Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1975

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
2200178318
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:540
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar voor het plegen van een moord in 2016 in Leiden. Het slachtoffer is op klaarlichte dag op straat in zijn woonomgeving met een pistoolmitrailleur om het leven gebracht door 2 mannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001783-18

Parketnummer: 09-857430-16

Datum uitspraak: 23 juli 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 25 januari, 27 juni, 2 juli en 9 juli 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en is een beslissing genomen omtrent het beslag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2016 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, met een automatisch vuurwapen, op die [slachtoffer] geschoten tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] dient volledig te worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] dient voor het volledige oorspronkelijk gevorderde bedrag, te weten

€ 10.000, te worden toegewezen en ten aanzien van het overige, verhoogde, deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel dient ten aanzien van het gehele in hoger beroep gevorderde bedrag de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. Op het beslag dient te worden beslist conform de beslissing van de rechtbank.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2016 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, met een automatisch vuurwapen, op die [slachtoffer] geschoten tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelenbijlage zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De overwegingen van het hof omtrent het bewijs

1. Het schietincident op 14 juni 2016

Op 14 juni 2016 is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) kort voor zes uur ’s avonds op de Gieterijstraat in Leiden neergeschoten. Eerder die middag heeft [slachtoffer], die op het nabijgelegen adres [adres] woonde, in de omgeving van zijn woning rondgelopen en rondgereden. Uit onderzoek door de politie is het volgende gebleken. [Slachtoffer] is omstreeks 15.31 uur zichtbaar op camerabeelden van de SNS-bank, hij loopt dan in de richting van de Hema en weer terug op 15.37 uur en omstreeks 15.44 uur op camerabeelden van de Shell terwijl hij vanuit de richting van het winkelcentrum in de richting van de Rooseveltstraat loopt. [Getuige A], die een bedrijf heeft op het Vijf Meiplein, heeft [slachtoffer] kort voor het schietincident - naar schatting 15 tot 20 minuten er voor - zien lopen vanuit de richting van de Bart Smit winkel in de richting van New York Pizza. Om 17.17 uur tankt [slachtoffer] bij het tankstation van de Shell. Om 17.22.47 uur loopt [slachtoffer] de AH winkel in en verlaat deze om 17.33.39 uur, waarna hij om 17.34.20 uur de HEMA ingaat en deze om 17.41.09 weer uitloopt. [Slachtoffer] rijdt dan met de auto weg, over de Kuipers-Rietbergstraat, langs Snackbar Vijf Mei en linksaf de Rooseveltstraat in de richting van de rotonde omstreeks 17.51 uur.

De surveillance eenheid die na de bij de politiekamer van de eenheid Den Haag omstreeks 17.56 uur binnengekomen melding ter plaatse is gestuurd treft het slachtoffer aan op de Gieterijstraat met de voeten richting Rooseveltstraat en met het hoofd richting de Fitterstraat. [Slachtoffer] is ondanks meerdere operaties op 16 juni 2016 omstreeks 03.30 uur in het Leids Universitair Medisch Centrum overleden. Op 17 juni is door de patholoog dr. A. Maes sectie verricht op het stoffelijk overschot. Bij de sectie zijn circa 33 bij leven opgelopen perforaties waargenomen met het aspect van schotverwondingen, overeenkomend met 5 inschotverwondingen en circa 13 doorschotverwondingen. Tevens zijn 5 projectielen en enkele projectieldelen in het lichaam aangetroffen. De conclusie van de sectie luidt dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen schotwonden.

2. Getuigen

Het schietincident is waargenomen door getuigen. Kort na het schietincident en in de periode daarop volgend zijn meerdere getuigen gehoord. Een aantal getuigen is later nog door de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris gehoord in aanwezigheid van de verdediging.

[Getuige 1] reed op 14 juni 2016 omstreeks 17.50 uur op de fiets op de Rooseveltstraat ter hoogte van de Gieterijstraat over de eerste verkeersdrempel. Zij verklaart dat zij daar een busje zag staan met de voorzijde richting het Kiljanpad en de Telderskade. Toen zij over de tweede drempel was gefietst hoorde zij het geluid van wat zij als ‘bommetjes’ aanduidt. Toen zij omkeek zag zij een persoon staan met een machinegeweer. Zij schat de afstand toen zij het geluid hoorde en voor het eerst omkeek op 20 meter. Die persoon liep vervolgens het busje in. Een andere persoon draaide om het busje heen om in te stappen. Het busje reed weg in de richting van het Kiljanpad. De getuige omschrijft de schutter als een jonge, in het zwart geklede man met iets over zijn hoofd en een met iets zwarts bedekt gezicht; zij schat zijn lengte op 1,85 meter. Ook de andere persoon beschrijft zij als een man met zwarte kleding. Nadat zij het busje weg heeft zien rijden is zij een stukje doorgefietst en is vervolgens teruggefietst. Bij de rechter-commissaris verklaart zij dat het voorbij rijden, het horen van het geluid en het terugrijden bij elkaar 2 of 3 minuten heeft geduurd. Ze dacht dat het een Volkswagenbusje was gelet op haar waarneming van een rond teken daarop. De jongen die aan de rechterkant instapte, stapte volgens haar meer in het midden van het busje in. Zij heeft het busje stil zien staan bij het Kiljanpad.

[Getuige 2] zat buiten voor zijn huis aan de [adres] toen hij uit het niets harde geluiden hoorde die klonken als ‘Tak-Tak-Tak-Tak. Hij liep naar het geluid toe en keek op de kruising van de Gieterijstraat en de Fitterstraat de Rooseveltstraat in. Op een afstand van ongeveer 30 meter zag hij een auto met daarin twee mannen die aan het schreeuwen waren; een van die mannen riep iets in de zin van ‘Weg hier’. De auto reed weg over de Rooseveltstraat in de richting van de Telderskade.

De dochter van [getuige 2], [getuige 3], is eveneens als getuige gehoord. Zij was voor het raam in haar slaapkamer op de tweede etage van de woning aan het appen met vriendinnen om 17.55 uur en toen zij naar buiten keek zag zij een zwart busje staan op ongeveer 150 meter afstand. Uit het busje stapte een man met een langwerpig voorwerp in zijn hand. Nadat er op het slachtoffer was geschoten vanaf een afstand van ongeveer 2 tot 2,5 meter, draaide de man die schoot zich om en stapte in het busje. Ze hoorde dat de bestuurder riep ‘stap in’ of ‘kom nu’. Vervolgens reed het busje weg. De schutter stapte volgens de getuige aan de bijrijderskant het busje in.

[Getuige 4] kwam op 14 juni 2016 rond 18 uur met de auto thuis van zijn werk. Hem viel een zwarte Caddy op die daar geparkeerd stond. Die Caddy had geblindeerde ramen. Toen [getuige 4] binnen was in het kantoor aan de Rooseveltstraat nr. 20 zag hij op een afstand van nog geen drie meter de Caddy wegrijden in de richting van de Gieterijstraat. Nagenoeg direct daarna hoorde [getuige 4] knallen, een geluid als van een klopboor, tik, tik, tik, zo’n 5 keer of meer.

De getuigen [getuige 5] en [getuige 6] zaten op 14 juni 2016 tussen 17.00 en 18.00 uur in de jeep van [getuige 6] voor de flat Bella Rosa aan de Telderskade waar [getuige 5] woont. Vanuit de flat gezien stond hun auto het dichtst bij doorgaande weg in een parkeervak. De auto stond met de neus van dat voertuig naar de straatzijde toe. Zij stonden op het punt om weg te rijden toen [getuige 5] [getuige 6] ineens hoorde zeggen: ‘Moet je kijken er valt een kerel uit een auto’. [Getuige 5] keek in de richting van de Telderskade en zag een man met een bril en een bivakmuts op die links van hem kwam aanrennen. Die man rende over het trottoir op ongeveer een meter van de getuigen, achter hun auto langs. Gelijktijdig zag [getuige 5] een zwarte Volkswagen Caddy links van hem de straat in rijden. Omdat [getuige 5] het niet vertrouwde zei hij tegen [getuige 6] dat die moest gaan rijden. Hij heeft het kenteken van de Caddy onthouden. Hij heeft 112 gebeld met de mededeling dat er een scooter werd gestolen op de Telderskade en het kenteken van de Caddy doorgegeven. De man met de bivakmuts die achter de auto was gelopen is op de scooter weggereden over de weg van het Kiljanpad en vervolgens voor de flat van [getuige 5] langs in de richting van het fietspad. De zwarte Caddy stond voor een auto die op de oprit stond van een oude school gelegen aan het Kiljanpad. [Getuige 5] zag dat een persoon achter op de scooter stapte en dat de scooter met twee personen daarop wegreed over het fietspad in de richting van de Haagweg. Hij zag op dat moment geen andere mensen in de straat. De man met de bivakmuts was jonger dan [getuige 5] die 30 jaar oud is; de man was brildragend en had een blanke huidskleur. Hij was ongeveer even lang als [getuige 5] (1,80-1,85 meter), slank en hij droeg donkere kleding en schoenen. De persoon achterop de scooter was een man met volgens [getuige 5] donker krullend haar of bivakmuts, en naar diens gevoel in het zwart gekleed. Bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 5] dat hij naar het Caddy busje keek en zag dat die man eruit viel. Die persoon viel volgens hem uit de schuifdeur achter de passagierszijde van de Caddy en die persoon rende achter hem en [getuige 6] langs naar een scooter die op ongeveer 50 meter van hem en [getuige 6] afstond.

[Getuige 6] verklaart dat hij en [getuige 5] op 14 juni 2016 om ongeveer 17.55 uur in de auto zaten bij de parkeervakken voor de flat. [Getuige 6] was uitgestapt om aan de bijrijderskant de spiegel goed te zetten toen hij een geluid hoorde alsof er een rolluik dicht werd gedaan. Ineens zagen hij en [getuige 5] een zwart busje komen aanrijden hun kant op. De schuifdeur van dat busje ging open en [getuige 6] zag daar een persoon uit vallen die vervolgens op hem, [getuige 6], af rende. Die man was blank, hij droeg een bivakmuts en donkere kleding. [Getuige 6] zag in het gat bij de ogen van die bivakmuts iets glimmends dat hem deed denken aan een bril. Die man rende vervolgens om hem heen naar een scooter die daar bij de flat stond met de voorkant in de richting van de weg. Het busje werd geparkeerd schuin tegenover hem, [getuige 6], en [getuige 5] bij het schooltje. Toen [getuige 6] het parkeervak uitreed zag hij in zijn achteruitkijkspiegel op een afstand van 20 tot 24 meter een tweede persoon, de bestuurder van het busje, achterop de scooter springen. De bestuurder van het busje droeg donkere kleding en een bivakmuts. Beide personen reden op de scooter weg. Tussen het ‘rolluikgeluid’ dat [getuige 6] hoorde toen hij bij de spiegel aan de bijrijderskant van zijn eigen auto stond, en het moment dat het zwarte busje aan kwam rijden toen [getuige 6] bij zijn eigen (bestuurders)deur stond zaten misschien 10 seconden. [Getuige 6] heeft constant zicht gehad op de persoon die voorop de scooter ging zitten.

[Getuige 7], die als bezorger voor een apotheek op 14 juni 2016 aanwezig was in het appartementencomplex aan de Telderskade, heeft verklaard dat hij toen hij het complex uit kwam lopen een man aan zag komen met een bivakmuts op. Die man rende. [Getuige 7] zag naast de ingang van het appartementencomplex een scooter staan. De ingang en uitgang van het appartementencomplex is aan het Kiljanpad. [Getuige 7] zag dat de man gelijk op rende met een Caddy busje met het kenteken [---], dat [getuige 7] in zijn telefoon noteerde. Die scooter reed weg met een bestuurder van wie [getuige 7] geen haren zag, reden waarom het naar zijn, [getuige 7], beleving dezelfde was als de man met de bivakmuts op die hij aan had zien komen rennen. De scooter reed weg in de richting waar het Kiljanpad overgaat in het fietspad. [Getuige 7] heeft vervolgens de politie gebeld om 17.56 uur. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris heeft [getuige 7] verklaard dat hij de politie heeft gebeld omdat hij wat hij zag heel raar vond. Die persoon rende voorbij met iets op zijn hoofd en hij was met die scooter aan het klooien. [Getuige 7] heeft op een plattegrond aangegeven waar hijzelf, de scooter en de Caddy stonden en hoe die persoon rende.

[Getuige 8] reed op de scooter op de Rooseveltstraat met helm op. Hij heeft bij het tweede zijstraatje het slachtoffer zien liggen. Toen hij zag dat er mensen bij het slachtoffer waren is hij achter een scooter aangereden die op het verlengde van de Rooseveltstraat richting de Jan Wolkersstraat reed, het Kiljanpad over. Op de scooter zaten twee personen. [Getuige 8] heeft gezien dat een persoon voorop en een persoon achterop stapte. Omdat hij dacht dat die scooter mogelijk met het schietincident te maken had is hij die gevolgd. Die twee personen droegen geen helm, zij hadden zwarte kleding aan en in het parkje deed de persoon achterop een capuchon op. [Getuige 8] heeft de achtervolging gestaakt toen de scooter met de twee personen het Schrijverspark in reed.

[Getuige 9] liep op 14 juni 2016 omstreeks 17.50-17.55 uur op de Jan Wolkersstraat vanuit de Lucebertstraat in de richting van het Kiljanpad. Vanaf het fietspad van het Kiljanpad zag hij een hem tegemoetkomende scooter met daarop twee personen zonder helm. De scooter reed met hoge snelheid. De personen op de scooter leken hem rond de 20 tot 25 jaar, de bijrijder leek hem iets ouder. Beide hadden een lichte huidskleur. Zij droegen zwarte kleding. De bijrijder had een soort poncho of cape die erg wapperde; hij hing naar voren geleund naar de bestuurder toe. De getuige heeft alles goed gezien want de afstand tot de scooter was drie meter. De getuige heeft gezien hoe de scooter aan het eind van de straat linksom de bocht nam de Lucebertstraat op. Daar ligt een soort parkje met een speeltuin. Daarna was de scooter niet meer te zien. Achter die scooter zag de getuige nog een scooter rijden met daarop een persoon met een helm. [Getuige 9] is nog nader telefonisch gehoord over zijn waarneming van de handen van de bestuurder van de scooter; volgens de getuige droeg de bestuurder geen handschoenen en heeft hij ‘blanke’ handen gezien.

[Getuige 10] was in zijn vrije tijd op 14 juni 2016 rond 18.00 uur in een woning aan [adres], gelegen tussen de Haagweg en de Toussaintkade. Hij hoorde een geluid van een scooter hoog op toeren en zag vervolgens vanuit een woning van rechts naar links, afkomstig uit de richting van de Toussaintkade en gaande richting de Haagweg in een flits een donkere scooter voorbijrijden. Op die scooter zag hij een persoon met wapperende zwarte stof achter zich, een veel te grote jas of zo. Volgens de getuige kan het niet anders zijn dan dat de scooter in richting Haagweg ging, want hij minderde geen gas bij kruising met Van Lennepstraat. Bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 10] nogmaals dat er iets geks wapperde achter de laatste persoon. Op dat moment reden er volgens de getuige geen andere scooters.

3. De zwarte Volkswagen Caddy

De zwarte Volkswagen Caddy (hierna: de Caddy) is op aanwijzen van [getuige 5] op 14 juni 2016 aangetroffen op het Kiljanpad omstreeks 18:00 uur. De afstand tussen de hoek van de Gieterijstraat en de aangetroffen Caddy bedroeg 142 meter. Uit onderzoek door de politie is het volgende gebleken. Het op de auto bevestigde kenteken [---] bleek vals. Het bij de auto behorende kenteken was [kenteken]. De auto was in de nacht van 16 op 17 januari 2016 in Amsterdam gestolen. Met de auto is op 30 mei 2016 om 05.45.51 uur op de kruising Churchilllaan-Telderskade-Cornelis Schuytlaan te Leiden een verkeersovertreding begaan. De echte kentekenhouder van het kenteken [---] heeft op 12 juni 2016 aangifte gedaan van het frauduleus gebruik van dat kenteken.

Met betrekking tot de Caddy werd het volgende geconstateerd en aangetroffen.

Op een stapel blauwe vouwkratjes achterin de laadruimte werd een pistoolmitrailleur met houder en demper, zonder patronen aangetroffen. Naast die pistoolmitrailleur lagen aanmaakblokjes. Op de vloer van de laadruimte werd een pistool merk Walther PPK met daarin een patroonmagazijn met 8 patronen kaliber 7.65 aangetroffen. In een krat op een grijze deken lag een pistool van het merk Glock dat open stond met daarin een houder met 9 patronen kaliber 9 mm. Tevens trof de politie een jerrycan aan die open stond. In de laadruimte werd een sterke benzinelucht geroken.

De pistoolmitrailleur is onderzocht en bleek te zijn een wapen van het merk CZ, model VZ 61, type Skorpion kaliber 7.65 mm met een patroonmagazijn voor 20 patronen. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft onderzoek verricht aan de hulzen, kogels en kogeldelen die waren veiliggesteld op de plaats delict en/of uit het lichaam van [slachtoffer] waren verwijderd.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de vuurwapens, te weten de twee pistolen en de pistoolmitrailleur [AAJF4647NL, -49NL en -50NL] ergens anders in Nederland zijn gebruikt bij schietincidenten, waarvan de hulzen zijn opgenomen in de Landelijke Verzameling Kogels en Hulzen en IBIS en die plaatsvonden na 1 januari 2005 en waarvan de kogels zijn opgenomen na 1 januari 2014.

Er zijn aanwijzingen gevonden dat de verschoten munitiedelen afkomstig zijn uit de pistoolmitrailleur [AAJF4650NL]. De sterkte van deze aanwijzingen wordt hieronder verder toegelicht.

Voor elk van de negentien onderzochte hulzen kaliber 7,65mm Browning, en het vuurwapen [AAJF4650NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De huls is verschoten met het vuurwapen.

Hypothese 2: De huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Voor elk van de kogels en de kogel waar het kogelmanteldeel van afkomstig is, die het best passen bij het kaliber 7,65mm Browning, en het pistoolmitrailleur [AAJF4650NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 3: De kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen [AAJF4650NL].

Hypothese 4: De kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.

De bevindingen zijn voor wat betreft het kogelmanteldeel en de kogels [AAHX1913NL en AAJF4676NL] minimaal veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 4 waar is. ·

De bevindingen zijn voor wat betreft de overige kogels minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 4 waar is.

De Caddy is op 8 juni 2016 ’s avonds rond 22.00 uur door getuigen [getuige 11] en [getuige 12] waargenomen in de Verdistraat in Leiden met de neus in de richting van de Churchilllaan. [Getuige 13] doet dezelfde waarneming. Hij ziet de andere ochtend om 8.00 uur de auto zonder licht staan. Om 8.30 uur ziet hij twee jonge mannen bij de auto staan. Die mannen komen om 10.30 uur met een accu aan en aan het begin van de middag is de auto weg. Onderzoek aan de Caddy heeft uitgewezen dat er recent een nieuwe accu in was geplaatst en dat er maar 4 kilometer mee gereden is. Op 10 juni 2016 zag de [getuige 14] dat een donkere en een blanke jongen op het Kiljanpad een grijze scooter uitlaadden uit een zwart busje dat ‘iets met’ VFN in het kenteken had. Dit was hetzelfde busje als zij na de liquidatie heeft gezien. Op 14 juni 2016 is de Caddy door [getuige 15] omstreeks 10 uur waargenomen op de oprit naar het schooltje vanaf het Kiljanpad. Kort voor de liquidatie heeft [getuige 4] een zwarte Caddy op de Fitterstraat zien staan die hij nooit eerder in de straat had gezien en dat vond hij verdacht.

Bij een doorzoeking ter inbeslagneming op 21 juli 2016 in de woning aan [adres] waar de [medeverdachte] regelmatig verbleef, zijn in de woonkamer onder een vloerkleed valse kentekenplaten voorzien van het kenteken [---] aangetroffen. Die kentekenplaten zijn onderzocht en vergeleken met de valse kentekenplaten [---] op de Caddy. De conclusie van dat werktuigkundig onderzoek luidt dat die beide sets kentekenplaten naar alle waarschijnlijkheid zijn vervaardigd op dezelfde machine.

4. De scooter Piaggio Skipper LX 125 cc

Ook de scooter die wegreed bij de flat op de Telderskade is nader onderzocht. De scooter met kenteken [---] is op of omstreeks 11 juni 2016 bij de flat aan de Telderskade geplaatst volgens getuigen [getuige 14] en [getuige 16]. [Getuige 17] heeft de scooter op maandag 13 juni 2016 rond 16 uur zien staan.

De scooter was een Piaggio Skipper LX 125 cc (hierna: de Piaggio) en stond vast op het stuurslot en met een zwarte ketting aan het fietsenrek. De scooter van bouwjaar 1999 bleek zonder kenteken op 19 mei 2016 in Duitsland gekocht en op 23 mei 2016 doorverkocht in Nederland. Daarop heeft de [medeverdachte] de scooter gekocht. De Piaggio had geen echte kentekenplaat maar een kartonnen plaat met een kenteken behorend bij een Kymco Agility 50. Dat kenteken behoorde bij een scooter met de echte kentekenplaat toebehorende aan een persoon in Krommenie.

De Piaggio is op 21 juni 2016 op de Weddesteeg in Leiden ter hoogte van huisnummer 17 aangetroffen. De [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het is geweest die de Piaggio in de Weddesteeg heeft weggezet op 14 juni 2016. Hij was ook degene die als bestuurder van die scooter zichtbaar is op de camerabeelden van de beveiligingscamera op de Jan Wolkersstraat op 14 juni 2016 omstreeks 17.55.31 uur. Op die camerabeelden is ook een bijrijder op de scooter zichtbaar, met een wapperend kledingstuk.

5. Conclusie

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat [slachtoffer] om het leven is gekomen door schoten afgevuurd met de in de Caddy aangetroffen pistoolmitrailleur. Hierbij waren twee personen betrokken, die aan kwamen rijden in de Caddy en vertrokken in de Caddy. De ene persoon schoot met de pistoolmitrailleur en de andere persoon maande de schutter aan ‘stap in’ of ‘kom nu’ en bestuurde de Caddy bij vertrek van die twee personen in de Caddy. De Caddy is op het Kiljanpad tot stilstand is gekomen waarna die twee personen op een bij de Telderskade geparkeerd staande scooter zijn gestapt en weggereden.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of de personen die betrokken waren als dader bij het schieten de personen op de scooter op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat waren.

De bewijsvraag met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte en diens medeverdachte

6. De bestuurder van de Caddy en de bijrijder op de Piaggio

Vast staat dat de liquidatie door twee personen is uitgevoerd. De daders stapten uit een zwarte Caddy en reden weg vanaf de kruising van de Rooseveltstraat met de Gieterijstraat in dezelfde Caddy. Nabij het Kiljanpad is een zwarte Caddy aangetroffen met daarin een arsenaal aan (automatische) wapens en munitie. De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn minimaal zeer veel waarschijnlijker als de op de genoemde kruising afgevuurde kogels zijn afgeschoten uit de loop van de in die Caddy aangetroffen pistoolmitrailleur, dan als deze zijn afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van de pistoolmitrailleur. Het hof neemt op grond hiervan een rechtstreeks verband tussen de aangetroffen Caddy en het schieten door twee personen aan.

Geconfronteerd met DNA-sporen heeft [medeverdachte] tegenover de politie als verdachte verklaard dat hij op enig moment, maar niet op 14 juni 2016, in de zwarte Caddy gereden heeft.

Uit een bemonstering van de deurhendel aan de buitenzijde van de schuifdeur van deze Caddy is DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen, waarbij [verdachte] niet als donor kan worden uitgesloten. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan 100 miljoen keer waarschijnlijker als het spoor celmateriaal van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon bevat dan als het spoor celmateriaal van twee willekeurige onbekende personen bevat.

Ook aan de binnenzijde van de Caddy zijn sporen aangetroffen. Uit een bemonstering van de raambediening aan de bestuurderszijde is DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen, waarbij [verdachte] niet als donor kan worden uitgesloten. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan 100.000 keer waarschijnlijker als het spoor celmateriaal van [verdachte] en twee willekeurige onbekende persoon bevat dan als het spoor celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen bevat.

Uit een bemonstering van de hendel ter bediening van de hoogte van de bestuurdersstoel is DNA-mengprofiel verkregen van minimaal vier personen, waarbij [verdachte] niet als donor kan worden uitgesloten. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan 3.000 keer waarschijnlijker als het spoor celmateriaal van [verdachte] en drie willekeurige onbekende persoon bevat dan als het spoor celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen bevat.

Blijkens de vakbijlage van het NFI1 hoort de term “veel waarschijnlijker” bij een ordegrootte aan bewijskracht van 100 – 10.000, “zeer veel waarschijnlijker” bij een ordegrootte aan bewijskracht van 10.000 – 1.000.000 en “extreem veel waarschijnlijker” bij een ordegrootte aan bewijskracht van meer dan 1.000.000.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging van [verdachte] dat deze drie DNA-sporen niet kunnen bijdragen aan het bewijs, omdat niet geconstateerd is dat er daadwerkelijk DNA is aangetroffen, maar louter sprake is van een kansberekening op basis van statistiek. Het hof stelt vast dat er daadwerkelijk DNA is verkregen uit de bemonsteringen van de deurhendel, de raambediening en de hendel ter bediening van de hoogte van de bestuurdersstoel. De bevindingen van het DNA-onderzoek zijn door het NFI geïnterpreteerd en hebben geleid tot de hiervoor vermelde uitkomst. Gegeven enerzijds de omstandigheid dat de aangetroffen sporen mengsporen zijn en anderzijds het onbekende aantal potentiële donoren, waaronder [verdachte], [medeverdachte] en de oorspronkelijke eigenaren van de Caddy kan de conclusie van de interpretatie van de bevindingen niet anders dan probabilistisch worden uitgedrukt. Te stellen dat zekerheid dient te worden gegeven omtrent de donor van het DNA in het aangetroffen spoor, miskent de huidige stand van de forensische wetenschap. De omstandigheid dat de interpretatie van de drie DNA-sporen uitmondt in drie waarschijnlijkheidsoordelen staat er niet aan in de weg deze bevindingen en conclusies van een deskundige, naast ander bewijs, te gebruiken als bewijsmiddel ter onderbouwing van de bewijsbeslissing door het hof over het ten laste gelegde feit.

De raadsman betwist dat [verdachte] iets te maken heeft met de Caddy. Het hof stelt vast dat het verweer niet ter discussie stelt dat in de bemonsteringen van de deurhendel, de raambediening aan de bestuurderszijde en de hendel DNA is aangetroffen en dat analyse van dit materiaal tot de door het NFI gerapporteerde uitkomst leidt.

Het verweer van de raadsman houdt in (blz 21, nr 6.8 pleitaantekeningen 2.7.2019): “[verdachte] heeft verklaard dat hij nimmer voet in de Caddy heeft gezet. Het aangetroffen DNA is enkel te verklaren door secundaire overdracht.” Op welke wijze deze secundaire overdracht zou hebben plaatsgevonden is niet geconcretiseerd. Bij gebreke van concrete stellingen is het niet mogelijk (geweest) nader onderzoek te laten doen op activiteitenniveau naar een scenario dat de aanwezigheid in de bemonsteringen van DNA verklaart op andere wijze dan door aanraking. Het enkele stellen dat sprake zal zijn geweest van secundaire overdracht is onvoldoende om een dergelijk onderzoek op activiteitenniveau te doen verrichten. [Verdachte] heeft als verdachte ter zitting van 27 juni 2019 verklaard: “In de Berlingo lagen handschoenen die ik voor het verhuizen gebruikte. [Medeverdachte] heeft verklaard dat hij vaak in de Caddy reed, misschien heeft hij wel mijn handschoenen gebruikt. Ik zou anders niet weten hoe mijn DNA daar terecht is gekomen.” Het hof stelt vast dat niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte] handschoenen uit de Berlingo heeft gebruikt toen hij in de Caddy reed. Voorts stelt het hof vast dat ook deze verklaring van [verdachte] onvoldoende specifiek is om een nader onderzoek op activiteitenniveau te doen verrichten. Dit brengt mee dat het hof ook hieraan voorbij gaat.

Het voorgaande brengt mee dat het hof ervan uit zal gaan dat het zeer waarschijnlijk is dat [verdachte] op enig moment DNA op een deurhendel van de Caddy en in de Caddy (in de nabijheid van de bestuurdersstoel) heeft achtergelaten. De door het NFI gerapporteerde bewijskracht van de match in de verschillende sporen is daartoe voldoende hoog, waarbij het hof mede acht heeft geslagen op de omstandigheid dat het niet om één op zichzelf staand spoor gaat, maar om in totaal drie sporen, waarbij twee sporen naar (de omgeving van) de bestuurdersstoel wijzen.

Het hof stelt vast dat [verdachte] zich in de ochtend (Jan Wolkersstraat) en in de middag (Bart Smit) in de omgeving van de kruising van de Rooseveltstraat en de Gieterijstraat heeft bevonden. Op de beelden uit de Jan Wolkersstraat blijkt dat hij zich daar toen samen met [medeverdachte] bevond. Het hof stelt vast dat [verdachte] op dat moment een donkerkleurige pet droeg en [medeverdachte] een bril (terwijl hij op andere foto’s in het dossier en ter terechtzitting geen bril draagt) en een zwart sportjack met capuchon, met wit embleem en witte rits. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] droegen donkerkleurige schoenen met een witte zool.

[Medeverdachte] en [verdachte] zijn samen in de ochtend van 14 juni 2016 met de Berlingo vanuit Zaandam naar Leiden gereden. [Medeverdachte] komt uiteindelijk bij het station Leiden Centraal om 18.05 uur en neemt daar de trein van 18.14 uur richting Haarlem. Hij draagt op dat moment niet langer het zwarte sportjack met capuchon, met wit embleem en witte rits, maar een colbert. [Medeverdachte] reist terug naar Zaandam. [Verdachte] arriveert om 18.09 uur bij het station Leiden Centraal. Hij draagt op dat moment geen donkerkleurige pet, maar een lichte pet. [Verdachte] neemt de stoptrein richting Den Haag van 18.19 uur, keert terug op Leiden Centraal om 19.38 uur, neemt naar eigen zeggen de bus, haalt de Berlingo op en keert terug naar Zaandam.

Het hof leidt hieruit af dat op 14 juni 2016

  • -

    [medeverdachte] en [verdachte] samen vanuit Zaandam naar Leiden zijn gekomen met de Berlingo,

  • -

    samen de ochtend hebben doorgebracht in het gebied nabij de kruising van de Rooseveltstraat en Gieterijstraat,

  • -

    in ieder geval [verdachte] ook in de middag nog in die omgeving heeft rondgelopen,

  • -

    [medeverdachte] en [verdachte] ongeveer gelijktijdig kort na de liquidatie aankomen in het stationsgebied en met de trein vanuit station Leiden Centraal weggaan uit Leiden,

  • -

    zowel [medeverdachte] als [verdachte] op dat moment iets hebben veranderd aan hun kleding, waardoor hun uiterlijk niet meer voldoet aan een eventueel signalement gebaseerd op hun kleding eerder die dag,

  • -

    [verdachte] terugkeert op station Leiden Centraal, de Berlingo ophaalt en naar Zaandam terugrijdt.

[Verdachte] is op 14 juni 2016 de gebruiker van het [telefoonnummer 1]. Deze telefoon is op 14 juni 2016 buiten bereik van het netwerk tussen 16.25 uur en 18.05 uur. Om 18.05 uur maakt de telefoon gebruik van het basisstation Boommarkt te Leiden. De Weddesteeg, waar de vluchtscooter is achtergelaten, en het stationsgebied in Leiden vallen onder het bereik van dit basisstation. De periode waarin deze telefoon uit stond valt samen met de tijdspanne waarin het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden en eindigt rond het tijdstip waarop de door [medeverdachte] bestuurde Piaggio in de Weddesteeg geparkeerd werd.

[Verdachte] heeft ter verklaring van het uitzetten van zijn telefoon aangevoerd dat zijn batterij bijna leeg was, hij had nog één streepje over. Deze verklaring vindt weerlegging in de omstandigheid dat deze telefoon de rest van de avond aan heeft gestaan. Ook de verklaring van [verdachte] dat hij de telefoon heeft uitgezet omdat hij niet wilde dat zijn vrouw hem belde terwijl hij aan het gebruiken was, acht het hof niet aannemelijk geworden. [Verdachte] heeft op geen enkel moment concreet aangegeven waar en wanneer hij verdovende middelen zou hebben gekocht, terwijl het gaat om eenvoudig te verifiëren gegevens die ontlastend kunnen zijn ter zake de op hem rustende verdenking van moord. De stelling van [verdachte] dat de prijzen van verdovende middelen in Leiden lager zijn dan in Zaandam of Amsterdam acht het hof evenmin aannemelijk gelet op het rapport van het Trimbos Instituut en de Jellinek.

De telefoon met het [telefoonnummer 1] is na 14 juni 2016 niet meer gebruikt. [Verdachte] heeft ter verklaring van deze omstandigheid aangevoerd dat de telefoon gestolen was (zakkenrollerij). Deze omstandigheid is niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld een aangifte. Bij gebreke van een nadere onderbouwing acht het hof deze verklaring niet aannemelijk geworden.

Het hof leidt uit het voorafgaande af dat de door [verdachte] gebruikte telefoon zonder aannemelijk geworden verklaring uitstond op 14 juni 2016 tussen 16.25 uur en 18.05 uur en na 14 juni 2016 niet meer gebruikt is.

[Medeverdachte] heeft naar eigen zeggen alles, ook de telefoon die hij bij zich had, weggegooid bij een brug waar hij de Piaggio had geparkeerd.

Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte] zich ontdoet van het sportjack met capuchon en van de telefoon die hij bij zich had door deze weg te gooien bij een brug nabij de Weddesteeg.

Het hof signaleert parallellen tussen de vaststellingen in 6.6, 6.7, 6.8 en 6.9 en leidt daaruit af dat [medeverdachte] en [verdachte] in de ochtend van 14 juni 2016 samen zijn opgetrokken in de omgeving van de plaats waar later die dag de liquidatie heeft plaats gevonden, zij gelijktijdig in het stationsgebied in Leiden zijn, en hun telefoons, voor zover de nummers daarvan bij de politie bekend zijn, in ieder geval uit hebben gestaan op 14 juni 2016 tussen 16.25 uur en 18.05 uur, terwijl de telefoon van [verdachte] na 14 juni 2016 niet meer is gebruikt.

Zoals hiervoor overwogen hebben [getuige 6] en [getuige 5] gezien dat de bijrijder uit de Caddy ‘viel’ en een scooter ging besturen. [Getuige 6] en [getuige 5] hebben ook gezien dat de bestuurder van de Caddy achterop de scooter is gaan zitten. [Getuige 6], [getuige 5] en [getuige 8] hebben geen andere scooter en geen andere personen gezien.

Op grond van deze verklaringen acht het hof bewezen dat de bestuurder van de Caddy achterop de Piaggio is gaan zitten. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat een ander dan de bestuurder van de Caddy achterop die scooter is gaan zitten. Ook acht het hof bewezen dat er op dat moment maar één scooter met daarop twee personen op het Kiljanpad en de Jan Wolkersstraat reed.

[Medeverdachte] heeft erkend dat hij de bestuurder is van de Piaggio op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat omstreeks 17.55 uur op 14 juni 2016.

Verbalisant Vlakveld heeft [verdachte] vijf keer gehoord als verdachte. Hij stelt vast dat op foto 6 (hof: de foto van de scooter op de Jan Wolkersstraat te Leiden) van de man achter op de scooter, de haarlijn, haardracht, ogen, neus en de stand van de oren overeen komen met de [verdachte].

De door [verdachte] die dag gedragen schoenen (donker van kleur en met een witte zool) komen qua uiterlijke kenmerken overeen met de door de man achterop de scooter gedragen schoenen.

In combinatie met het tijdsverloop tussen het moment van het schieten, de locatie waar de Piaggio is achtergelaten, de onder 6.1, 6.4, 6.7, 6.8, 6.9 en 6.10 weergegeven vaststellingen, acht het hof bewezen dat [verdachte] de passagier op de Piaggio is. De omstandigheid dat de kleur van de spijkerbroek op de verschillende foto’s net even anders zou zijn, doet hier niet aan af (pleidooi 6.0), aangezien deze omstandigheid zich door verschillen in lichtval en afdruk laten verklaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat bewijsmiddel E, te weten de beelden van de scooter van 17.55 uur, waarbij de rechtbank aangeeft dat [verdachte] niet met absolute zekerheid valt te herkennen, maar dat die persoon zeer wel [verdachte] zou kunnen zijn, een gebrekkig bewijsmiddel is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd (pleidooi 7.9 sub E jo. 8.2).

Het hof begrijpt het verweer aldus dat het hof niet, gelijk de rechtbank lijkt te hebben gedaan, zelfstandig [verdachte] als bijrijder op de Piaggio kan herkennen. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het hof niet voor en het verweer behoeft verder geen bespreking.

Gegeven het feit dat de bestuurder van de Caddy achterop de scooter is gaan zitten en het hof bewezen acht dat [verdachte] de passagier op de Piaggio is, brengt dit mee dat [verdachte] ter plaatse van de liquidatie roept ‘stap in’ of ‘kom nu’ en de bestuurder van de Caddy direct na de liquidatie is. Dit vindt steun in de conclusies op basis van het DNA-onderzoek. Gesteld noch gebleken is dat [verdachte] op enig ander moment dan op 14 juni 2016 de Caddy heeft bestuurd. De bestuurder van de Caddy ([verdachte]) is, zoals hiervoor overwogen, medepleger van de liquidatie. Er doet zich geen zogeheten Meer- en Vaart-situatie voor.

7. De schutter

[Medeverdachte] heeft verklaard dat hij is te zien op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat als bestuurder van de Piaggio, nadat had hij deze op het Kiljanpad van het slot had gehaald en er (met iemand achterop) op was weggereden. Niet ter discussie staat dat dit onmiddellijk na de liquidatie van [slachtoffer] en vlakbij de plaats delict was. De vraag is of het [medeverdachte] is geweest die [slachtoffer] heeft neergeschoten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de schutter na het neerschieten van [slachtoffer] op de Gieterijstraat aan de bijrijderskant van de Caddy is ingestapt en dat deze Caddy naar het Kiljanpad is gereden, waar eerst een man uit de bijrijderskant van de langzaam rijdende Caddy stapt (of in de woorden van een getuige: valt). Vervolgens wordt de Caddy geparkeerd en stapt de bestuurder uit.

Het hof overweegt dat indien wordt vastgesteld dat de man die aan het Kiljanpad uit de bijrijderskant uit de Caddy stapte (of: viel) ook degene was die de Piaggio van het slot haalde en als bestuurder erop plaats nam, daarmee tevens vaststaat dat [medeverdachte] de schutter was.

Het hof acht de volgende getuigenverklaringen daarvoor van belang:

[Getuige 6] zag dat aan de bijrijderskant van de Caddy een schuifdeur open gaan waar een man uitkwam. De man rende achter de getuige langs naar een scooter en reed daarmee over het fietspad weg. [Getuige 6] zag een tweede persoon, de bestuurder van het busje, achterop de scooter springen.

[Getuige 5] zag, nadat [getuige 6] zei “moet je kijken er valt een kerel uit die auto”, een man komen aanrennen. Die man rende achter de getuige langs naar een scooter. Die man stapte op een scooter en reed met een tweede persoon achterop weg.

[Getuige 7] zag iemand voor zich langs rennen. Die persoon was bezig met het slot van een scooter. Uit zijn ten overstaan van de rechter-commissaris gemaakte situatieschets volgt dat deze persoon vanuit de rijrichting van de Caddy rent naar de plek waar de scooter stond.

Uit deze drie verklaringen kan worden afgeleid dat één en dezelfde man uit de bijrijdersplaats van de Caddy komt, de Piaggio van het slot haalt en als bestuurder er op plaatsneemt. Uit die vaststelling volgt dat [medeverdachte] – die bekend heeft de bestuurder van de Piaggio te zijn geweest – op het Kiljanpad uit de bijrijdersplaats van de Caddy is gekomen nadat hij op de plaats delict daar is ingestapt.

Het hof wijst er bovendien op dat zowel [getuige 5] als [getuige 6], zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, hebben verklaard dat degene die uit de bijrijdersplaats van de Caddy kwam een bril ophad. Het feit dat [medeverdachte] op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat als bestuurder van de Piaggio een bril draagt, ondersteunt het bewijs dat [medeverdachte] de man is die uit de bijrijdersplaats van de Caddy stapt en vervolgens op de scooter stapt.

8. Verklaring [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige

De [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 als getuige verklaard dat de bijrijder op de scooter niet [verdachte] is geweest. [Medeverdachte] heeft verklaard dat hij dacht dat hij in zijn verklaring bij de rechtbank duidelijk was geweest en al impliciet had aangegeven dat [verdachte] niet bij was. Hij had toen verklaard dat hij eerder die dag afscheid van [verdachte] had genomen en later met de persoon van de Piaggio had afgesproken.

Als getuige heeft [medeverdachte] zich ertoe beperkt te verklaren dat de persoon achterop de door hem bestuurde scooter niet [verdachte] was. Het hof gaat voorbij aan deze buitengewoon summiere door [medeverdachte] als getuige ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring. Het hof acht deze verklaring niet betrouwbaar wegens strijd met het overige hiervoor besproken bewijs.

9. Conclusie

Het hof stelt vast dat het [medeverdachte] is geweest die op 14 juni 2016 op de Gieterijstraat/Rooseveltstraat na de liquidatie in de Caddy aan de bijrijderszijde is gestapt en aldaar bij de Telderskade uit de bijrijdersplaats van de Caddy naar de Piaggio is gerend, deze Piaggio van het slot heeft gehaald en over het Kiljanpad en de Jan Wolkersstraat is weggereden, waarna hij deze in de Weddesteeg heeft achtergelaten. Het hof acht bewezen dat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft neergeschoten.

10. Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

[Medeverdachte] en [verdachte] zijn op 14 juni 2016 samen naar Leiden gereden in de Berlingo met [verdachte] als bestuurder. Daar hebben zij ’s ochtends te voet gezamenlijk de vluchtroute over het Kiljanpad en de Jan Wolkersstraat bekeken. [Verdachte] heeft in de middag van 14 juni 2016 nog rondgelopen in de woonomgeving van [slachtoffer], terwijl [slachtoffer] de gewoonte had ook ’s middags een rondje te lopen in die omgeving. Aan het eind van de middag heeft [verdachte] zijn telefoon uitgezet. [Medeverdachte] en [verdachte] zijn in de Caddy naar de Gieterijstraat gereden. Daar zijn zij uitgestapt. [Medeverdachte] heeft [slachtoffer] neergeschoten. [Verdachte] riep “stap in, kom nu snel” en is achter het stuur gaan zitten. [Medeverdachte] is aan de bijrijderskant ingestapt. Zij zijn in de Caddy weggereden naar het Kiljanpad, waar zij zijn overgestapt op een Piaggio, met [medeverdachte] als bestuurder en [verdachte] als passagier achterop. Deze Piaggio hebben zij achtergelaten in de Weddesteeg. [Medeverdachte] heeft kleding en een telefoon in het water gegooid. [Verdachte] heeft zijn telefoon aangezet. Beiden zijn afzonderlijk van elkaar naar Leiden Centraal zijn gelopen en hebben – afzonderlijk van elkaar - een trein genomen. [Verdachte] heeft later die avond de Berlingo opgehaald en is daarmee naar Zaandam gereden. De telefoon van [verdachte] is na 14 juni 2016 niet meer gebruikt.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

11. Voorbedachte raad

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

[Verdachte] en [medeverdachte] hebben op 14 juni 2016 langdurig te voet in de nabijheid van de woonomgeving van [slachtoffer] rondgelopen. Het hof ziet dit als een voorverkenning.

Zoals hiervoor reeds overwogen zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de gestolen Caddy, die was voorzien van valse kentekenplaten, naar de woonomgeving van [slachtoffer] gereden. In de Caddy bevonden zich drie wapens: twee pistolen en een pistoolmitrailleur en een zeer grote hoeveelheid munitie. [Medeverdachte] en [verdachte] zijn uitgestapt. Zij droegen op straat bivakmutsen. [Medeverdachte] heeft het magazijn van de pistoolmitrailleur op [slachtoffer] leeggeschoten. Vervolgens zijn [medeverdachte] en [verdachte] in de Caddy gestapt, naar de gereedstaande vluchtscooter gereden en daarop over een fietspad weggereden. De vluchtscooter was daar een paar dagen eerder door twee mannen bij de flat neergezet. Ook de Caddy werd in de dagen voorafgaand aan 14 juni 2016 in de omgeving van de plaats delict waargenomen in de omgeving. In de Caddy werden behalve wapens en munitie ook een op dat moment openstaande jerrycan met benzine en aanmaakblokjes aangetroffen.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] samen met [medeverdachte] voorbereidingen heeft getroffen kennelijk om de vlucht te vergemakkelijken en tevens met de bedoeling om sporen uit te kunnen wissen en de kans op ontdekking te verkleinen.

Het hof concludeert uit voorgaande feiten en omstandigheden dan ook dat de verdachte het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven. Het hof neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Het hof acht daarbij het volgende van belang.

[Verdachte] en [medeverdachte] zijn op 14 juni 2016 naar Leiden gegaan om [slachtoffer] te liquideren. Zij hebben ’s ochtends gezamenlijk de vluchtroute verkend. Aan het eind van de middag zijn zij in een gestolen Caddy met valse kentekenplaten gestapt. [Medeverdachte] heeft [slachtoffer] op straat neergeschoten door een heel magazijn van een pistoolmitrailleur op hem leeg te schieten. [Verdachte] bestuurde vervolgens de Caddy, waarmee ze zijn weggereden naar een gereedstaande vluchtscooter. Gelet op de openstaande jerrycan met benzine en de aanmaakblokjes was het kennelijk de bedoeling om de Caddy in brand te steken.

[Slachtoffer] is op klaarlichte dag aldus op gruwelijke wijze vermoord. Bovendien is de rechtsorde door dit feit, dat plaatsvond op de openbare weg in een woonwijk, ernstig geschokt. Bij buurtbewoners zal de dood van het slachtoffer en de manier waarop hij is gedood veel beroering, afschuw en gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. De nietsontziende wijze waarop [slachtoffer] onder vuur is genomen, kenmerkt een kille en uitermate gewelddadige handelwijze. Levensdelicten zijn de ernstigste delicten die er zijn en dienen zwaar bestraft te worden. Door het handelen van de verdachte is aan het slachtoffer het kostbaarste dat een mens bezit, het leven, ontnomen.

De nabestaanden is een groot en onherstelbaar leed en gemis aangedaan. Zij weten niet waarom hun dierbare is vermoord. [Verdachte] ontkent betrokkenheid bij de moord en hij heeft derhalve ook geen enkel inzicht verschaft in de motieven voor zijn gedrag. Ook het hof kan naar het motief slechts raden.

[Verdachte] is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juni 2019 meermaals voor diefstal met geweld in aanraking met politie en justitie gekomen. Het betreft weliswaar geen recente veroordelingen dan wel soortgelijke feiten, maar bezien tegen deze achtergrond doen de handelwijze van [verdachte] bij dit delict en zijn houding vrezen voor herhaling van dit soort ernstige geweldsmisdrijven. De maatschappij moet dan ook voor lange duur tegen [verdachte] worden beschermd.

Bij de uitvoering van de moord is het aandeel van [verdachte] noodzakelijk en dús onmisbaar geweest. Het hof acht [verdachte] dan ook in gelijke mate verantwoordelijk voor de moord als zijn mededader die de schutter was.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit acht het hof een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.787,61.

In hoger beroep is deze vordering integraal aan de orde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders dan met een pleidooi tot vrijspraak betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.787,61 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.343,08 (€ 10.000,- immaterieel en € 343,08 materieel).

De vordering is in hoger beroep integraal gehandhaafd.

Bij brief van 22 juni van mr. Hamers, inclusief bijgevoegde producties, is deze vordering aangevuld en is deze aanvulling namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep nader toegelicht. De benadeelde partij wenst de vordering in hoger beroep te verhogen, nu het oorspronkelijk gevorderde bedrag geen recht doet aan de huidige situatie. De benadeelde partij vordert thans een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade, in plaats van het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 10.000,-, en een bedrag van € 9.221,16 aan materiële schade, bestaande uit € 343,08 voor vliegtickets, zijnde het oorspronkelijk gevorderde bedrag, en € 8.878,08 voor verlies aan verdienvermogen tot 2020.

De raadsman heeft verzocht, nu verhoging van de vordering in hoger beroep niet mogelijk is, de vordering voor wat betreft het oorspronkelijk gevorderde bedrag (€ 10.343,08) toe te wijzen en de benadeelde partij ten aanzien van het bedrag dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag overstijgt (€ 23.878,08) niet-ontvankelijk te verklaren, maar evenwel voor het volledige in hoger beroep gevorderde bedrag de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen.

De advocaat-generaal heeft, zoals reeds overwogen, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel dient ten aanzien van het gehele in hoger beroep gevorderde bedrag (€ 29.439,04) de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders dan met een pleidooi tot vrijspraak betwist.

Het hof overweegt het volgende.

Materiële schade

Ingevolge artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een benadeelde partij zich in hoger beroep binnen de grenzen van zijn eerste vordering voegen. Dat betekent dat het gevorderde bedrag in hoger beroep het oorspronkelijk gevorderde bedrag niet kan overstijgen.

Zoals reeds overwogen is ook de raadsman zich hiervan bewust en heeft hij derhalve verzocht voor het volledig gevorderde bedrag in hoger beroep de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu dat blijkens de wet wel tot de mogelijkheden behoort.

Het hof is van oordeel dat hoewel uit de bewoordingen alsmede de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 36f Sr volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke reactie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden gegeven, de vraag naar het bestaan van een causaal verband tussen het feit en de ontstane schade een noodzakelijke voorwaarde is die dient te worden onderzocht.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 343,08 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van het hof brengt het onderzoek naar de vraag of de gevorderde materiële schade à € 8.878,08 wegens verlies verdienvermogen een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee. De bij de aanvullende vordering gevoegde producties maken dit niet anders. Uit de bijgevoegde brief van GZ-psycholoog drs. [psycholoog] blijkt immers dat de benadeelde partij is verwezen door een psychiater waar zij sinds 2014 onder behandeling is vanwege een aantal reeds voorafgaand aan 14 juni 2016 bestaande klachten. Deze klachten zouden zijn versterkt sinds het bewezenverklaarde feit. Uit deze producties blijkt echter niet hoe de huidige klachten zich verhouden tot de gebeurtenissen op 14 juni 2016 en de reeds voordien bestaande arbeidsongeschiktheid. De benadeelde partij zal in zoverre in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade voor in ieder geval een bedrag van € 10.000,- is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij stelt dat de vóór 14 juni 2016 reeds aanwezige klachten zijn verergerd door de gebeurtenissen op 14 juni 2016 en dat na het vonnis van de rechtbank de schade is vergroot. Uit de gegeven toelichting en de onderbouwing van deze vordering volgt naar het oordeel van het hof niet voldoende concreet in welke mate de thans aanwezige klachten hun oorsprong vinden in de gebeurtenissen op 14 juni 2016 en in welke mate in de voordien aanwezige problemen. Ook is het het hof niet duidelijk waarom de immateriële schade thans zoveel hoger is dan ten tijde van de behandeling van de vordering door de rechtbank (voorjaar 2018).

Het vorenstaande leidt ertoe dat de benadeelde partij voor het de oorspronkelijke vordering overstijgende deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu de vordering ten dele wordt toegewezen dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.343,08 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]. Het hof acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen termen aanwezig deze maatregel tot een hoger bedrag op te leggen.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen oordeelt het hof als volgt.

Het hof zal de op de beslaglijst onder 3 en 6 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal het hof de teruggave gelasten van de op de beslaglijst onder 4 en 5 genummerde voorwerpen.

Het hof zal voorts de teruggave gelasten van de onder 1 en 2 genummerde voorwerpen aan de rechthebbenden, respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zoals redelijkerwijs uit het dossier is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.787,61 (vierduizend zevenhonderdzevenentachtig euro en eenenzestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.787,61 (vierduizend zevenhonderdzevenentachtig euro en eenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 juni 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.343,08 (tienduizend driehonderddrieënveertig euro en acht cent) bestaande uit € 343,08 (driehonderddrieënveertig euro en acht cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.343,08 (tienduizend driehonderddrieënveertig euro en acht cent) bestaande uit € 343,08 (driehonderddrieënveertig euro en acht cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 (zesentachtig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 juni 2016.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3. Scooter [KENTEKEN] Piaggio LX 125 skipper kl: grijs,

6. Bestelauto [kenteken], Volkswagen Caddy.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. Fotolijst kl: wit, model LIVE met afbeelding van [verdachte],

5. Pet, Kl. Blauw.

Gelast de teruggave aan [betrokkene 1] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. Bestelauto [kenteken], Peugeot Partner, kl Blauw.

Gelast de teruggave aan [betrokkene 2] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2. Bestelauto [kenteken], Peugeot Partner 2001.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer,mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 juli 2019.

1 De reeks waarschijnlijkheidstermen van het NFI en het Baysiaanse model voor de interpretatie van bewijs, versie 2.2 mei 2017