Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:215

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.207.887/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Bewijswaardering. Gerechtelijke erkentenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.207.887/01

Rolnummer rechtbank : 4385224 RL EXPL 15-25011

Arrest van 12 februari 2019

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.C.G.J. van der Linden te Voorburg,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

en ook wel afzonderlijk als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2],

advocaat: mr. M. van Benthem te Den Haag.

Het verloop van het geding

Bij exploten van 13 januari 2017 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, vestigingsplaats Den Haag, tussen partijen gewezen vonnis van 24 oktober 2016.

[appellante] heeft een memorie van grieven ingediend waarbij zij (onder overlegging van producties) vier grieven heeft aangevoerd.

[geïntimeerden] hebben een memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend, waarbij zij de grieven van [appellante] hebben bestreden en - in voorwaardelijk incidenteel appel - twee grieven hebben aangevoerd.

Vervolgens heeft het hof op 15 augustus 2017 arrest gewezen, waarbij het hof de incidentele vordering van [appellante] heeft afgewezen en de zaak naar de rol van 26 september 2017 heeft verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel in de hoofdzaak.

Hierna heeft [appellante] een memorie antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend, waarbij zij de grieven van [geïntimeerden] heeft bestreden.

Ten slotte is arrest bepaald.

De feiten en het geschil in eerste aanleg

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 17 maart 2016 vastgestelde feiten, nu deze niet in geschil zijn. Het gaat om de navolgende feiten.

1.1.

[de zoon], de zoon van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (hierna: de zoon), is op 8 januari 2003 gehuwd met [appellante]. Dit huwelijk is op 21 juli 2014 ontbonden.

1.2.

Bij brief van 10 februari 2015 hebben [geïntimeerden] [appellante] aangemaand een bedrag van € 8.946,75 vermeerderd met rente te betalen. In de brief schrijven [geïntimeerden] dat dit bedrag betreft ‘een gemeenschappelijk schuld van jou en [de zoon] aan ons’.

Op 29 augustus 2015 heeft [appellante] aangifte gedaan bij de politie van valsheid in geschrifte. In die aangifte is onder andere het volgende opgenomen:

‘[[geïntimeerde 1]] heeft een document opgevoerd waarin twee geldbedragen beschreven staan. […] Ik herken het handschrift van [[geïntimeerde 1]] op dit document. [...]. Dit document is voorzien van een handtekening. De handtekening zou van [appellante] moeten zijn.

Ik herken dit document niet als bekend, ik het dit document nooit zelf getekend. Ik vermoed dat [[geïntimeerde 1]] dit document heeft opgesteld en heeft ondertekend met mijn handtekening. […]’

1.3.

Een door de zoon van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ondertekende verklaring van 18 november 2015 luidt als volgt:

‘[…] Hierbij verklaar ik dat wij beiden ([de zoon] en [appellante]) in bijzijn van mijn ouders […] op 26 maart 2011 een schuldverklaring hebben getekend van € 17893,35 om het schuldbedrag die wij bij mijn ouders geleend hebben terug te betalen. Deze lening hebben wij in 2004 bij mijn ouders moeten nemen om de hypotheek te kunnen krijgen voor de aankoop van de woning op de [adres] in 2004.

Nu ontkent mijn ex ([appellante]) dat zij de schuldverklaring niet [sic] heeft ondertekend. Dit verbaast mij niet omdat ze continue liegt en steeds met een ander verhaal komt. Wij zijn beiden verantwoordelijk voor de lening wat wij hebben genomen en daarom wil ik ook dat wij beiden dit netjes terugbetalen.’

2. [geïntimeerden] hebben in deze procedure - samengevat - de veroordeling van [appellante] gevorderd tot betaling van € 8.974,94 en vanaf 1 september 2015 een bedrag van € 149,11 per maand totdat het restant van € 1.043,85 is voldaan, met rente en kosten. Zij hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij in 2004 twee bedragen van in totaal € 17.893,35 in leen hebben verstrekt (hierna tezamen te noemen: de lening), en dat op 26 maart 2011 is overeengekomen dat de zoon en [appellante] vanaf die datum de lening in 60 maandelijkse termijnen van € 298,22 zouden terugbetalen. [appellante] heeft evenwel niets afgelost, ook niet na aanmaning. [geïntimeerden] maken nu aanspraak op terugbetaling van de helft van de termijnbedragen die tot en met augustus 2015 betaald moesten worden (in totaal € 7.902,83), plus de helft van de termijnen (€ 149,11 per maand) vanaf 1 september 2015 totdat het restant van de lening (een bedrag van € 1.043,85) is betaald. Verder hebben [geïntimeerden] gesteld dat zij vanwege het uitblijven van betaling een bedrag van € 995,03 aan buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt.

3. [appellante] heeft de vordering van [geïntimeerden] bestreden en daartoe - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. Zij heeft betwist dat sprake was van een overeenkomst van geldlening en - subsidiair – aangevoerd dat [geïntimeerden] later met de zoon en met [appellante] hebben afgesproken dat de lening niet langer behoefde te worden terugbetaald, en dat de vordering tot terugbetaling is verjaard. Ten slotte heeft [appellante] een beroep gedaan op rechtsverwerking.

4. Bij tussenvonnis van 17 maart 2016 heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] door een verklaring ter comparitie van 26 november 2015 heeft erkend dat [geïntimeerden] geld hebben gegeven aan de zoon en [appellante] onder de voorwaarde dat de zoon en [appellante] dat zelfde bedrag zouden teruggeven. De rechtbank heeft op grond hiervan beslist dat vast staat dat partijen (mondeling) een overeenkomst van lening als bedoeld in art. 7A:1791 BW zijn aangegaan en dat onweersproken is dat het ging om een bedrag van € 17.893,35, zodat daarmee ook de omvang van de lening vast staat. Ook heeft de rechtbank beslist dat de stelling van [appellante] dat partijen later zijn overeengekomen dat de geleende geldsom niet langer terugbetaald hoefde te worden, niet is onderbouwd en geen stand kan houden. Voorts heeft de rechtbank beslist dat het beroep op verjaring en op rechtsverwerking van [appellante] niet slaagt. Ten aanzien van de vraag of de lening opeisbaar is en zo ja, per wanneer, heeft de rechtbank [geïntimeerden] nog toegelaten te bewijzen dat zij met de zoon en [appellante] zijn overeengekomen dat de laatsten de lening van € 17.893,35 vanaf 26 maart 2011 in 60 maandelijkse termijnen van € 298,22 zouden terugbetalen aan [geïntimeerden]

5. Na gehouden getuigenverhoren en conclusiewisseling, is de rechtbank bij eindvonnis van 24 oktober 2016 tot het oordeel gekomen dat [geïntimeerden] geslaagd zijn in het bewijs, en heeft zij de vordering van [geïntimeerden] toegewezen als in het dictum vermeld, met compensatie van proceskosten, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De beoordeling van het hoger beroep

6. [geïntimeerden] hebben, alvorens zich over de door [appellante] aangevoerde grieven uit te laten, naar voren gebracht dat [appellante] alleen hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van 24 oktober 2016 en niet tegen het tussenvonnis van 17 maart 2016. Zij leiden daaruit af, onder verwijzing naar artikel 337 jo. artikel 339 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat het tussenvonnis in kracht van gewijsde is gegaan, dat de beslissingen in dit tussenvonnis tussen partijen bindend zijn en dat [appellante] daarom in haar grieven, voor zover gericht tegen het tussenvonnis, niet ontvankelijk is.
Dit verweer treft geen doel. Uit de appeldagvaarding volgt weliswaar dat [appellante] alleen in hoger beroep komt van het eindvonnis van 24 oktober 2016, maar uit haar memorie van grieven blijkt dat zij ook opkomt tegen overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 17 maart 2016. Wanneer in hoger beroep vernietiging wordt gevorderd van een vonnis dat voortbouwt op een in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis, staat het de appellant vrij om in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen overwegingen van dat tussenvonnis. Zijn appel moet dan geacht worden ook daartegen gericht te zijn. De belangen van de geïntimeerde worden door een dergelijke gang van zaken niet geschaad (HR 14 oktober 1983, NJ 1984/47).

7. Grief 1 van [appellante] houdt in dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een lening die door [appellante] terugbetaald diende te worden. Deze grief faalt. [appellante] heeft in appel op zichzelf niet betwist dat zij ter zitting in eerste aanleg van 26 november 2016 heeft erkend dat [geïntimeerden] geld hebben gegeven aan de zoon en [appellante], onder de voorwaarde dat de zoon en [appellante] datzelfde bedrag teruggeven (als vermeld in rov. 4.4 van het tussenvonnis van 17 maart 2016). Zij is naar het oordeel van het hof aan deze uitdrukkelijke erkenning in rechte gebonden op grond van art. 154 Rv. De stelling van [appellante] dat zij niet bedoeld zou hebben te zeggen dat zij wist dat het een lening betrof, doet hieraan niet af. Uit deze enkele stelling kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [appellante] bij het doen van haar verklaring ter zitting, die niet anders valt te begrijpen dan als een erkenning van het aangaan van een overeenkomst van geldlening, zou hebben gedwaald of dat zij haar verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd, als bedoeld in art. 154 lid 2 Rv. Dat zij over het erkennen van een geldlening zou hebben gedwaald, is overigens niet aannemelijk, nu zij (ook) in haar processtukken heeft aangevoerd dat de gelden zijn geleend en dat [appellante] en de zoon de lening zouden terugbetalen met de opbrengst van de verkoop van hun toenmalige woning (toelichting op grief 1, eerste alinea).

8. Voor zover [appellante] met grief 1 tevens heeft beoogd op te komen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij haar stelling dat partijen later zijn overeengekomen dat de geleende geldsom niet langer terugbetaald hoefde te worden, niet heeft onderbouwd, kan de grief evenmin slagen. Het hof is van oordeel dat [appellante] deze stelling ook in hoger beroep onvoldoende heeft geadstrueerd en daarvan evenmin enig bewijs heeft aangeboden, zodat (ook) het hof daaraan voorbij gaat.

9. Grief 2 luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat - indien sprake is van een lening - de lening pas in 2011 voor het eerst is opgeëist. Uit de toelichting op deze grief leidt het hof af dat [appellante] hiermee bedoelt op te komen tegen de verwerping door de rechtbank van haar beroep op verjaring. Dienaangaande geldt het volgende.
Zoals de rechtbank in het tussenvonnis onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 november 1999 (ECLI:NL:1999:AA3369) terecht tot uitgangspunt heeft genomen, geldt in geval van overeenkomsten tussen familieleden waarbij voor onbepaalde tijd renteloos geld wordt verstrekt, zoals in deze zaak, dat op grond van artikel 3:307, tweede lid, BW de verjaringstermijn van vijf jaar pas loopt van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.
Voor zover [appellante] met haar toelichting bij grief 1, dat de afspraak was dat zij en de zoon de lening zouden terugbetalen met de opbrengst van de verkoop van hun toenmalige woning, ook heeft bedoeld te betogen dat daarmee geen sprake was van een lening voor onbepaalde tijd en dat de vordering tot terugbetaling met de verkoop van de woning in 2004 al opeisbaar was, kan zij daarin niet worden gevolgd. Met de afspraak dat de lening zou worden terugbetaald met de opbrengst van de verkoop van de woning, is naar het oordeel van het hof nog geen sprake van opeising van de lening en/of van een voor nakoming bepaalde termijn. Uit die afspraak volgt immers niet binnen welke termijn na verkoop van de woning [appellante] en de zoon de lening moesten terugbetalen.
Verder is volgens [appellante] ter comparitie in eerste aanleg “duidelijk naar voren gekomen dat [geïntimeerde 1] al in 2005 tegen [appellante] gezegd zou hebben dat het om geld ging dat terugbetaald diende te worden”. Deze mededeling is naar het oordeel van het hof in zijn algemeenheid echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerden] de lening toen al daadwerkelijk opeiste, of dat [appellante] (die het doen van deze mededeling bovendien ontkent) dat toen zo heeft begrepen of heeft mogen begrijpen. Deze mededeling duidt er als zodanig slechts op dat [geïntimeerden] zich op het standpunt stelden dat sprake was van een overeenkomst van geldlening, dat wil zeggen van een overeenkomst die een verplichting tot terugbetaling van het verstrekte geld inhield (derhalve geen schenking), maar niet dat die verplichting tot terugbetaling toen al diende te worden nagekomen. Dat in 2005 feitelijk opeising van de lening heeft plaatsgevonden, waarbij bijvoorbeeld een tijdstip of termijn voor nakoming zou zijn genoemd, blijkt niet uit deze mededeling. Ook grief 2 kan dus niet slagen.

10. Met grief 3 komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] haar handtekening heeft geplaatst onder de overeenkomst van 26 maart 2011. Grief 4 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de afgelegde getuigenverklaring(en) het bewijs leveren dat [appellante] op 26 maart 2011 de bedoelde overeenkomst heeft ondertekend. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof oordeelt als volgt.

11. Ingevolge het bepaalde in art. 159 lid 2 Rv levert een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou opleveren, stellig wordt ontkend, geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het – gelet op dit artikel – op de weg lag van [geïntimeerden] om hun stelling te bewijzen dat zij met de zoon en [appellante] zijn overeengekomen dat de laatsten de lening van € 17.893,35 vanaf 26 maart 2011 in 60 maandelijkse termijnen van € 298,22 aan [geïntimeerden] zouden terugbetalen. Het hof kan zich dan ook verenigen met de aan [geïntimeerden] gegeven bewijsopdracht. Op grond van een eigen waardering van het aangedragen bewijs is het hof bovendien van oordeel dat [geïntimeerden] in hun bewijsopdracht zijn geslaagd. Dit oordeel berust op de navolgende gronden.

12. De (partij)getuige [geïntimeerde 1] (geïntimeerde sub 1) heeft onder meer het volgende verklaard. De lening is in maart 2011 opgevraagd omdat er dure vakanties waren gemaakt en zij haar geld wilde. Tijdens een familiebijeenkomst waarbij [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], hun dochter en schoonzoon, alsmede de zoon en [appellante] aanwezig waren, is dit besproken en iedereen was het eens. [geïntimeerde 1] heeft de verklaring opgeschreven en [appellante], de zoon en [geïntimeerde 1] hebben deze ondertekend.

13. Het hof is van oordeel dat de bovenstaande verklaring van [geïntimeerde 1] in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [geïntimeerde 2] (geïntimeerde sub 2), [de dochter] (dochter van [geïntimeerden]), [de schoonzoon] (schoonzoon van [geïntimeerden]), [de zoon] (de zoon), die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Allen hebben verklaard dat er tijdens een familiebijeenkomst over de overeenkomst tot terugbetaling van de lening, als vermeld in productie 1 bij inleidende dagvaarding, is gesproken en dat [appellante] de bedoelde verklaring tijdens die bijeenkomst heeft getekend. Het enkele feit dat enkele getuigen zich het tijdstip van die bijeenkomst niet meer precies kunnen herinneren is verklaarbaar door het tijdsverloop en doet aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen niet af. Hetzelfde geldt voor het feit dat niet alle getuigen dezelfde locatie van deze specifieke familiebijeenkomst noemen (volgens een aantal getuigen was deze bij [geïntimeerden] thuis, volgens een andere getuige bij [appellante] en de zoon thuis).

14. De enkele ontkenning door de getuige [appellante] dat de bedoelde bijeenkomst heeft plaatsgevonden en dat zij een verklaring als voormeld heeft ondertekend, weegt niet op tegen de verklaringen van de andere vijf getuigen. Haar verklaring dat zij op 26 maart 2011 met de zoon en hun beider kinderen een bezoek heeft gebracht aan Aviodome, sluit niet uit dat er op die dag (op een ander moment, bijvoorbeeld aan het eind van de middag of in de avond) ook een bijeenkomst met de voornoemde familieleden heeft plaatsgevonden (als hiervoor bedoeld). Ten slotte vormt ook de door [appellante] in appel overgelegde rapportage van het handschriftonderzoek dat zij door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau heeft laten uitvoeren, onvoldoende tegenbewijs. De expert komt tot de conclusie dat de betwiste overeenkomst in de huidige vorm (reproductie van beperkte kwaliteit) om redenen van authenticiteit, integriteit en kwaliteit niet over bewijskracht beschikt, bij gebreke van onderzoek aan de originele overeenkomst. Het hof is echter van oordeel dat de afgelegde getuigenverklaringen voldoende bewijs vormen dat partijen, onder wie [appellante], de bedoelde verklaring hebben ondertekend (ook al is het origineel niet meer beschikbaar).

15. Nu de grieven van [appellante] niet slagen, dient het bestreden eindvonnis te worden bekrachtigd en komt het hof niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel appel.

16. Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Ook indien [geïntimeerden] het verlangde bewijs omtrent het ondertekenen van de vorenbedoelde overeenkomst op 26 maart 2011 niet hadden geleverd, kan dit [appellante] (vrijwel) niet baten. In dat geval had het hof het voorwaardelijk incidenteel appel wel behandeld, omdat de daaraan gestelde voorwaarde was vervuld. Vaststaat dat [geïntimeerden] de geldlening in elk geval hebben opgeëist bij brief van 10 februari 2015 (prod. 3 bij inleidende dagvaarding), waardoor het door [appellante] verschuldigde bedrag in hoofdsom van € 8.946,68 (in zijn geheel) toewijsbaar zou zijn geweest, met dien verstande dat de daarover verschuldigde wettelijke rente in dat geval zou zijn berekend vanaf 17 februari 2015 (na afloop van de in die brief gestelde betalingstermijn van een week).

17. Omdat sprake is van een geschil met een familierechtelijke achtergrond, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren als in het dictum vermeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, J. van der Kluit en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.