Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1901

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
200.239.441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

shockschade; voldaan aan confrontatievereiste?; dodelijk verkeersongeval; ernstig letsel (o.a. aan hoofd); identificatie door naasten in mortuarium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0968
NJF 2019/439
JA 2019/135 met annotatie van Havekes, T.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.239.441

Zaaknummer rechtbank : C/10/512371 HA ZA 16-1018

arrest van 23 juli 2019

inzake

[appellante] , echtgenote van [appellant 1] ,

[appellant 1] ,

[appellant 2] ,

allen wonende te (34820) [woonplaats] , Frankrijk,

appellanten,

hierna respectievelijk te noemen: [appellante] , [appellant 1] , [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten],

advocaat: mr. J.G Keizer te Amersfoort,

tegen

ABN AMRO Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Zwolle,

[naam B.V.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna respectievelijk te noemen: ABN AMRO en [naam B.V.] en gezamenlijk ABN AMRO c.s.,

advocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 14 december 2017 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 4 oktober 2017. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellanten] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord hebben ABN AMRO c.s. de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Met inachtneming van hetgeen verder in hoger beroep is komen vast te staan gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellante] en [appellant 1] zijn de ouders van [naam dochter] (verder: [naam dochter] ) en [appellant 2] .

2.2

[naam dochter] , geboren op [datum 1] 1994, is als 20-jarige als au pair naar Nederland gekomen. Zij verbleef bij een gastgezin in Rotterdam.

2.2

Op [datum 2] 2015, nadat zij enige maanden in Nederland was, is [naam dochter] overleden als gevolg van een ongeval waarbij een vuilniswagen van [naam B.V.] was betrokken.

2.3

[naam dochter] fietste op de [straatnaam 1] te [plaatsnaam] langs de stilstaande vuilniswagen, die tegengesteld aan de rijrichting was geparkeerd. Toen zij ter hoogte van de rechter zijspiegel van de vuilniswagen fietste, trok de vuilniswagen op om vanuit de [straatnaam 1] rechts afslaand de [straatnaam 2] op te rijden. De wagen is op het kruisingsvlak van beide straten met de voorkant tegen het achterwiel van de fiets van [naam dochter] aangereden. [naam dochter] is gevallen en onder de vuilniswagen terecht gekomen. Zij is ter plaatse overleden.

2.4

[appellanten] zijn direct nadat zij op de hoogte waren gebracht van het ongeval naar Nederland gereisd en hebben [naam dochter] op 18 februari 2015 geïdentificeerd in het mortuarium.

2.5

ABN AMRO is de WAM-verzekeraar van de vuilnisauto van [naam B.V.] . Zij heeft namens [naam B.V.] aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en de uitvaartkosten vergoed.

2.6

[appellanten] hebben – stellende dat zij nog dagelijks worden geconfronteerd met de traumatische beelden van de identificatie die zij bij [naam dochter] in het mortuarium hebben moeten verrichten en behoefte hebben aan genoegdoening voor het hen aangedane leed – vergoeding gevorderd van de door hen geleden shock- en affectieschade.

2.7

ABN AMRO c.s. hebben vergoeding van deze schade geweigerd, omdat niet voldaan zou zijn aan het confrontatievereiste zoals door de Hoge Raad omschreven in het zogenoemde Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356), zodat geen recht bestaat op shockschade en verder omdat zij niet bereid is op het Wetsvoorstel Affectieschade te anticiperen.

2.8

In eerste aanleg vorderden [appellanten] – zakelijk weergegeven –

I. een verklaring voor recht dat ten aanzien van zowel [appellante] , [appellant 1] als [appellant 2] is voldaan aan het confrontatievereiste, op grond waarvan zij – indien sprake is van als gevolg van de confrontatie veroorzaakt geestelijk letsel – in aanmerking komen voor vergoeding van shockschade;

II. de hoofdelijke veroordeling van ABN AMRO c.s. tot betaling van een bedrag van € 17.500 aan zowel [appellante] , [appellant 1] als [appellant 2] , als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade (affectieschade) door het overlijden van [naam dochter] ;

met hoofdelijke veroordeling van ABN AMRO c.s. in de proceskosten.

2.9

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten. De rechtbank overwoog daartoe ten aanzien van de shockschade – er veronderstellenderwijze van uitgaande dat sprake is van geestelijk letsel van [appellanten] – dat niet aan het confrontatievereiste zoals door de Hoge Raad omschreven in het Taxibus-arrest is voldaan. [appellanten] hebben het ongeval immers niet zelf waargenomen. [appellanten] hebben wel een filmpje gezien van (het begin van) het ongeval, afkomstig van een ter plaatse in het kader van de bewaking van de openbare orde opgestelde camera, maar het waarnemen van dat filmpje is naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen met het waarnemen van het ongeval. Verder achtte de rechtbank van belang dat [appellanten] ook niet het stoffelijk overschot van [naam dochter] kort na het ongeval op straat hebben gezien. [appellanten] hebben wel het stoffelijk overschot moeten identificeren in het mortuarium, maar dat is niet gelijk te stellen met een confrontatie op straat kort na het ongeval, omdat er bij de identificatie sprake was van een gewassen en opgebaard lichaam.

2.10

De chauffeur van de vuilniswagen is strafrechtelijk veroordeeld voor dood door schuld. Nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden hebben [appellanten] via het Schadefonds Geweldsmisdrijven een vergoeding ontvangen van ieder € 5.000,-- wegens affectieschade.

3.1

In hoger beroep vorderen [appellanten] – zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden vonnis en een verklaring voor recht dat ten aanzien van zowel [appellante] , [appellant 1] als [appellant 2] is voldaan aan het confrontatievereiste, op grond waarvan zij – indien sprake is van als gevolg van de confrontatie veroorzaakt geestelijk letsel – in aanmerking komen voor vergoeding van shockschade, met veroordeling van ABN AMRO c.s. in beide instanties.

3.2

Het hof stelt vast dat nu [appellanten] ervoor hebben gekozen de vraag of recht bestaat op affectieschade als in eerste aanleg gevorderd niet aan het hof voor te leggen, het hoger beroep beperkt is tot de vraag of [appellanten] recht hebben op shockschade.

3.3

De grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat in casu niet aan het zogenoemde confrontatievereiste is voldaan. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4

Het hof overweegt als volgt.

Degene die door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt – zo volgt uit meergenoemd Taxibus-arrest – daarmee niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een zodanige hevige emotionele schok heeft ervaren dat hieruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt in zo een geval op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

3.5

Om voor een vergoeding van shockschade in aanmerking te komen, moet dus sprake zijn van een naaste die met het slachtoffer een nauwe affectieve band onderhield. De Hoge Raad heeft in zijn arrest het begrip naaste niet nader beperkt. Vast staat dat [appellant 2] de broer is van [naam dochter] en dat hij met haar in gezinsverband heeft samengeleefd. Daarmee voldoet (naast zijn ouders ook) [appellant 2] aan dit criterium. De enkele omstandigheid dat [appellant 2] meerderjarig is en al enige tijd niet meer met [naam dochter] in gezinsverband samenleefde ten tijde van het ongeval, sluit hem naar het oordeel van het hof niet uit van het recht op vergoeding van shockschade. Wel moet nog – om in aanmerking te komen voor shockschade – aan de overige door de Hoge Raad geformuleerde eisen zijn voldaan: er moet sprake zijn van een zodanige emotionele schok door het waarnemen van het ongeval en/of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, dat daardoor psychisch letsel is ontstaan. In een later stadium zal moeten worden vastgesteld of sprake is van dergelijk psychisch letsel als gevolg van de confrontatie.

3.6

[appellanten] hebben om praktische redenen ervoor gekozen het geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie thans nog niet nader te onderbouwen met medische verklaringen. De reden hiervoor is dat de in Frankrijk gehanteerde medische verklaringen afwijken van hetgeen in Nederland gebruikelijk is en dat het verkrijgen van een adequate verklaring belastend is. [appellanten] realiseren zich dat onderzoek nodig is om het bestaan van geestelijk letsel als hier bedoeld aan te tonen, zij zijn ook bereid om daaraan mee te werken, maar liefst pas wanneer (in rechte) is vastgesteld dat een dergelijk onderzoek nuttig is. ABN AMRO c.s. hebben zich tegen deze gang van zaken niet, althans onvoldoende gemotiveerd, verzet. Het hof zal daarom in deze procedure, in navolging van de rechtbank, er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat bij zowel [appellant 1] , [appellante] als [appellant 2] sprake is van geestelijk letsel / een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (meer dan een "normale" rouwverwerking) als gevolg van de directe confrontatie met de gevolgen van het ongeval van [naam dochter] . Het standpunt van [appellanten] dat geestelijk letsel – ongeacht of dit is veroorzaakt door de directe confrontatie met het ongeval of door het verlies van een dierbare – voldoende is, wordt door het hof verworpen.

3.7

Voor de toekenning van shockschade is gelet op de door de Hoge Raad in het Taxibus-arrest gebezigde formulering niet vereist dat degene die daarop als nagelaten betrekking aanspraak maakt, bij de verweten gedraging of gebeurtenis, toen deze plaatsvond, direct betrokken is geweest of bij het ongeval of de gebeurtenis waardoor het slachtoffer is overleden aanwezig is geweest. Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. Deze interpretatie sluit aan bij de uitleg die in bredere kring aan het Taxibus-arrest wordt gegeven. Zo schrijft de Minister van Justitie in zijn brief aan de Tweede Kamer van 8 december 2014 (TK 2004-2005, 28 781, nr. 8) : "Dit duidt erop dat de Hoge Raad als regel de voorwaarde stelt dat men aanwezig moet zijn geweest bij het ongeval, danwel nadien getuige moet zijn geweest van de ongevalplaats met de schokkende gevolgen. Door de woorden in het algemeen wordt evenwel ruimte gelaten voor een ruimere invulling van het begrip confrontatie, en dus voor verdere ontwikkelingen en nuanceringen. Zo valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat naasten die na het ongeval thuis of in het ziekenhuis op de hoogte worden gebracht van het overlijden, onder omstandigheden ook voor de vergoeding van hun eventuele shockschade in aanmerking komen."

3.8

Het gaat dus om de relevante omstandigheden van het geval. Vaststaat dat [naam dochter] ter plaatse van het ongeval is overleden als gevolg van het feit dat zij met haar bovenlichaam en hoofd onder de rijdende vuilniswagen is gekomen, met diverse uiterlijke verwondingen als gevolg. Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood vermeld daarover: "Uiterlijke verwondingen Schedel meerdere plaatsen gebroken, oogkassen meerdere plaatsen gebroken, jukbeenderen meerdere plaatsen gebroken, kaak op meerdere plaatsen gebroken, meerdere ribben gebroken zowel links als rechts. Letsel binnenzijde rechterarm, bloeduitstortingen rechterhand, bloeduitstorting linker boven en onderarm. Benen onder bloeduitstortingen. Voertuig is gereden over het bovenlichaam boven de navel. Grootste letsel hoofd en ribben".

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de zichtbare gevolgen van deze zeer ernstige verwondingen met name aan het (op meerdere plaatsen gebroken) hoofd ten tijde van de identificatie in het mortuarium – ondanks dat het lichaam was gewassen en opgebaard – nog steeds aanwezig waren (in ieder geval in die zin dat [naam dochter] "onherkenbaar was", zoals [appellant 2] heeft verklaard). Het hof acht het aannemelijk dat deze gevolgen, in combinatie met hetgeen [appellanten] onder meer aan de hand van camerabeelden van het begin van het ongeval (waarop te zien is dat de vrachtwagen de achterkant van de fiets van [naam dochter] raakt) en de in het strafdossier opgenomen verklaringen van de getuigen omtrent het ongeval hebben vernomen, een hevige emotionele schok bij [appellanten] teweeg hebben gebracht. Het enkele feit dat het (rechtstreeks) waarnemen van het ongeval zelf of het waarnemen van [naam dochter] direct na het ongeval liggend op straat, mogelijk nog ingrijpender zal zijn geweest dan het waarnemen van – de ernstig verminkte – [naam dochter] in het mortuarium (nadat zij was gewassen en opgebaard) doet daaraan niet af. De kennis over de feitelijke toedracht, in combinatie met de waarneming van [naam dochter] in het mortuarium kort na het ongeval, maakt dat moet worden aangenomen dat [appellanten] zich bij die identificatie een duidelijk en concreet beeld hebben kunnen vormen van de omstandigheden waaronder [naam dochter] is overleden en de gevolgen daarvan. Hetgeen door ABN Amro c.s. in algemene zin is opgemerkt over de mogelijkheden om bij opbaring letsel minder zichtbaar te maken doet aan het voorgaande niet af, gezien de ernst van de uiterlijke verwondingen zoals hiervoor omschreven. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof worden geoordeeld dat aan het zogenoemde confrontatievereiste is voldaan. Het hof merkt daarbij nog op dat niet relevant is dat in de slachtofferverklaringen van [appellanten] niet specifiek is ingegaan op de verminkingen die zij bij [naam dochter] hebben waargenomen ten tijde van de identificatie in het mortuarium. Gezien de aard en functie van de slachtofferverklaring is voor de hand liggend om in die verklaring met name het verdriet om het verlies van hun dochter te benadrukken.

3.9

Het bewijsaanbod van ABN AMRO c.s. wordt gepasseerd nu geen voldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.

3.10

De slotsom is dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Het hof zal de gevraagde verklaring voor recht toewijzen. Om voor toekenning van shockschade in aanmerking te komen zullen [appellante] , [appellant 1] en [appellant 2] ieder voor zich door middel van een deskundigenbericht moeten aantonen, dat sprake is van geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld als gevolg van de directe confrontatie met het ongeval.

3.11

Bij deze uitkomst past dat ABN AMRO c.s. zal worden veroordeeld in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2017,

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat ten aanzien van zowel [appellante] , [appellant 1] als [appellant 2] is voldaan aan het confrontatievereiste, op grond waarvan zij – indien komt vast te staan dat sprake is van als gevolg van de confrontatie veroorzaakt geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld – in aanmerking komen voor vergoeding van shockschade;

- veroordeelt ABN AMRO c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellanten] tot op 4 oktober 2017 begroot op € 94,08 aan explootkosten, € 885,-- aan griffierecht en € 1.737,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum van betekening van dit arrest;

- veroordeelt ABN AMRO c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellanten] tot op heden begroot op € 97,31 aan explootkosten, € 726,-- aan griffierecht en € 1.074,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum van betekening van dit arrest;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, P.M. Verbeek en D.A. Schreuder, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.