Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1993

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.255.302/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:15880
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:14281
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Interregionale bevoegdheid, toepassing art.3 lid 1 Brussel II-bis en gewone verblijfplaats verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/107 met annotatie van Sumner, I.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 juli 2019

Zaaknummer : 200.255.302/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 18-5466

Zaaknummer rechtbank : C/09/557352

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [land] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.E.M. Molenaar te Alkmaar.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 februari 2019 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2018 van de rechtbank Den Haag (hierna: de bestreden beschikking).

De vrouw heeft op 5 april 2019 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 25 maart 2019 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 21 mei 2019 een journaalbericht van 20 mei 2019 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- een brief van 20 mei 2019 met bijlage, ingekomen bij het hof op 22 mei 2019.

De zaak is op 5 juni 2019 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 21 november 2018 van de rechtbank Den Haag en de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 21 november 2018 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk nader uit te laten over de bevoegdheid van de rechtbank. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de echtscheiding is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    partijen zijn gehuwd [in] 2013 te [plaats] ;

  • -

    zij zijn de ouders van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren [in] 2014 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige);

  • -

    de man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit;

  • -

    bij beschikking van 18 juli 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de verzoeken van de vrouw tot het vaststellen van een voorlopige zorg- en informatieregeling kennis te nemen;

  • -

    blijkens een uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen (BRP) heeft de man zich op 8 juni 2018 ingeschreven op een Nederlands adres.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de echtscheiding.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, kosten rechtens, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het door de vrouw in eerste aanleg gedane verzoek om de echtscheiding uit te spreken alsnog af te wijzen, tenzij partijen geraken tot een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan, althans te beslissen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht.

3. De vrouw bestrijdt het beroep. Zij verzoekt het hof om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de man ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bevoegdheid

4. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen, is er een van interregionaal privaatrecht, aangezien de vrouw met de minderjarige op [land] woont en de man in Nederland. Bij de beantwoording van deze vraag dient Hoge Raad
2 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1063) tot uitgangspunt te worden genomen. Teneinde de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in interregionale kwesties te beoordelen, moet zoveel mogelijk bij de bevoegdheidsbepalingen die op het terrein van het internationaal privaatrecht gelden, aansluiting worden gezocht. De gronden waarop de Nederlandse rechter zich naar internationaal privaatrecht bevoegd kan verklaren om van een echtscheidingsverzoek kennis te nemen, zijn in art. 3 Verordening Brussel II-bis neergelegd.

5. Uit art. 3 lid 1 sub a derde streepje Verordening Brussel II-bis volgt dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van een echtscheidingsverzoek kennis te nemen, indien de verweerder ten tijde van de indiening ervan zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, is het vaste rechtspraak dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ als volgt dient te worden uitgelegd: ‘De plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn.’ De rechtbank heeft vastgesteld dat de man ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Tegen dit oordeel is geen grief gericht.

6. De man betoogt dat de Nederlandse rechter desondanks niet bevoegd is om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen, omdat hij niet gedurende zes maanden voorafgaand aan de indiening ervan zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, maar korter. Dit betoog faalt. Naar het oordeel van het hof moet art. 3 lid 1 sub a derde streepje Verordening Brussel II-bis aldus worden uitgelegd dat de internationale bevoegdheid van de rechter die daaruit voortvloeit, onafhankelijk is van de duur van de periode voorafgaand aan de indiening van het echtscheidingsverzoek gedurende welke de verweerder zijn gewone verblijfplaats in de lidstaat van die rechter had. Ten eerste stelt de tekst van die bepaling geen nadere voorwaarden aan de rechtsmacht om van een echtscheidingsverzoek kennis te nemen, anders dan dat de verweerder ten tijde van de indiening ervan zijn gewone verblijfplaats in de lidstaat van het betreffende gerecht heeft. Ten tweede wordt het in art. 3 lid 1 sub a derde streepje Verordening Brussel II-bis vervatte forum rei doorgaans als een natuurlijke grondslag voor internationale bevoegdheid aangemerkt. Tegen die achtergrond worden geen aanvullende voorwaarden gesteld aan de internationale bevoegdheid van de rechter op grond van dit aanknopingscriterium. Dit in tegenstelling tot de internationale bevoegdheid die is gebaseerd op het aanknopingscriterium dat in art. 3 lid 1 sub a vijfde en zesde streepje Verordening Brussel II-bis wordt gehanteerd: het forum actoris. De gewone verblijfplaats van de verzoeker wordt doorgaans als een ‘exorbitante’ bevoegdheidsgrondslag aangemerkt, zodat het pas geeft om aan de rechtsmacht die daarop gebaseerd is, extra eisen te verbinden, zoals een bepaalde tijdsduur van het verblijf van de verzoeker in de betrokken lidstaat. Ten derde is het misbruikrisico dat deze interpretatie van art. 3 lid 1 sub a derde streepje Verordening Brussel II-bis volgens de man met zich brengt, niet daadwerkelijk te duchten. Voor het aannemen van internationale bevoegdheid zal doorgaans onvoldoende zijn dat de verweerder aldaar zeer korte tijd verblijft. De term ‘gewone verblijfplaats’ impliceert immers dat het verblijf een duurzaam karakter heeft.

7. Op basis van het bovenstaande acht het hof zich bevoegd om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen.

Echtscheiding

8. De man stelt zich voorts op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken, omdat het verzoekschrift niet een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan bevat.

9. De vrouw stelt dat het niet mogelijk was om samen met de man tot een ouderschapsplan te komen.

10. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (lid 6). Naar het oordeel van het hof is ook in hoger beroep gebleken dat de verhouding van partijen ten tijde van het echtscheidingsverzoek zo slecht was dat het niet mogelijk was om gezamenlijk tot een ouderschapsplan te komen. Partijen nemen dermate tegenstrijdige standpunten in over de invulling van de zorgregeling dat niet te verwachten is dat zij tot dit ouderschapsplan kunnen komen. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar echtscheidingsverzoek. Nu de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk ook in hoger beroep niet is bestreden en in rechte vaststaat, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

Proceskosten

11. Partijen zijn ex-echtgenoten. Het hof zal daarom de proceskosten in beide instanties compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.I.M. Ydema, P.B. Kamminga en S.H.M. van der Heiden, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2019.