ondervanging van, zo veel als mogelijk, de meermalige accijnsheffing bij de uitslag van de in de AGP in vloeibare vorm teruggebrachte benzinedamp. De dampretourregeling, opgenomen in de Beleidsregels accijnswetgeving en in het besluit "Mededeling 34. Retourdamp benzine" van 26 juni 1997, nr. VB97/457, kent een destijds met de betrokkenen uit de branch afgesproken forfaitaire korting van 1,7 liter per 1000 liter bij een temperatuur van 15°C. Vanwege de intrekking van de regeling, bij Besluit van 1 december 2015, nr. BLKB2015/1192M, is de AGP-vergunning aangepast door het recht op het gebruik van de dampretourregeling te schrappen.

De Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft in de zaak SGR 17/3046 overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of het recht op gebruik van de Teruggaafregeling terecht uit de Vergunning is geschrapt.

5. [ Belanghebbende] stelt dat zonder de Teruggaafregeling sprake is van dubbele heffing van accijns en dat uit de Accijnsrichtlijn 2008/118/EG (de Accijnsrichtlijn) volgt dat er een voorziening moet zijn om een dergelijke dubbele heffing te voorkomen. Steun voor dit standpunt vindt [belanghebbende] in het feit dat andere lidstaten wel een met de Teruggaafregeling vergelijkbare regeling kennen.

6. [ De Inspecteur] stelt dat de Teruggaafregeling terecht uit de Vergunning is verwijderd, omdat het desbetreffende beleid met het besluit van de Staatssecretaris van 1 december 2015 is ingetrokken. De Accijnsrichtlijn ziet op het vermijden van heffing door meerdere lidstaten ter zake van hetzelfde accijnsgoed en niet op dubbele heffing binnen de lidstaat en noopt niet tot het treffen van een regeling als de Teruggaafregeling. Nederland is op geen enkele wijze gebonden aan wat in andere lidstaten omtrent de retourdamp is geregeld.

7. [ Belanghebbende] concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking tot wijziging van de vergunning. [De Inspecteur] concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

8. In punt 9 van de preambule van de Accijnsrichtlijn staat dat aangezien de accijns een belasting op het verbruik van bepaalde goederen is, geen accijns mag worden geheven op goederen die in bepaalde omstandigheden zijn vernietigd of onherstelbaar verloren zijn gegaan. In punt 12 van de preambule staat dat naast de gevallen van teruggaaf waarin de Accijnsrichtlijn voorziet, de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben tot teruggaaf van accijns die is betaald ter zake van tot verbruik uitgeslagen goederen, als dat strookt met het doel van de Accijnsrichtlijn.

9. Artikel 33, zesde lid, van de Accijnsrichtlijn voorziet in teruggaaf van accijns in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vaststellen dat de accijns in die andere lidstaat verschuldigd is geworden en geïnd.

10. Artikel 36, vijfde lid van de Accijnsrichtlijn voorziet in de teruggaaf van accijns van goederen die in de ene lidstaat zijn uitgeslagen maar die door een in een andere lidstaat gevestigde persoon die geen entrepothouder is, worden gekocht en door of voor rekening van de verkoper worden vervoerd naar een andere lidstaat en in de lidstaat van bestemming aan accijns worden onderworpen.

11. Artikel 37 van de Accijnsrichtlijn ziet op verlies of vernietiging van accijnsgoederen tijdens het vervoer in een andere lidstaat dan die waar de goederen tot verbruik zijn uitgeslagen in situaties als bedoeld in de artikelen 33 en 36 van de Accijnsrichtlijn.

12. Artikel 38 van de Accijnsrichtlijn voorzien in teruggaaf of kwijtschelding van accijns door een lidstaat als ten gevolge van een onregelmatigheid in een andere lidstaat ook accijns is geheven.

13. Zoals [de Inspecteur] terecht heeft aangevoerd, zien de bepalingen in de Accijnsrichtlijn tot het vermijden van dubbele heffing op situaties waarin door méér dan een lidstaat van de EU ter zake van dezelfde goederen accijns wordt geheven. Daarvan is in voorliggend geval geen sprake. Zo al gesteld kan worden dat sprake is van dubbele accijnsheffing door Nederland, bieden de preambule van de Accijnsrichtlijn en de Accijnsrichtlijn zelf dus geen grond voor de door [belanghebbende] gehuldigde opvatting dat de Accijnsrichtlijn noopt tot een teruggaafregeling ter zake van uit retourdamp teruggewonnen benzine.

14. Punt 12 van de preambule biedt de lidstaten de mogelijkheid tot meer of andere teruggaafregelingen dan in de Accijnsregeling zijn opgenomen, maar de lidstaten zijn daartoe niet verplicht. Dat, naar [belanghebbende] heeft aangevoerd, andere lidstaten wel een teruggaafregeling kennen betreffende retourdamp, maakt niet dat ook Nederland een dergelijke regeling zou moeten invoeren of de Teruggaafregeling had moeten handhaven.

15. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het door [belanghebbende] beoogde gevolg alleen zou kunnen worden bereikt door de Teruggaafregeling, al dan niet met terugwerkende kracht, weer in te voeren. Het uitvaardigen of het gelasten tot het uitvaardigen van een algemeen verbindend voorschrift behoort echter niet tot de competenties van de bestuursrechter.

16. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

(…)"

3.2.

De Rechtbank heeft in de zaak SGR 17/3049 overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of [belanghebbende] recht heeft op teruggaaf van accijns ter zake van het in de AGP brengen van de retourdamp. Daarbij is tevens en meer specifiek in geschil of retourdamp een accijnsgoed is waarvoor een accijnstarief geldt.

5. [ Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op teruggaaf ter zake van de retourdamp en heeft daarvoor het volgende aangevoerd.

- De accijnswetgeving is erop gericht dubbele heffing van accijns te voorkomen, terwijl bij uitslag van de teruggewonnen benzine accijns wordt geheven ter zake van benzine die al eerder in de heffing van accijns is betrokken.

- Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de accijns (WA) bestaat recht op teruggaaf, omdat sprake is van inslag in de AGP van retourdamp en die retourdamp qua samenstelling gelijk is te stellen met ongelode lichte olie als bedoeld in post 2710 11 45 in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur - Gecombineerde Nomenclatuur (GN) - en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals die luidt met ingang van 1 januari 2002.

- Als retourdamp geen ongelode lichte olie is, dan is een deel van de eerder uitgeslagen benzine door verdamping verloren gegaan en bestaat recht op teruggaaf ingevolge artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van de WA.

- Accijns is een verbruiksbelasting. Omdat de retourdamp niet wordt verbruikt, behoort daarop geen accijns te drukken.

6. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat [belanghebbende] geen recht heeft op teruggaaf en heeft daarvoor het volgende aangevoerd.

- Retourdamp is niet vloeibaar en heeft niet dezelfde samenstelling als benzine. Retourdamp valt daarom onder post 2711 29 00 van de GN. Het accijnstarief voor dergelijke producten is nihil, zodat teruggaaf op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van de WA niet mogelijk is. Indien retourdamp wel onder post 2710 valt, dan zou het product moeten worden ingedeeld in post 2710 11 90 waarvoor evenmin een accijnstarief is vastgesteld.

- Teruggaaf op grond van artikel 71, eerste lid, onder a, van de WA kan niet worden gerealiseerd via de aangifte. Afgezien daarvan gaat bij verdamping van benzine geen product verloren, behoorde de benzine tijdens het verdampen niet tot de bedrijfsvoorraad van [belanghebbende] en is geen sprake van overmacht als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns (het Uitvoeringsbesluit).

- De Accijnsrichtlijn 2008/118/EG (de Accijnsrichtlijn) kent geen teruggaafregeling voor accijnsgoederen die na uitslag uit een AGP worden vernietigd of verloren gaan in de lidstaat van uitslag.

- De Accijnsrichtlijn ziet op het vermijden van heffing door meerdere lidstaten van de EU ter zake van hetzelfde accijnsgoed en niet op dubbele heffing binnen een lidstaat.

7. [ Belanghebbende] concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het verlenen van een teruggaaf.

8. [ De Inspecteur] concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

9. In punt 9 van de preambule van de Accijnsrichtlijn staat dat aangezien de accijns een belasting op het verbruik van bepaalde goederen is, geen accijns mag worden geheven op goederen die in bepaalde omstandigheden zijn vernietigd of onherstelbaar verloren zijn gegaan. In punt 12 van de preambule staat dat naast de gevallen van teruggaaf waarin de Accijnsrichtlijn voorziet, de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben tot teruggaaf van accijns die is betaald ter zake van tot verbruik uitgeslagen goederen, als dat strookt met het doel van de Accijnsrichtlijn.

10. Artikel 33, zesde lid, van de Accijnsrichtlijn voorziet in teruggaaf van accijns in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vaststellen dat de accijns in die andere lidstaat verschuldigd is geworden en geïnd.

11. Artikel 36, vijfde lid van de Accijnsrichtlijn voorziet in de teruggaaf van accijns van goederen die in de ene lidstaat zijn uitgeslagen, maar die door een in een andere lidstaat gevestigde persoon die geen entrepothouder is, worden gekocht en door of voor rekening van de verkoper worden vervoerd naar een andere lidstaat en in de lidstaat van bestemming aan accijns worden onderworpen.

12. Artikel 37 van de Accijnsrichtlijn ziet op verlies of vernietiging van accijnsgoederen tijdens het vervoer in een andere lidstaat dan die waar de goederen tot verbruik zijn uitgeslagen in situaties als bedoeld in de artikelen 33 en 36 van de Accijnsrichtlijn.

13. Artikel 38 van de Accijnsrichtlijn voorziet in teruggaaf of kwijtschelding van accijns door een lidstaat als ten gevolge van een onregelmatigheid in een andere lidstaat ook accijns is geheven.

14. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat sprake is van dubbele heffing van accijns die in strijd is met de bepalingen in de Accijnsrichtlijn die ertoe strekken dubbele heffing te voorkomen. Zoals [de Inspecteur] echter terecht heeft aangevoerd, zien die bepalingen tot het vermijden van dubbele heffing op situaties waarin door méér dan een lidstaat van de EU ter zake van dezelfde goederen accijns wordt geheven. Daarvan is in voorliggend geval geen sprake. Zo al gesteld kan worden dat sprake is van dubbele accijnsheffing door Nederland, bieden de preambule van de Accijnsrichtlijn en de Accijnsrichtlijn zelf dus geen grond voor de door [belanghebbende] gehuldigde opvatting dat voor uit retourdamp teruggewonnen benzine accijns die is geheven bij eerdere uitslag tot verbruik moet worden teruggegeven. Punt 12 van de preambule biedt de lidstaten de mogelijkheid tot meer of andere teruggaafregelingen dan in de Accijnsregeling zijn opgenomen, maar de lidstaten zijn daartoe niet verplicht. Dat, naar [belanghebbende] heeft aangevoerd, andere lidstaten wel een teruggaafregeling kennen betreffende retourdamp, maakt niet dat ook Nederland een dergelijke regeling zou moeten invoeren of de Teruggaafregeling had moeten handhaven.

15. Na het in 14 gegeven oordeel dat de Accijnsrichtlijn niet noopt tot teruggaaf ter zake van retourdamp, moet worden onderzocht of het door [belanghebbende] bepleite recht op teruggaaf direct voortvloeit uit de WA en daarmee samenhangende regelgeving. [Belanghebbende] heeft daarvoor aangevoerd dat de retourdamp de dampvorm is van ongelode lichte olie, zodat wanneer die binnenkomt in de AGP sprake is van het in een AGP brengen van een accijnsgoed in de zin van artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de WA. Het daarmee gemoeide bedrag had dan, ingevolge van artikel 31, tweede van het Uitvoeringsbesluit, op de aangifte in mindering gebracht mogen worden.

16. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de WA wordt accijns geheven van minerale oliën. Op grond van artikel 25 van de WA worden onder minerale oliën verstaan de producten met de in dat artikel genoemde GN-codes. Artikel 26 van de WA bepaalt dat voor de toepassing van de accijnstarieven minerale oliën worden onderscheiden in lichte olie, halfzware olie, gasolie, zware stookolie, vloeibaar gemaakt petroleumgas en methaan. Op grond van het zevende lid van dit artikel wordt onder methaan verstaan de producten van GN-code 2711 29 00. Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WA geldt voor ongelode lichte olie een tarief van € 769,90 per 1.000 liter en op grond van onderdeel e van dit artikellid geldt voor methaan een tarief van nihil.

17. [ Belanghebbende] stelt dat de retourdamp een goed is met GN-code 2710 11 45, oftewel een motorbenzine, bestemd voor ander gebruik dan als vliegtuigbenzine, met een loodgehalte van niet meer dan 0,013 g/l en met een octaangetal (RON) van 95 of meer doch minder dan 98. De in het AGP gebrachte retourdamp is daarom gelijk te stellen met eerder uitgeslagen benzine en dus bestaat recht op teruggaaf op grond van artikel 71, eerste lid, letter d, van de WA. [De Inspecteur] stelt primair dat de retourdamp moet worden ingedeeld onder GN-code 2711 29 00, oftewel onder de niet vloeibaar gemaakte gasvormige koolwaterstoffen. Subsidiair stelt [de Inspecteur] dat sprake is van een andere lichte olie als bedoeld in GN-post 2710.11.90.

18. Bij de posten met de GN-codes 2710 11 31 tot en met 2710 11 70 gaat het om speciale lichte oliën die worden gebruikt als motorbenzine. Een motorbenzine is alleen als zodanig bruikbaar in vloeibare vorm. Een gas dat chemisch (al dan niet deels) dezelfde samenstelling heeft als een motorbenzine, is niet als motorbenzine bruikbaar en is dan ook geen motorbenzine in de zin van voormelde GN-posten. Omdat retourdamp gasvormig is, kan die dus niet worden ingedeeld onder GN-code 2710 11 45. Zo de retourdamp al is aan te merken als een speciale lichte olie, dan is die alleen in te delen onder GN‑code 2710 11 90, oftewel als een andere speciale lichte olie. Deze GN‑code wordt niet genoemd in artikel 26 van de WA, zodat voor een goed met die GN-code in artikel 27 van de WA ook geen tarief is vastgesteld. Uitslag van een product met GN-code 2710 11 90 zou dus niet tot accijnsheffing leiden en inslag daarvan kan daarom evenmin leiden tot een teruggaaf van accijns als bedoeld in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de WA. De enige andere GN-code waaronder de retourdamp eventueel zou kunnen worden ingedeeld is 2711 29 00. Voor producten die onder die GN-code vallen bepaalt artikel 27, eerste lid, letter e, van de WA, in samenhang met artikel 26, zevende lid, van de WA, dat het tarief nihil bedraagt. Ook dan kan de inslag dus niet leiden tot teruggaaf van accijns als bedoeld in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de WA. Het gelijk is dus aan [de Inspecteur].

19. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat als retourdamp geen benzine is, met het verdampen van de benzine een product verloren gaat als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van de WA en om die reden recht op teruggaaf van accijns bestaat. Voor een dergelijke teruggaaf moet, anders dan bij een teruggaaf op grond van letter d van voornoemd artikel, een afzonderlijk verzoek worden gedaan. Een dergelijk verzoek ligt hier niet voor, zodat de rechtbank zich over deze stelling van [belanghebbende] niet kan uitlaten.

20. Het betoog van [belanghebbende] dat accijns een verbruiksbelasting is en daarom op verdampte benzine, die immers niet wordt verbruikt, geen accijns behoort te drukken, faalt. Gelet op de tekst van de preambule van de Verordening is de stelling dat accijns een verbruiksbelasting is op zichzelf juist, maar dat neemt niet weg dat het belastbare feit ter zake waarvan accijns wordt geheven niet het verbruik is, maar de uitslag tot verbruik. Of een goed, na te zijn uitgeslagen, daadwerkelijk wordt verbruikt, is niet van belang, behoudens het geval dat sprake is van het verloren gaan van de uitgeslagen goederen dan wel de vernietiging daarvan onder ambtelijk toezicht. Zoals hiervoor is overwogen, kan de rechtbank zich over die vraag in onderhavige procedure niet uitlaten.

21. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep houdt partijen in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld, net als voor de Rechtbank, of belanghebbende accijns is verschuldigd ter zake van de uitslag van de in de AGP aanwezige uit benzinedamp teruggewonnen benzine. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend, met dien verstande dat de vóór 1 januari 2016 bestendig toegepaste verliesnorm van 1,7 liter per 1000 liter bij een temperatuur van 15°C of een nader in goede justitie door het Hof te bepalen forfaitaire hoeveelheid benzine buiten de heffing van accijns moet blijven. De Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. Voorts is in geschil of de Inspecteur terecht is overgegaan tot wijziging van de AGP-vergunning in die zin dat de goedkeurende regeling ter voorkoming van de meermalige accijnsheffing is komen te vervallen.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Met betrekking tot het geschilpunt inzake de meermalige heffing van accijns komt het Hof tot een andere afweging dan de Rechtbank. Het Hof verwerpt zonder meer de stelling van de Inspecteur dat, kort gezegd, het met de terugwinning uit de in de AGP gebrachte retourdamp verkregen product een volledig ander product dan benzine is. Naar 's Hofs oordeel kan, in het licht van wat uit de stukken over de herkomst van en de terugwinning uit benzinedamp naar voren komt en gelet ook op het door de deskundige van belanghebbende ter zitting gehouden uitvoerige betoog ter verduidelijking van de problematiek in kwestie, de conclusie niet anders zijn dan dat het uit de door belanghebbende ingezamelde retourdamp in vloeibare vorm teruggebrachte product feitelijk is te vereenzelvigen met ter zake van een eerdere uitslag uit de AGP veraccijnsde benzine. Ongeacht de verschijningsvorm van wat door belanghebbende in de AGP wordt ingeslagen (vloeibaar of in dampvorm) is de substantie, juist ook qua aanwendingsmogelijkheden en gebruikskenmerken, te karakteriseren als (al veraccijnsde) benzine.

5.2.

De vaststelling van de aard van het na terugwinning uit de retourdamp verkregen product brengt mee dat het telkens heffen van accijns over de volledige hoeveelheid uit de AGP uitgeslagen benzine, zoals de Inspecteur voorstaat, leidt tot een voor een deel rechtens ongeoorloofde meermalige belasting. Nationale en Unierechtelijke accijnsregelingen, gelet op doel en strekking, staan in een geval als het onderwerpelijke niet toe dat over al veraccijnsde benzine nogmaals accijns wordt geheven. Wat betreft de berekening van de hoeveelheid van de al in de heffing van accijns betrokken benzine ziet het Hof - voor zover nodig in goede justitie - geen reden af te wijken van de berekeningsmethode die heeft gegolden volgens de per 1 januari 2016 ingetrokken regeling van de staatssecretaris van Financiën.

5.3.

Met betrekking tot het geschilpunt inzake de wijziging van de AGP-vergunning van belanghebbende is het Hof van oordeel, in zoverre in afwijking van de overwegingen van de Rechtbank, dat de belastingrechter, nog afgezien dat het, gelet op wat is overwogen over de meermalige heffing, niet opportuun is te treden in de wijziging van de vergunning, niet de bevoegdheid heeft de wijziging van de vergunning en daarmee de per 1 januari 2016 ingetrokken regeling van de staatssecretaris van Financiën te beoordelen.

5.4.

De slotsom is dat het hoger beroep in de zaak SGR 17/3046 / BK-18/01075 ongegrond en het hoger beroep in de zaak SGR 17/3049 / BK-18/01076 gegrond is.

Proceskosten en griffierechten

6.1.

Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten van in totaal € 5.338,34 (€ 2.556 + € 2.782,34):

6.1.1.

De kosten wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt het Hof vast op in totaal € 2.556: 2 punten à € 254 voor bezwaar en 4 punten à € 512 voor beroep en hoger beroep, met een wegingsfactor van 1.

6.1.2.

De werkzaamheden van de deskundige omvatten het opstellen van een rapportage en het op de zitting verzorgen van een presentatie inzake de duiding van de complexe natuur- en scheikundige eigenschappen van benzine in zowel vloeibare als dampvorm en behoren te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. De werkzaamheden hebben, naar het Hof begrijpt, 22 uur in beslag genomen. De kosten stelt het Hof vast op € 2.782,34 (= 22 x € 126,47).

6.1.3.

Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2.

De Inspecteur dient belanghebbende de griffierechten van in totaal € 841 (= € 333 + € 508) te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank in de zaak SGR 17/3046,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank in de zaak SGR 17/3049,

- vernietigt de desbetreffende uitspraak van de Inspecteur,

- vermindert de op aangifte voldane accijns met 0,17 percent, een en ander met inachtneming van het overwogene in 5.2,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.338,34, en

- gelast de Inspecteur belanghebbende € 841 aan griffierechten te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, J.T. Sanders en U.E. Tromp, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 28 juni 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.