Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1963

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
2200302418
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1349
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schijnhuwelijk, valsheid in geschrift en oplichting. Art. 197a lid 2 Sr, motivering van straftoemeting; uitgangspunt is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In casu is 6 weken gevangenisstraf en – door de rechtbank – een taakstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003024-18

Parketnummer: 09-837093-17

Datum uitspraak: 22 juli 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1965,

BRP-adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 juli 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 1 tweede cumulatief/alternatief en 1 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief en 2 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft het hoger beroep bij akte partieel ingetrokken, waardoor het hoger beroep thans nog ziet op de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 1 tweede cumulatief/alternatief en 1 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

Omvang van het hoger beroep

Ten overvloede merkt het hof op dat in eerste aanleg door de rechtbank aan de verdachte een straf is opgelegd, welke straf alleen ziet op de door de rechtbank onder 2 bewezen verklaarde feiten. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de onder 1 ten laste gelegde feiten, waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. De situatie zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering doet zich dus in deze zaak niet voor. De in eerste aanleg aan de verdachte opgelegde straf is niet aan enig oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover aan de orde in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
zij op of omstreeks 29 augustus 2006, althans in het jaar 2006, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland een formulier getiteld 'Bijlage relatieverklaring', - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk door het zetten van haar handtekening heeft verklaard dat [betrokkene 1] haar levenspartner is, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met 18 juni 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) en/of de Staat der Nederlanden heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meer beschikkingen van of namens de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en/of de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) (van 5 februari 2007 en/of 6 december 2007) en/of het afgeven van een (voorlopige) verblijfstitel, hebbende verdachte op een bijlage bij een aanvraag voor afgifte van een verblijfsvergunning door het zetten van haar handtekening valselijk verklaard dat [betrokkene] (met de Chinese nationaliteit) haar levenspartner is en/of ter onderbouwing (van die aanvraag) diverse documenten overlegd;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met 18 juni 2010 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de IND en/of de Staat der Nederlanden te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

een of meer beschikkingen van of namens de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en/of de IND (van 5 februari 2007 en/of 6 december 2007) en/of het afgeven van een (voorlopige) verblijfstitel, hebbende verdachte op een bijlage (relatieverklaring) bij een aanvraag voor afgifte van een verblijfsvergunning door het zetten van haar handtekening valselijk verklaard dat [betrokkene] (met de Chinese nationaliteit) haar levenspartner is en/of ter onderbouwing (van die aanvraag) diverse documenten overgelegd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met 18 juni 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [betrokkene], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, in elk geval in een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij

- op een bijlage bij een aanvraag voor afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 Vreemdelingenwet 2000, althans een beslissing op een aanvraag voor een verblijfstitel valselijk aangegeven dat [betrokkene] (met de Chinese nationaliteit) haar levenspartner is en/of

- ter onderbouwing (van die aanvraag) diverse documenten overlegd en/of

- die [betrokkene] gehuwd, terwijl dat huwelijk slechts formeel werd aangegaan om bepaalde rechten te krijgen,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.

Hierbij leest het hof het onder 1 tweede cumulatief/alternatief en het onder 1 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde in hun onderlinge verhouding als alternatief ten laste gelegd. Voor het overige leest het hof de ten laste gelegde feiten als cumulatief/alternatief ten laste gelegd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde feiten gegeven beslissingen zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 1 derde cumulatief/alternatief en 1 vierde cumulatief/alternatief zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan, voor zover het de beslissingen ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde feiten betreft, niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij op of omstreeks 29 augustus 2006, althans in het jaar 2006, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland een formulier getiteld 'Bijlage relatieverklaring', - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk door het zetten van haar handtekening heeft verklaard dat [betrokkene] haar levenspartner is, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met 18 juni 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) en/of de Staat der Nederlanden heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meer beschikkingen van of namens de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en/of de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) (van 5 februari 2007 en/of 6 december 2007) en/of het afgeven van een (voorlopige) verblijfstitel, hebbende verdachte op een bijlage bij een aanvraag voor afgifte van een verblijfsvergunning door het zetten van haar handtekening valselijk verklaard dat [betrokkene] (met de Chinese nationaliteit) haar levenspartner is en/of ter onderbouwing (van die aanvraag) diverse documenten overlegd;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met 18 juni 2010 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, de IND en/of de Staat der Nederlanden te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

een of meer beschikkingen van of namens de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en/of de IND (van 5 februari 2007 en/of 6 december 2007) en/of inhoudende het afgeven van een (voorlopige) verblijfstitel, hebbende verdachte op een bijlage (relatieverklaring) bij een aanvraag voor afgifte van een verblijfsvergunning door het zetten van haar handtekening valselijk verklaard dat [betrokkene] (met de Chinese nationaliteit) haar levenspartner is en/of ter onderbouwing (van die aanvraag) diverse documenten overgelegd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met 18 juni 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [betrokkene], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, in elk geval in een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij

- op een bijlage bij een aanvraag voor afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 Vreemdelingenwet 2000, althans een beslissing op een aanvraag voor een verblijfstitel valselijk aangegeven dat [betrokkene] (met de Chinese nationaliteit) haar levenspartner is en/of

- ter onderbouwing (van die aanvraag) diverse documenten overlegd en/of

- die [betrokkene] gehuwd, terwijl dat huwelijk slechts formeel werd aangegaan om bepaalde rechten te krijgen,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Voorwaardelijk verzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verzoek gedaan een schriftkundig vergelijkend onderzoek naar (vermeende) handtekeningen van de verdachte op verscheidene verklaringen in het dossier te doen verrichten, indien het hof de eigen waarneming ten aanzien van die handtekeningen voor het bewijs gebruikt.

Nu het hof geen eigen waarneming ten aanzien van handtekeningen voor het bewijs zal bezigen, behoeft dit verzoek geen verdere bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 1 derde cumulatief/alternatief en 1 vierde cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift

en

medeplegen van poging tot oplichting

en

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier jaar schuldig gemaakt aan het faciliteren van het verblijf van een persoon met de Chinese nationaliteit in Nederland door bij de aanvraag voor een verblijfstitel valselijk te verklaren dat deze vreemdeling haar levenspartner was. De verdachte is daarbij op een gegeven moment ook een (schijn)huwelijk met deze vreemdeling aangegaan en heeft daaromtrent vals(elijk) verklaard. Door deze handelwijze van de verdachte heeft de vreemdeling toegang tot allerlei voorzieningen gekregen waarop alleen mensen die legaal in Nederland verblijven recht hebben en worden de deuren voor misbruik opengezet. De verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen.

Op die manier hebben de verdachte en de vreemdeling geprobeerd de Nederlandse overheid op te lichten en te bewegen tot het afgeven van een verblijfsvergunning. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en medeplegen van poging tot oplichting.

Door haar handelen is de verdachte een ander uit winstbejag behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij wist dat dat verblijf wederrechtelijk was. Het belang van deze strafbaarstelling is daarin gelegen, dat op het grondgebied van een staat alleen mensen verblijven die daartoe gerechtigd zijn. Door aldus te handelen heeft de verdachte het overheidsbeleid bij de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland in ernstige mate ondermijnd. Ook heeft zij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van bepaalde documenten, zoals een Relatieverklaring behorend bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning, ernstig beschaamd.

Dit alles heeft zij gedaan om er zelf financieel beter van te worden.

De justitiële documentatie van de verdachte


Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

De redelijke termijn

De bewezenverklaarde feiten dateren van 2006 tot 2010 en zijn aldus relatief oude feiten. De feiten zijn evenwel pas aan het licht gekomen in december 2015, op welk moment het opsporingsonderzoek door de politie is gestart.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden nu tussen de datum van inverzekeringstelling van de verdachte op 6 juni 2016 en de datum van het eindvonnis van 11 juli 2018, meer dan twee jaar is verstreken. Gelet echter op de geringe mate van overschrijding van de termijn, alsmede het feit dat de zaak in hoger beroep met voortvarendheid is behandeld, zal het hof aan dit verzuim geen verder gevolg verbinden.

Overwegingen met betrekking tot de strafmodaliteit

Het strafbare feit van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt bedreigd met een maximale gevangenisstraf van 6 jaar of een geldboete van de vijfde categorie dan wel een combinatie van deze straffen. Dat geldt ook voor het misdrijf van valsheid in geschrift strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Op de overtreding van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht staat een straf van maximaal 4 jaar gevangenisstraf en een geldboete van de vijfde categorie.

Het Openbaar Ministerie heeft een Richtlijn voor strafvordering mensensmokkel (2018R002). Deze is in werking getreden op een moment gelegen na de bewezenverklaarde pleegdatum en -periode in de onderhavige strafzaak. Het uitgangspunt in de richtlijn met betrekking tot het verschaffen van hulp bij wederrechtelijk verblijf in Nederland is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Voor een aantal type delicten wordt binnen de rechtspraak oriëntatiepunten gehanteerd, die een vertrekpunt van denken over de in een concreet geval op te leggen strafmodaliteit en hoogte van de straf bieden. Deze zogeheten LOVS Oriëntatiepunten voor de straftoemeting zijn met betrekking tot de thans aan de orde zijnde gedraging, een ander uit winstbejag hulp verschaffen bij wederechtelijk verblijf, nog niet voorhanden. Het hof is van oordeel dat in beginsel gelet op de strafbedreiging van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en de ernst van het feit bij een veroordeling voor het aangaan van een schijnhuwelijk zoals hierboven overwogen, als uitgangspunt bij de bepaling van de straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden genomen en dat niet kan worden volstaan met een andere, lichtere, strafmodaliteit.

Conclusie

Het hof is derhalve - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt, zowel uit een oogpunt van vergelding als uit speciale preventie en generale preventie.

Aangezien de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest reeds is afgetrokken bij de in eerste aanleg aan de verdachte opgelegde straf voor de onder 2 bewezen verklaarde feiten en het vonnis ten aanzien van die feiten onherroepelijk is geworden door de partiële intrekking van het rechtsmiddel door de advocaat-generaal, kan deze aftrek niet (nogmaals) plaatsvinden bij de straf die het hof aan de verdachte oplegt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 63, 197a, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde feiten en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Verstaat dat de rechtbank ten aanzien van de onder 2 bewezen verklaarde feiten de verdachte heeft veroordeeld tot een taakstraf voor de tijd van 120 (honderd twintig) uren met bevel, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) dagen; een en ander met bevel dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de rechtbank in verzekering heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verstaat voorts, dat de rechtbank de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden heeft bepaald op 2 (twee) uren per dag.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, mr. W.J. van Boven en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 juli 2019.