Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:2051

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
200.217.818/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Gestelde diefstal van apparatuur uit auto. Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.217.818/01

Zaaknummer rechtbank : 5749854 RL EXPL 17-5211

arrest van 13 augustus 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. D. Marcus te Rijen,

tegen

Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. N.M. Strous te Amsterdam.

Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 13 november 2018, waarbij een bewijsopdracht aan [appellant] is gegeven. Het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 8 mei 2019. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Partijen hebben vervolgens afgezien van verdere stukkenwisseling en opnieuw arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. In zijn arrest van 13 november 2018 heeft het hof [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat op 11 mei 2016 is ingebroken in de auto, waarbij onder meer een airbag, een navigatiesysteem en een kachel zijn gestolen, en dat hij schade heeft geleden als gevolg van de gestelde inbraak op 11 mei 2016 ter grootte van € 3.778,04.

2. [appellant] heeft twee getuigen voorgebracht, te weten zichzelf (als partijgetuige) en zijn echtgenote mevrouw [y] . Aegon heeft harerzijds afgezien van contra-enquête.

3. Het hof stelt bij de beoordeling van de afgelegde getuigenverklaringen voorop dat [appellant] geldt als partijgetuige. Nu op [appellant] de bewijslast rust, kunnen zijn verklaringen ingevolge art. 164 lid 2 Rv slechts strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs, waarvan alleen sprake is als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring(en) voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592). Met inachtneming hiervan overweegt het hof in het kader van de bewijswaardering als volgt.

4. [appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard.

Hij was op 11 mei 2016 met zijn vrouw op de scooter naar vrienden van hen gegaan. Toen hij weg ging stond de auto voor de deur geparkeerd. Hij heeft die auto toen nog gezien en er was niets bijzonders aan te zien. Toen hij een tijdje later terugkwam zag hij dat de ruit aan de bestuurderszijde eruit lag. Ook zag hij dat het navigatiesysteem, de kachel en de airbag er niet meer waren. Bovendien zag hij dat het handschoenenkastje was doorzocht. Dat stond open. Er lagen glasscherven. Diezelfde dag is zijn vrouw nog naar Carglass gegaan om er een nieuwe ruit in te laten zetten. Hij heeft een factuur van die reparatie gezien (productie 10 bij de akte van 24 augustus 2017). Hij denkt dat hij op de dag van de inbraak een viertal foto’s heeft gemaakt (productie 6 bij de akte van 24 augustus 2017). Op die foto’s is ook glas te zien. Op de laatste foto is te zien dat hij (de getuige) op de reflectie van de auto staat. Hij blijft erbij dat die foto’s zijn gemaakt nadat deze inbraak in de auto heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Hij heeft altijd een Samsung telefoon gehad. Deze vier foto’s zijn alle vier achter elkaar genomen na de voornoemde inbraak. Na deze inbraak op 11 mei 2016 zijn er geen nieuwe kachel, airbag en navigatiesysteem in de auto geplaatst. Dat is wel gebeurd na een eerdere inbraak.

5. De getuige [y] heeft onder meer verklaard als volgt.

Samen met haar echtgenoot ( [appellant] ) was zij aan het einde van de ochtend op 11 mei 2016 van huis gegaan en zijn zij samen op de scooter bij vrienden van hen op bezoek gegaan. Toen zij van huis ging heeft zij de auto zien staan, die voor hun deur geparkeerd stond. Zij heeft toen niets bijzonders aan die auto gezien. Toen zij en haar man ergens die middag met de scooter terug kwamen bij hun huis, zag zij wederom de auto geparkeerd staan. Haar man wees haar er toen op, en zij zag het ook zelf, dat er een ruit uit die auto was. Zij zag ook glasscherven liggen. Ook zag zij dat de airbag, het navigatiesysteem en de kachel zich niet meer in die auto bevonden.

De aan haar getoonde vier foto’s (productie 6 bij de akte van 24 augustus 2017) heeft zij niet eerder gezien. Dat zijn foto’s van haar auto nadat de ruit eruit was, zoals zij heeft verklaard. Zij herkent op de eerste foto haar huis in de reflectie van die auto op de foto. Verder herkent zij op de derde foto een rood signaal op het dashboard, dat aangeeft dat de deur geopend is en ook herkent zij op de tweede foto de versnellingsbak van haar auto. Nadat zij had waargenomen dat haar auto was beschadigd, is zij naar binnen gegaan. Zij heeft die foto’s niet genomen. Zij is na dit voorval alleen naar Carglass gegaan om de gebroken ruit te laten repareren. Dat is diezelfde dag nog gedaan. Zij heeft die dag iets van een brief meegekregen van die reparatie. Verder heeft zij zich niet met deze zaak beziggehouden voor wat betreft de verzekering en/of de nasleep van de schade. Zij weet dat de auto na deze inbraak ook verder nog is hersteld, dat wil zeggen dat er opnieuw een navigatiesysteem, kachel en een airbag in de auto zijn geplaatst. Dat zal haar man geregeld hebben, daar heeft zij zich verder niet mee beziggehouden en zij weet niet bij wie dat is gebeurd. De auto is nog steeds in haar bezit.

Zij kan geen verklaring geven voor het feit dat de - haar getoonde - factuur van Carglass van 12 mei 2016 (productie 10 bij de akte van 24 augustus 2017) een datum heeft die één dag later is dan het voorval van 11 mei 2016. Op de vraag of vóór 11 mei 2016 er een navigatiesysteem, kachel en airbag in de auto waren ingebouwd, heeft zij bevestigend geantwoord.

6. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat op 11 mei 2016 is ingebroken in de auto, waarbij onder meer een airbag, een navigatiesysteem en een kachel zijn gestolen. De partijgetuigenverklaring van [appellant] , die inhoudt dat die inbraak en diefstal op die dag hebben plaatsgevonden, wordt niet ondersteund door bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij deze verklaring voldoende geloofwaardig maken. Daarbij speelt een rol dat de getuigen geen afdoende verklaring hebben kunnen geven voor enkele opmerkelijke feiten en omstandigheden die aanleiding zijn voor de nodige twijfel. Het hof doelt daarbij op het feit dat uit de metadata bij de - volgens [appellant] - vlak na elkaar met dezelfde Samsung telefoon gemaakte foto’s van de auto (productie 6 bij de akte van de 24 augustus 2017) blijkt dat bij twee van de vier foto’s de datum is weggehaald (zie hierna onder 8), en het korte tijdsverloop tussen de foutcodes in het computersysteem van de auto en het tijdstip waarop de foto's volgens de metadata zouden zijn gemaakt (zie hierna onder 9). Bij het voorgaande komt dat [appellant] in januari 2016 precies een zelfde soort schade heeft gemeld naar aanleiding van een door hem gestelde diefstal uit de auto van een navigatiesysteem, airbag en kachel. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij na die diefstal een nieuw navigatiesysteem, een nieuwe airbag en kachel heeft laten inbouwen, en dat die (nieuwe) onderdelen zich dus ten tijde van de diefstal op 11 mei 2016 in de auto bevonden, heeft [appellant] een factuur overgelegd van [naam bedrijf] in [vestigingsplaats] ( ETD ) van 28 januari 2016. Aegon heeft daarover onder meer opgemerkt (conclusie van antwoord in eerste aanleg, punt 33 e.v.) dat uit de website van ETD en een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet blijkt dat ETD zich bezig houdt met reparatie van auto’s, dat niet aannemelijk is dat [appellant] de factuur contant heeft betaald van een bedrag van € 5.000,- dat hij tweeëneenhalve maand eerder heeft gepind, zoals [appellant] heeft gesteld, dat [Z] van ETD wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van de ingebouwde apparatuur, dat de door [naam bedrijf] overgelegde factuur van A12 Automarkt van de aangeschafte onderdelen door Dekra vals is bevonden en dat [naam bedrijf] vervolgens niet meer wilde meewerken aan verder onderzoek door Dekra. Ook voor die bevindingen hebben de getuigen geen verklaring gegeven.

7. Het hof stelt voorts vast dat [y] een eigen belang heeft bij de uitkomst van deze zaak, zodat alleen haar verklaring, waaruit op zich het plaatsvinden van de inbraak en diefstal op de genoemde dag kan worden afgeleid, niet voldoende steunbewijs oplevert. Daar komt bij dat haar verklaring ten dele afwijkt van de verklaring van [appellant] , wat afdoet aan de geloofwaardigheid van diens verklaring. Terwijl [appellant] heeft verklaard dat na de (beweerde) inbraak en diefstal op 11 mei 2016 niet opnieuw een airbag, een navigatiesysteem en een kachel in de auto zijn geplaatst, heeft [y] verklaard dat dit wel is gebeurd. Dat zijn echtgenote zich hierin vergist zou hebben, zoals [appellant] als getuige heeft geopperd, acht het hof niet aannemelijk, nu zij tevens heeft verklaard dat de auto thans nog in haar bezit is. Hierdoor kan zij uit eigen wetenschap verklaren over de huidige staat van de auto (dat wil zeggen met of zonder de bedoelde spullen). Bovendien heeft [y] in haar schriftelijke verklaring (productie 12 bij de memorie van grieven) met zoveel woorden verklaard dat er (na de inbraak en de reparatie bij Carglass) uiteindelijk bij ETD weer nieuwe spullen zijn ingebouwd, hetgeen evenmin duidt op het maken van vergissing tijdens het afleggen van haar getuigenverklaring. Verder wijst het hof er nog op dat [appellant] een schriftelijke verklaring van [X] heeft overgelegd (productie 12 bij memorie van grieven) waarin is vermeld dat hij ( [X] ) [appellant] heeft gebracht naar zijn auto om deze weer op te halen nadat (door ETD ) de airbag, navigatie en kachel weer waren ingebouwd. Ook dit strookt niet met de getuigenverklaring van [appellant] dat na de onderhavige (beweerde) inbraak van 11 mei 2016 (juist) niet opnieuw een airbag, navigatie en kachel zijn ingebouwd.

8. Verder acht het hof van belang dat de getuige [appellant] tijdens zijn verhoor desgevraagd geen genoegzame verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat door de onderzoeker van Aegon van de metadata bij de foto’s die [appellant] stelt na de inbraak en diefstal van 11 mei 2016 te hebben gemaakt, is geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat hij achteraf bij twee foto’s (foto’s 2 en 3) de opnamedatum (“date taken”) heeft verwijderd, en dat daarom ook de kans aanwezig is dat hij de opnamedatum van de andere twee foto’s (foto’s 1 en 2) achteraf heeft aangepast. De enkele verklaring van [appellant] dat hij geen idee heeft hoe je de opnamedata zou moeten aanpassen acht het hof, gelet op de bevindingen uit het onderzoek naar de metadata, niet geloofwaardig.

9. Ook acht het hof van belang dat de getuige [appellant] tijdens zijn verhoor desgevraagd geen genoegzame verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat er maar heel weinig tijd (te weten 3 à 4 minuten) is gelegen tussen de tijdstippen van de foutcodes (als opgemeten in het CAN G2 systeem van de auto) en de opnametijdstippen van een aantal van de foto’s (foto’s 1 en 2) van de (beweerde) inbraakschade die [appellant] (volgens zijn verklaring) na de diefstal heeft genomen. Blijkens het rapport van Dekra (productie 4 bij inleidende dagvaarding, blz. 4) hebben die foutcodes te maken met het verwijderen van de airbag en de navigatiemodule (hetgeen op zichzelf onweersproken is).

Het voorgaande betekent dat de inbrekers binnen een tijdsbestek van 3 à 4 minuten de mogelijkheid zouden hebben gehad om een navigatiesysteem, een kachel en een airbag uit de auto te halen en zich vervolgens uit de voeten te maken voordat zij (door de op de scooter thuis komende [appellant] en zijn vrouw) zouden worden opgemerkt, en dat [appellant] en zijn vrouw vervolgens nog de tijd zouden hebben gehad om hun scooter te parkeren en de schade aan de auto te bekijken en nog foto’s daarvan te nemen. Dat dit alles slechts 3 à 4 minuten in beslag zou hebben genomen, acht het hof zeer onwaarschijnlijk. Ten slotte is het hof, met Aegon, van oordeel dat het ook al onaannemelijk is dat de (eventuele) daders het risico zouden nemen om overdag op straat (in een woonwijk) in te breken in de vlak voor de woning van [appellant] geparkeerde auto, die was uitgerust met een volwaardig alarmsysteem (dat naar [appellant] zelf stelt in werking was), en daarbij ook nog eens een ruit in te slaan.

10. Nu [appellant] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat op 11 mei 2016 is ingebroken in de auto als voormeld, behoeft de bewijsopdracht met betrekking tot de (hoogte van de door hem gestelde) schade geen behandeling meer.

11. De conclusie is dat de grieven van [appellant] niet kunnen slagen en dat het bestreden vonnis – met aanvulling van gronden – zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten als in het dictum vermeld.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Aegon begroot op € 716,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.897,50 aan salaris advocaat (2,5 punt in tarief I), en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, M.J. van der Ven. en J. van der Kluit, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.