Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2103

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
20-08-2019
Zaaknummer
200.237.086/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medisch beroepsgeheim huisarts; recht op inzage/afschrift medisch dossier van overleden moeder op grond van door haar aan haar zoon verstrekte schriftelijke machtiging; art. 7:458a BW (nieuw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0228
JERF 2019/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.237.086/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/526967/HA ZA 17-477

arrest van 20 augustus 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. I. de Lange-van Mook te Maasland,

tegen

1. [naam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] afzonderlijk, en gezamenlijk [geïntimeerde sub 1] c.s.,

advocaat: mr. T.A.M. van Oosterhout te Utrecht.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 8 mei 2018 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 1 juni 2018. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] elf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) hebben [geïntimeerde sub 1] c.s. de grieven bestreden. [appellant] heeft vervolgens een akte (met producties) genomen, waarna [geïntimeerde sub 1] c.s. bij antwoordakte hebben gereageerd.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 7 februari 2018 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2. [appellant] is de zoon van wijlen mevrouw [moeder appellant] (hierna: [moeder appellant] ). [moeder appellant] is overleden op [datum] 2016. [geïntimeerde sub 2] was de huisarts van [moeder appellant] . [geïntimeerde sub 2] houdt praktijk bij [geïntimeerde sub 1] .

3. [appellant] heeft aangifte gedaan tegen twee verpleegkundigen die, voordat [geïntimeerde sub 2] de behandelend huisarts was, bij de thuiszorg voor [moeder appellant] betrokken zijn geweest.

4. [appellant] heeft [geïntimeerde sub 2] verzocht om (delen) van het medisch dossier van [moeder appellant] aan hem te verstrekken. [geïntimeerde sub 2] heeft aan het verzoek van [appellant] geen gehoor gegeven.

5. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal veroordelen om aan [appellant] een afschrift te verstrekken van het gehele medische dossier van [moeder appellant] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, vermeerderd met rente en kosten.

6. [geïntimeerde sub 1] c.s. hebben verweer gevoerd.

7. De Rechtbank heeft de vordering ten dele toegewezen, door te bepalen, zakelijk weergegeven, dat [geïntimeerde sub 2] het medisch dossier voor zover dat ziet op het dossier van huisarts [naam huisarts] (periode 2007-2013) zal overdragen aan een in onderling overleg door partijen aan te wijzen arts ter beantwoording van concrete vragen ten aanzien van de behandeling van [moeder appellant] , met compensatie van proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

8. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, als volgt overwogen. [appellant] heeft zijn stelling dat [moeder appellant] bij leven toestemming heeft verleend voor inzage in, dan wel afschrift van haar medisch dossier na overlijden, onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is hoe de machtiging van 21 september 2013, waarin is vermeld dat [moeder appellant] [appellant] machtigt om ‘na [haar] overlijden al [haar] medische gegevens, dossiers alsmede alle hiervoor niet genoemde medische informatie, gegevens en informatie van welke aard dan ook, op te vragen’ zich verhoudt tot de latere machtiging van 17 december 2015, waarin de machtiging uit 2013 tot het opvragen van het medisch dossier niet wordt herhaald. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat [moeder appellant] aan [geïntimeerde sub 2] blijk heeft gegeven niet door [appellant] overruled te willen worden en dat [appellant] heeft verhinderd dat zaken met betrekking tot de machtiging met [moeder appellant] werden besproken. Toestemming van [moeder appellant] kan ook niet worden verondersteld. Verder geldt dat als vaststaat dat toestemming is gegeven of moet worden verondersteld, nog geen sprake is van een plicht tot afgifte. [appellant] heeft niet gesteld wat zijn belang is bij afgifte van het gehele dossier en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende wijze van inzage. Het door [appellant] gestelde belang om de kwaliteit van het medisch handelen te laten toetsen door een (tucht)rechter, kan in voldoende mate worden gediend door een onafhankelijke huisarts het medisch dossier te laten inzien en concrete vragen van [appellant] over de behandeling te laten beantwoorden.

9. In hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, toewijzing van zijn vorderingen en veroordeling van [geïntimeerde sub 1] c.s. in de kosten.

Grieven 4 en 6

10. Het hof ziet aanleiding eerst grief 4 te bespreken, waarmee [appellant] zich keert tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.3) dat [appellant] zijn stelling dat [moeder appellant] bij leven toestemming heeft gegeven voor inzage dan wel afschrift van haar medisch dossier na overlijden, onvoldoende heeft onderbouwd.

11. Deze grief slaagt. De authenticiteit van de handtekening van [moeder appellant] onder de door [appellant] overgelegde machtiging van 21 september 2013 wordt bevestigd door een rapport van een handschriftkundig onderzoek door drs. [X] en ing. [Y] (prod. 25 in hoger beroep), waarvan de juistheid door [geïntimeerde sub 1] c.s. als zodanig niet wordt bestreden. De tekst van de machtiging van 21 september 2013 laat naar het oordeel van het hof geen ruimte voor twijfel dat hetgeen [appellant] in deze procedure vordert, door de verleende machtiging wordt bestreken. Wat de tekst van de machtiging betreft, betogen [geïntimeerde sub 1] c.s. weliswaar dat deze ‘te generiek’ is, maar zij laten na dit standpunt toe te lichten, althans voldoende te onderbouwen. Dit had wel op hun weg gelegen, gelet op hetgeen [appellant] heeft gesteld, onderbouwd met een verklaring van zijn broer (MvG, prod. 20), over de omstandigheden waaronder de machtiging is verleend (te weten: kort nadat [moeder appellant] had vernomen dat zij ongeneeslijk ziek was) en het doel van de machtiging (kort gezegd: zeker stellen dat medische fouten, anders dan bij haar moeder het geval was geweest, na haar overlijden aan de kaak konden worden gesteld). Die omstandigheden en dat doel zijn door [geïntimeerde sub 1] c.s. als zodanig niet weersproken. Wel plaatsen [geïntimeerde sub 1] c.s. vraagtekens bij de geloofwaardigheid van de verklaring van de broer van [appellant] , omdat deze broer niet is vermeld in de latere machtiging van 17 december 2015 waarover hij verklaart, en omdat de broer volgens [geïntimeerde sub 1] c.s. weet had van de dwingende houding van [appellant] . Deze omstandigheden leveren evenwel, wat daarvan verder ook zij, onvoldoende grond op om te kunnen dienen als gemotiveerde betwisting van de omstandigheden waaronder en het doel waarmee de machtiging van 21 september 2013 is verleend.

12. Het hof ziet in de machtiging van 17 december 2015, die alleen ziet op de medische behandelingen en beslissingen dienaangaande, geen grond om te veronderstellen dat [moeder appellant] mogelijk de op 21 september 2013 verleende toestemming tot het na haar overlijden opvragen van haar medisch dossier heeft ingetrokken. Dat wordt niet anders wanneer ondanks de betwisting door [appellant] zou moeten worden aangenomen dat [moeder appellant] aan [geïntimeerde sub 2] te kennen heeft gegeven niet door [appellant] overruled te willen worden en dat [appellant] heeft verhinderd dat zaken met betrekking tot de machtiging van 17 december 2015 met [moeder appellant] werden besproken. Die gestelde omstandigheden betreffen immers slechts de medische behandeling van [moeder appellant] en de vraag of zij inderdaad wilde dat [appellant] daarin verregaande beslissingen mocht nemen, zelfs als zij zich daarover anders zou uiten. Het hof heeft er begrip voor dat [geïntimeerde sub 2] daarover met [moeder appellant] wilde spreken. Of [appellant] dit werkelijk heeft verhinderd en, zo ja, met welke reden, acht het hof thans niet van belang. Voor zover [geïntimeerde sub 1] c.s. hebben willen suggereren dat [appellant] de handtekening onder de machtiging van 17 september 2015 kan hebben vervalst of afgedwongen, merkt het hof op dat daarmee niet wordt afgedaan aan de authenticiteit van de handtekening onder de machtiging van 21 september 2013. Evenmin ziet het hof daarin grond – mede gelet op hetgeen is gebleken over de kritische houding van [moeder appellant] tegenover eerdere hulpverleners (o.a. prod. 15 bij MvG) en op het feit dat zij ook volgens [geïntimeerde sub 1] c.s. tijdens leven steeds wilsbekwaam is geweest – om te twijfelen of de machtiging van 21 september 2013 door [moeder appellant] is gewild. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] c.s. pas na overlijden kennis hebben kunnen nemen van de machtiging van 21 september 2013, en [geïntimeerde sub 2] daarover derhalve met [moeder appellant] niet heeft kunnen spreken, maakt het voorgaande niet anders.

13. Met grief 6 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat toestemming door [moeder appellant] voor inzage in haar medisch dossier ook niet kan worden verondersteld. Het slagen van grief 4 brengt mee dat [appellant] bij grief 6 geen belang heeft.

Grieven 1, 7, 8 en 9

14. Met grief 1 bestrijdt [appellant] (onder meer) de overweging in rov. 4.1 van het bestreden vonnis dat de inbreuk op het beroepsgeheim niet verder mag gaan dan gerechtvaardigd wordt door het belang van degene die om inzage/afschrift verzoekt. Grief 7 keert zich tegen de overweging in rov. 4.6 dat indien vast zou staan dat [moeder appellant] hem heeft gemachtigd om al haar medische gegevens op te vragen (dan wel indien toestemming hiertoe moet worden verondersteld), daaruit nog niet zonder meer volgt dat het gevorderde kan worden toegewezen. Voorts keert deze grief zich tegen de overweging dat [appellant] niet heeft gesteld wat zijn belang is bij afgifte van het hele dossier en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende wijze van inzage. Grief 8 bestrijdt het oordeel (rov. 4.8) dat het belang van [appellant] om de kwaliteit van het medisch handelen te laten toetsen door een (tucht)rechter in voldoende mate wordt gediend door een onafhankelijke (huis)arts het medisch dossier te laten inzien met het verzoek antwoord te geven op concrete vragen van [appellant] ten aanzien van de behandeling van zijn moeder. Met grief 9 bestrijdt [appellant] de overweging (rov. 4.8) dat een verdergaand recht op inzage/afschrift het beroepsgeheim in belangrijke mate zou kunnen uithollen, hetgeen het algemeen belang niet ten goede komt.

15. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

16. Te beantwoorden is de vraag of in een geval waarin vaststaat dat een patiënt, zoals in deze zaak [moeder appellant] , toestemming heeft verleend voor het opvragen en inzien van haar medisch dossier na haar overlijden (en deze toestemming niet te generiek is), de arts van wie op grond van deze toestemming inzage en afschrift wordt verzocht verplicht is daaraan zonder meer volledig te voldoen, dan wel slechts indien en voor zover de verzoeker daarbij een al dan niet zwaarwegend belang heeft.

17. Het hof neemt hierbij tot uitgangspunt de navolgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1201:

“3.6 (…) Art. 7:457 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hulpverlener ervoor zorg draagt dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 7:454 BW, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken, niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.

3.7

Met zijn oordeel dat er voor de doorbreking van de geheimhoudingsplicht zwaarwegende aanwijzingen moeten bestaan, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het onderhavige belang van geheimhouding, op de gronden die het Hof daartoe heeft gebezigd, van zodanig gewicht is dat daarop slechts inbreuk kan worden gemaakt, indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden. Dit oordeel geeft, aldus verstaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

18. Uit deze overwegingen volgt niet dat degene die met toestemming van de patiënt na diens overlijden verzoekt om afschrift dan wel inzage, daarvoor een zwaarwegend belang moet hebben. De beslissing is immers toegesneden op hetgeen het hof in die procedure had overwogen over het belang van geheimhouding en de daartoe door het hof gebezigde gronden, te weten het belang dat zieken niet van het inroepen van medische hulp worden weerhouden door vrees voor openbaarmaking van hun vertrouwelijke gegevens wanneer de geheimhouding daarvan, ook na overlijden, niet zou zijn zeker gesteld. Wanneer de patiënt – zoals in de onderhavige zaak, maar anders dan in de zaak uit 2001 – toestemming voor inzage heeft verleend, is deze voorwaarde voor doorbreking van de geheimhouding dan ook niet aan de orde. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat ook in de KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens, mei 2018”, waarop beide partijen zich beroepen, het geval dat de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven en het geval dat daarvoor een zwaarwegend belang bestaat worden genoemd als naast elkaar staande uitzonderingen op het beroepsgeheim na overlijden (prod. 6 bij inleidende dagvaarding, p. 75). Hetzelfde valt af te leiden uit de Wet van 5 juni 2019, Staatsblad 2019, 224 (nog niet in werking getreden), waarmee een wettelijke regeling is getroffen voor het inzagerecht in het medisch dossier voor een overleden patiënt. In art. 7:458a lid 1 BW (nieuw) worden schriftelijke toestemming van de overledene en het geval dat bij inzage een zwaarwegend belang bestaat als zelfstandige, niet-cumulatieve, gronden voor het recht op inzage genoemd.

19. Nu tussen partijen vaststaat dat [moeder appellant] toestemming heeft verleend aan [appellant] om haar medische dossier op te vragen, heeft [appellant] in beginsel recht op inzage en afschrift van het gehele dossier. Er bestaat geen grond om ervan uit te gaan dat het recht op inzage of afschrift door [appellant] niet verder mag gaan dan gerechtvaardigd wordt door het belang van [appellant] , dat het daarom aan [appellant] is om duidelijk te maken wat zijn belang is bij afgifte van het hele dossier en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende wijze van inzage. [geïntimeerde sub 1] c.s. hebben voorts niet aangevoerd dat zij dit recht op andere hiervoor in 17 genoemde gronden mogen inperken. De grieven 1, 7, 8 en 9 slagen derhalve.

Grieven 2 en 3

20. Met grief 2 keert [appellant] zich tegen de overweging van de rechtbank (rov. 4.2) dat vaststaat dat het medisch dossier, behoudens voor zover dat ziet op het dossier van huisarts [naam huisarts] , in handen is van [appellant] . Grief 3 bestrijdt de overweging (rov. 4.2) dat voor zover de vordering ziet op afgifte van andere stukken dan het dossier van huisarts [naam huisarts] (dat de periode 2007-2013 beslaat), de vordering zal worden afgewezen nu [appellant] daarbij geen belang heeft.

21. Deze grieven slagen. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] reeds de beschikking heeft over de stukken die [geïntimeerde sub 1] c.s. kort voor het overlijden van [moeder appellant] aan haar hebben verstrekt (die zagen op de periode van 7 september 2015 tot 11 januari 2016). De rechtbank is er met [geïntimeerde sub 1] c.s. van uitgegaan dat [appellant] voorts beschikt over de specialistenbrieven die [appellant] eerder namens zijn moeder aan [geïntimeerde sub 1] c.s. had verstrekt. Bij memorie van grieven stelt [appellant] echter dat hij destijds geen kopieën van deze specialistenbrieven heeft behouden. Nu [geïntimeerde sub 1] c.s. dit niet hebben weersproken, staat dit vast. [geïntimeerde sub 1] c.s. voeren wel aan dat nu [appellant] zelf stelt dat andere artsen wel alle gevraagde gegevens hebben verstrekt, [appellant] derhalve geen belang meer heeft een kopie van het dossier van [geïntimeerde sub 1] c.s. te verkrijgen. Dit verweer faalt omdat, zoals [appellant] onweersproken heeft gesteld, hij niet weet wat er precies in het dossier hoort te zitten en daardoor niet precies kan aangeven wat er ontbreekt aan de stukken waarover hij reeds beschikt. Welke stukken zich precies in het dossier bevinden en over welke daarvan [appellant] reeds beschikt, valt voor het hof evenmin vast te stellen. Nu het recht op inzage en afschrift in beginsel betrekking heeft op het gehele medisch dossier, doet dat voor de door het hof te nemen beslissing ook niet ter zake.

De overige grieven

22. Grief 5 behoeft gegeven deze uitkomst geen verdere bespreking.

23. Met grief 10 komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank om geen dwangsom te verbinden aan de veroordeling. Volgens [appellant] is er wel degelijk aanleiding om te veronderstellen dat [geïntimeerde sub 1] c.s. niet kunnen of zullen overgaan tot het verstrekken van een kopie van het volledige medisch dossier en wordt ook ernstig betwijfeld of [geïntimeerde sub 1] c.s. wel beschikken over een compleet medisch dossier.

24. Grief 10 faalt. Voor zover [geïntimeerde sub 1] c.s. niet kunnen voldoen aan de veroordeling doordat zij stukken moeten afgeven waarover zij niet beschikken, is er geen grond voor oplegging van een dwangsom. Voor het overige ziet het hof geen reden om aan te nemen dat [geïntimeerde sub 1] c.s. zonder oplegging van een dwangsom niet bereid zullen zijn aan de beslissing van het hof gevolg te geven.

25. Grief 11 is een zogenoemde veeggrief, die niet afzonderlijk is toegelicht en evenmin bespreking door het hof behoeft.

26. Door geen van partijen is in hoger beroep een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan met betrekking tot stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Het hof komt dan ook niet aan bewijslevering toe.

Slotsom

27. De bestreden beslissing kan niet in stand blijven. De vorderingen van [appellant] zullen worden toegewezen als hierna vermeld, waarbij nog wordt opgemerkt dat [geïntimeerde sub 1] c.s. niet nogmaals afschrift hoeven te verstrekken van de hiervoor in 21 bedoelde stukken die zij reeds aan [moeder appellant] hebben verstrekt. Het hof ziet aanleiding om de termijn voor het verstrekken van afschrift te stellen op vier weken na het wijzen van dit arrest. Bij deze stand zaken zullen [geïntimeerde sub 1] c.s. als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld – hoofdelijk als gevorderd – in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2018,

en, opnieuw recht doende,

- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] c.s. hoofdelijk om binnen vier weken na de dagtekening van dit arrest aan [appellant] een afschrift te verstrekken van het complete medische dossier van mevrouw [moeder appellant] (geboortedatum [geboortedatum]), met uitzondering van de stukken die zij reeds aan [moeder appellant] hebben verstrekt;

- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 373,81 aan verschotten en € 904,- aan salaris advocaat;

- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 416,01 aan verschotten en € 2.685,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, M.J. van Cleef-Metsaars en B.J. Lenselink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.