Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1897

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
200.230.314/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgever moet loon betalen conform getekende arbeidsovereenkomst tot datum voorwaardelijke ontbinding. Niet aannemelijk dat eerdere versie tussen partijen geldt. Ontslag op staande voet wegens vervalsing is nietig (oud BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0768
PR-Updates.nl PR-2019-0105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.230.314/01

Zaaknummer rechtbank : 4048067 CV EXPL 15-16342

arrest van 9 juli 2019

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. I.I. Feenstra te Den Haag,

tegen

Deurwaarderskantoor [naam] B.V.,

gevestigd te [woonplaats], kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geintimeerde],

advocaat: mr. M.S. van Dijk te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 6 oktober 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam, team kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnissen van 26 februari 2016, 14 oktober 2016 en 7 juli 2017, welk laatste vonnis verbeterd is op 1 september 2017. Bij arrest van 13 februari 2018 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] elf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geintimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 29 maart 2019 de zaak door hun raadslieden doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

2. De door de kantonrechter in het vonnis van 26 februari 2016 onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Met inachtneming van hetgeen in hoger beroep verder als onbestreden is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende:

2.1

[geintimeerde] is een deurwaarderskantoor. Er werken gerechtsdeurwaarders, (toegevoegd) kandidaat gerechtsdeurwaarders en stagiaires kandidaat gerechtsdeurwaarders.

2.2

[appellant] is blijkens een schriftelijke, door beide partijen ondertekende, arbeidsovereenkomst (verder: versie 6) met ingang van [datum] 2014 als [functienaam] in dienst getreden van [geintimeerde]. In die overeenkomst is – voor zover in deze relevant – het volgende bepaald:

" Artikel 3 Arbeidstijd

1. Voor werknemer geldt een arbeidstijd van 40 uur per week. (…)

2. Tussen werkgever en werknemer is in aansluiting op punt 1, overeengekomen dat werknemer één dag in de week werkzaamheden gaat verrichten voor een derde. Werknemer zal de derde zelf factureren en hoeft de inkomsten die daarmee gepaard gaan niet aan werknemer af te dragen.

(…)

Artikel 4 Salaris en emolumenten

1. Het salaris van werknemer bedraagt bruto € 3.500,-- per maand. Het maandsalaris

wordt bij achterafbetaling. Aan het begin van elk kalenderjaar zal een inflatiecorrectie

op het bruto salaris plaatsvinden.

(…)

6. Voor de eerst volgende twee kalenderjaren – gerekend vanaf het begin van de

arbeidsovereenkomst zal de hoogte van het salaris om de zes maanden met € 500,00

worden verhoogd.

Artikel 5 Vakantie

1. Het vakantiejaar is gelijk aan het kalenderjaar, Per volledig vakantiejaar heeft

werknemer recht op 35 vakantiedagen. (…)

Artikel 7 Pensioen

1. De opbouw van het pensioen conform het eindloonsysteem zal met

terugwerkende kracht gerekend vanaf de aanvang van het arbeidscontract

opgebouwd worden indien plannen ten aanzien van dit onderwerp achteraf niet

mochten lukken.

Artikel 8 Relatiebeding

(…)

2. Het is werknemer wel toegestaan om gedurende het dienstverband maar

buiten werktijden inkasso en/of deurwaarderswerkzaamheden te verrichten

mits werkgever hiervoor schriftelijk op de hoogte is gesteld.

(…)

In een door [geintimeerde] ondertekende – bij de arbeidsovereenkomst gevoegde – verklaring is verder vermeld:

"VERKLARING WERGEVER:

Hierbij verklaart de werkgever van [appellant] dat het is toegestaan om

werkzaamheden ten behoeve van PJB Legal Services te verrichten.

Voorwaarde is wel dat de werkzaamheden voor voornoemde onderneming buiten de

werktijd van het aanhangige arbeidscontract dienen plaats te vinden.

Tevens is het aan [appellant] toegestaan om naast de toevoeging aan

gerechtsdeurwaarder [geintimeerde], aan andere gerechtsdeurwaarders toegevoegd

te blijven danwel toegevoegd te worden."

2.3

Voor het ondertekenen van deze arbeidsovereenkomst hebben partijen onderhandeld over de voorwaarden van de overeenkomst. Deze onderhandelingen vonden mondeling en telefonisch plaats en er zijn (concept-)arbeidsovereenkomsten gewisseld. Hierna wordt het schriftelijk verloop van deze onderhandelingen weergegeven.

2.3.1

Op 30 december 2013 schrijft [appellant] aan [geintimeerde] een mail met daarin verschillende NAW gegevens en de volgende opmerkingen: “Voor het arbeidscontract is me duidelijk dat het brutosalaris € 3500/maand is. Dat is prima”. Vervolgens vraagt [appellant] hem te laten weten hoe verschillende zaken, zoals autokosten, lidmaatschaps- en cursusgelden en de mogelijkheid van nevenwerkzaamheden, in het contract zullen worden opgenomen.

2.3.2

Op 2 januari 2014 schrijft [geintimeerde] per e-mail aan [appellant]: “Is dit wat?”. Bijgevoegd is een document genaamd “ARBEIDSOVEREENKOMST [appellant].docx” (verder: versie 1). In deze arbeidsovereenkomst bedraagt het salaris € 3.500,-- per maand, is het aantal vakantiedagen op 25 gesteld en staat bij artikel 7 Pensioen “1. Vooralsnog niet van toepassing”.

2.3.3

Op 9 januari 2014 schrijft [appellant] aan [geintimeerde] dat het concept van de arbeidsovereenkomst er, op en paar kleine puntjes na, goed uitziet. [appellant] kondigt aan “morgen” een versie te zullen sturen waarin die puntjes worden meegenomen.

2.3.4

Op 13 januari 2014 vraagt [geintimeerde] aan [appellant] in een e-mail: “Zie bijlage. Misschien deze week ergens ff een bakkie (koffie) doen?”. Als bijlage bij deze mail is een concept arbeidscontract (verder: versie 2) gevoegd met daarin, in rood aangegeven, wijzigingen. Het concept gaat uit van een aanvang dienstverband op 1 februari 2014 een salaris van € 3.500,-- per maand en 25 vakantiedagen. De rode wijzigingen zien op nevenwerkzaamheden, waarbij wordt bepaald dat [appellant] een dag per week voor een derde werkt, een compensatie voor autogebruik en een relatiebeding. Een pensioen is vooralsnog niet van toepassing in dit concept (versie 2).

2.3.5

Op 14 januari 2014 om 11:43 uur stuurt [appellant] een e-mail aan [geintimeerde] waarin hij schrijft: “het belangrijkste tegenvoorstel is in de vorige versie vergeten aan te passen. Bij deze!”. Bij de e-mail is een concept arbeidsovereenkomst (verder: versie 3) gevoegd waarin enkele wijzigingen betreffende het relatiebeding en het pensioen worden aangeduid. De belangrijkste wijziging betreft het salaris dat thans op € 4.500,-- per maand wordt gesteld. De vakantiedagen blijven ongewijzigd op 25 dagen staan.

2.3.6

Op 14 januari 2014 om 17:49 uur antwoordt [geintimeerde]: “morgen tijd?”.

2.3.7

Op 16 januari 2014 stuurt [appellant] aan [geintimeerde] om 08.06 PM [20:06 uur] een e-mail met de tekst: “Hier de arb ovk zoals afgelopen dinsdag besproken”. Bij de e-mail is een concept arbeidsovereenkomst gevoegd met als zichtbare bestandsnaam “ARBEIDSOVERENKOMST [appellant]…rsie4.docx” (verder: versie 4) waarin het salaris weer op € 3.500,-- is gesteld en de wijzigingen ten aanzien van de nevenwerkzaamheden ongewijzigd zijn (niet toegestaan behoudens schriftelijke toestemming van de werkgever, maar dat de schriftelijke toestemming voor dergelijke werkzaamheden onderdeel maakt van de overeenkomst). De vergoeding voor het autogebruik is verhoogd van € 400,-- naar € 450,-- en, anders dan in de vorige concepten, is in artikel 7 een pensioenafspraak opgenomen die luidt: “De opbouw van het pensioen conform het middelloonsysteem zal met terugwerkende kracht gerekend vanaf de aanvang van het arbeidscontract aanvangen indien herindelingsplannen ten aanzien van dit onderwerp niet mochten lukken”. De vakantiedagen blijven op 25 staan.

2.3.8

Op 19 januari 2014 om 15:10 uur antwoordt [geintimeerde] per e-mail aan [appellant]: “bespreken wij in de auto even”.

2.3.9

Op 18 februari 2014 stuurt [appellant] bovengenoemde mail van 16 januari 2016 door aan [geintimeerde] met de tekst: “Op onderstaande mail [de mail van 16 januari 2014; toevoeging hof] (met bijgevoegde arb ovk) had je nog niet gereageerd. Graag alsnog je commentaar”. Bij het bericht is een bijlage gevoegd met als zichtbare bestandsnaam “ARBEIDSOVEREENKOMST [appellant]…rsie 5.docx” (verder: versie 5) waarin een extra artikel 4 lid 6 is opgenomen: “Voor de eerst volgende twee kalenderjaren – gerekend vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst zal de hoogte van het salaris om de zes maanden met € 500,-- worden verhoogd”. Het aantal vakantiedagen wordt op 35 gesteld en er is een middelloonpensioen opgenomen.

2.4

Op 19 januari 2015 schrijft [appellant] aan [geintimeerde] per e-mail: “Van mijn accountant heb ik zonet vernomen dat het berekende salaris sinds augustus 2014 niet overeenkomt met het salaris wat in de arbeidsovereenkomst vermeld staat. Voor alle duidelijkheid heb ik de overeenkomst bij deze mail gevoegd zodat je jezelf ervan kan overtuigen. Kun je ervoor zorgdragen dat deze achterstand zsm uitbetaald gaat worden en dat – wat betreft de toekomstige betalingen – het juiste bruto inkomen gehanteerd gaat worden?”. Als bijlage is de door beide partijen getekende arbeidsovereenkomst d.d. 1 februari 2014 gevoegd (versie 6, zie 2.2 hierboven).

2.5

Op 20 januari 2015 reageert [geintimeerde] op de e-mail van 19 januari 2015 als volgt: “Ik heb het gelezen maar dit betreft een verschrijving (overname van een passage uit een overeenkomst met een stagiaire). Zoals alle andere deurwaarder verdien je op maandbasis een bedrag van € 3500,00. Zoals ik je destijds ook mondeling heb gezegd zijn alle deurwaarders gelijk en ik maak hier geen onderscheid in. Nu niet en ook niet in de toekomst. Ik beschouw dit dan ook als afgedaan.”.

2.6

Op 21 januari 2015 schrijft [appellant] aan [geintimeerde] een e-mail met de volgende inhoud: “We zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan waarvan de inhoud bij ieder van ons bekend was/is. Van een verschrijving danwel overname van een passage is absoluut geen sprake. Het is mij dan ook niet duidelijk waarom je dit opeens opbrengt. Vanmiddag ben ik op kantoor om mijn werk in te leveren, mocht je een en ander willen bespreken, laat met het dan even op voorhand weten.”

2.7

Op 22 januari 2015 reageert [geintimeerde] als volgt: “Uit de eerdere correspondentie (e-mail) tussen ons blijkt niets over deze structurele loonsverhoging noch over de hoeveelheid vrije dagen. Het is voor een ieder begrijpelijk (naar de normen van redelijkheid en billijkheid) dat deze passages nimmer de bedoeling zijn geweest of zouden kunnen zijn. Het bevreemdt mij dan ook ten zeerste dat je hier thans aanspraak op maakt. Zoals je weet hanteer ik een beleid waarin een ieder gelijk is. Dit heb ik tijdens onze gesprekken gezegd en zal dit ook aan toekomstige kandidaten vertellen. Dit doe ik al jaren en zal dit ook blijven doen. Ik zie dan ook geen enkele reden om af te wijken van het gevoerde beleid waarin een ieder gelijke inkomsten ontvangt. Ik nodig je dan ook uit (…) om dit nader te bespreken”.

2.8

Op 26 januari 2015 schrijft [appellant] per e-mail aan [geintimeerde] onder andere: “Er heeft wel degelijk correspondentie (per mail en mondeling) tussen ons plaats gevonden. Je had dus wel kennis van de inhoud van de overeenkomst en hebt daarmee weloverwogen ingestemd. Met de ondertekening van de overeenkomst heb je dat vervolgens bevestigd. Vanaf het begin was ik de mening toegedaan dat het beginsalaris van € 3.500 bruto per maand te laag is. De geformuleerde salarisophoging in de arbeidsovereenkomst heeft mij ertoe bewogen om dat bezwaar naast mij neer te leggen”.

2.9

Op 8 februari 2015 schrijft [geintimeerde] per e-mail aan [appellant]: “In ons huidige contract zitten een aantal fouten die ik reeds bij je heb aangegeven. De fouten mijnerzijds gemaakt, welke ik ook als zodanig erken, nemen niet weg dat de onderhavige bepalingen (verhogingen en vakantiedagen) nimmer de bedoelingen zijn geweest en deze enorm afwijken van het huidige beleid. (…) Ik heb duidelijk kenbaar gemaakt dat deze voorwaarden nimmer mijn bedoeling zijn geweest. Tijdens dit gesprek heb ik ook verwezen naar onze onderhandelingen, de betreffende e-mails en de overeenkomsten met de andere deurwaarders. Jij hebt hierover gesteld dat een arbeidsovereenkomst een individuele overeenkomst is en dat je niets hebt te maken met anderen en dat ik willens en wetens deze overeenkomst heb getekend. Dit betwist ik dan ook ten zeerste. Van nog groter belang is het dat wij samen de betreffende passages niet hebben afgesproken en jij daardoor ook had kunnen begrijpen dat er een fout gesloten was in het contract. Ik heb tijdens ons laatste gesprek geprobeerd dit weer recht te trekken. De ondertekening heb ik gedaan maar zeker niet in het kader van vorenstaande. Ook heb ik kenbaar gemaakt dat het mij bevreemdt dat je pas in januari 2015 hier pas op terug komt terwijl je zoals je thans stelt hier “formeel recht” op zou hebben sedert september 2014. Het is toch niet logisch dat je na een paar maanden in dienst een zodanige loonsverhoging krijgt die volledig uit de pas loopt bij alle andere deurwaarders (…)”.

2.10

Op 13 februari 2015 schrijft [appellant] aan [geintimeerde]: “Zoals reeds in onderstaande e-mail van 26 januari 2015 kenbaar gemaakt als ook mondeling ben ik van mening dat de arbeidsovereenkomst rechtmatig en met wederzijds goedvinden tot stand is gekomen. Het overeengekomen salaris is marktconform waardoor ik er op mocht/mag vertrouwen dat zowel jij als ik daar akkoord mee zijn gegaan”.

2.11

Op 9 maart 2015 heeft [geintimeerde] een ontbindingsverzoek ex artikel 7:685 BW (oud) ingediend. Dit verzoek is op 28 april 2015 afgewezen door de kantonrechter Rotterdam (zaaknummer 3941096). Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat [appellant] de arbeidsovereenkomst achteraf heeft aangepast (door toevoeging van artikel 4 lid 6 en wijziging van het aantal vakantiedagen van 25 in 35), waardoor in strijd met de gemaakte afspraken een hoger salaris dan overeengekomen in de arbeidsovereenkomst staat. [appellant] heeft zich verweerd door te stellen dat wel degelijk een salarisopbouw van € 500,-- per zes maanden bovenop het basissalaris van € 3.500,-- per maand is overeengekomen.

2.12

Vervolgens heeft [geintimeerde] [appellant] op 18 mei 2015 op staande voet ontslagen. Uit de op 20 mei 2015 betekende ontslagbrief (gedateerd op 18 mei 2015) blijkt dat [geintimeerde], kort samengevat, aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] haar op het verkeerde been heeft gezet ten aanzien van de inhoud van de door [geintimeerde] namens haar getekende arbeidsovereenkomst, en de kantonrechter in de (hierboven genoemde) ontbindingsprocedure valselijk heeft voorgelicht. Volgens [geintimeerde] heeft [appellant] door overlegging van productie 3 bij het verweerschrift gesuggereerd dat hij versie 5 van de arbeidsovereenkomst op 16 januari 2014 aan [geintimeerde] heeft gezonden en dat E. [geintimeerde] hiermee dus bekend was, terwijl [geintimeerde] in de veronderstelling verkeerde dat de hem door [appellant] ter ondertekening voorgelegde arbeidsovereenkomst de aan hem bij mail van 16 januari 2014 toegezonden versie 4 was. Ook is in de brief vermeld dat onderzoek heeft uitgewezen dat [appellant] vanaf in ieder geval februari 2015 het merendeel van de dagen niet om 8:00 uur is begonnen, zoals aangegeven in zijn arbeidsovereenkomst, maar tussen 10:00 uur en 12:00 uur en de Parkline onrechtmatig heeft gebruikt voor privédoeleinden.

2.13

Op 13 juli 2015 heeft de kantonrechter Rotterdam (zaaknummer 4171737) de arbeidsovereenkomst op verzoek van [geintimeerde], voorwaardelijk, voor het geval de overeenkomst niet op 18 mei 2015 is beëindigd, ontbonden met ingang van 14 juli 2015 zonder toekenning van een vergoeding. Geoordeeld werd dat sprake was van een dringende reden nu [appellant] geen plausibele verklaring heeft gegeven hoe versie 5 in productie 3 (meer in het bijzonder als bijlage bij de email van 16 januari 2014) terecht is gekomen en de kantonrechter daarom niet anders kon concluderen dan dat productie 3 niet authentiek is en [appellant], door dit stuk in te brengen in een gerechtelijke procedure, - te meer gezien zijn functies als gerechtsdeurwaarder - het vertrouwen van zijn werkgever onwaardig is geworden.

2.14

Op 14 juli 2015 heeft de kantonrechter te Rotterdam (zaaknummer 4184319) in een voorlopige voorziening de vordering tot loondoorbetaling en tewerkstelling afgewezen en [appellant] veroordeeld tot het inleveren van bedrijfseigendommen, te weten de leaseauto en de IPad, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag.

De procedure in eerste aanleg

3.1

Tegen de achtergrond van voormelde feiten heeft [appellant] in eerste aanleg, na wijziging van eis, gevorderd, kort samengevat:

- het op 18 mei 2015 gegeven ontslag op staande voet nietig te verklaren, althans te vernietigen;

- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tot 14 juli 2015 is blijven bestaan;

- te verklaren voor recht dat de als productie I (versie 6) bij dagvaarding overgelegde arbeidsovereenkomst integraal tussen partijen geldt;

- [geintimeerde] te veroordelen om aan Delta Lloyd Levensverzekeringen NV te betalen de pensioenpremie die behoort bij een tijdsevenredige affinanciering van het in de arbeidsovereenkomst toegezegde pensioen op basis van een eindloonregeling, zulks overeenkomstig de Pensioenwet met affinanciering van de backservice, op straffe van een dwangsom voor elke dag dat [geintimeerde] niet binnen drie maanden na het wijzen van dit vonnis een verklaring van de verzekeraar verstrekt waaruit blijkt dat de premie is voldaan;

- [geintimeerde] te veroordelen aan [appellant] te betalen ter zake achterstallig salaris:

a. € 2.500,-- bruto over de periode 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015;

b. € 540,-- bruto over januari 2015;

c. € 3.120,-- bruto over de periode 1 februari tot 1 mei 2015;

d. € 11.350,-- bruto over de periode 1 mei 2015 tot en met 14 juli 2015;

e. € 5.043,82 bruto vakantiegeld over de periode 1 juni 2014 tot en met 14 juli 2015;

f. € 3.348,12 bruto zijnde niet opgenomen vakantiedagen over 2014 en 2015;

de bedragen onder a. tot en met f. vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging;

g. € 2.787,50 bruto pro rata bonus over 2015;

h. € 440,-- netto telefoonkosten met wettelijke rente;

i. € 249,10 vergoeding voor ingeleverde nieuwe IPad;

j. de kosten van het geding; alsmede

- afgifte van de salarisspecificaties (en jaaropgaven) 2014 en 2015 ter zake van de maanden waarin het salaris ten onrechte niet is verhoogd, zulks op straffe van een dwangsom.

- indien de rechter van oordeel is dat versie 4 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen geldt, vordert [appellant] (subsidiair) € 3.150,-- autokosten.

Verder heeft [appellant] nog gevorderd:

- te verklaren voor recht dat [geintimeerde] bedrog heeft gepleegd in dit geding en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door misbruik van procesrecht te maken en derhalve de schade te vergoeden die daaruit voor [appellant] voortvloeit te vergoeden en de schade – waaronder in elk geval de integrale proceskosten – nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2

[geintimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd:

- te verklaren voor recht dat de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst versie 5 op 16 januari 2014 niet door [appellant] aan [geintimeerde] is verzonden;

- te verklaren voor recht dat de getekende arbeidsovereenkomst versie 5, inhoudelijk een geheel andere arbeidsovereenkomst betreft dan versie 4, welke op 16 januari 2014 door [geintimeerde] is ontvangen;

- het ter hand stellen van de bedrijfseigendommen van [geintimeerde] (waaronder bedrijfsauto en IPad) op straffe van een dwangsom;

[appellant] te veroordelen tot betaling aan [geintimeerde]:

- € 4.967,74 bruto gefixeerde schadevergoeding met wettelijke rente;

- € 1.177,50, te verhogen met btw, als voorschot op geleden schade met wettelijke rente, ter zake de kosten van de door [geintimeerde] ingeschakelde deskundige;

- € 90,65 inclusief btw met wettelijke rente, voor de kosten van betekening van het ontslag op staande voet;

- € 8.400,-- schadevergoeding met wettelijke rente, voor werkzaamheden voor de verschillende procedures;

- € 400,-- voor de proceskostenveroordeling van de eerste ontbindingsprocedure;

- € 14.621,06 voor kosten van juridische bijstand, met wettelijke rente;

- de door [geintimeerde] gemaakte proceskosten;

3.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 26 februari 2016 [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij [geintimeerde] schriftelijk dan wel per e-mail versie 5 van de arbeidsovereenkomst ter hand heeft gesteld dan wel heeft gestuurd en dat hij deze versie met [geintimeerde] inhoudelijk heeft besproken in die zin dat inhoudelijk overeenstemming is bereikt over de afwijkingen van versie 4 ten opzichte van de uiteindelijk getekende versie 6 en dat deze aanpassingen zijn overeengekomen voordat [appellant] versie 6 van de arbeidsovereenkomst heeft opgesteld en door [geintimeerde] heeft laten tekenen. Na een aktewisseling heeft de kantonrechter bij vonnis van 14 oktober 2016 de bezwaren van [geintimeerde] tegen het horen van [appellant] als getuige afgewezen, de door [appellant] bepleite benoeming van een deskundige (opnieuw) voorlopig afgewezen, en de door [appellant] aangevoerde bezwaren tegen de verdeling van de bewijslast in het vonnis van 26 februari 2016 afgewezen. De kantonrechter heeft de eisvermeerdering van [appellant], die zag op de betaling van pensioenpremie en op de (subsidiair gevorderde) autokosten toegestaan. De kantonrechter heeft op 1 februari 2017 [appellant] (in enquête) en [geintimeerde] (in contra-enquête) als getuigen in gehoord.

3.4

Bij vonnis van 7 juli 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] niet geslaagd is in de hem opgedragen bewijslevering en dat het ontslag op staande voet van 18 mei 2015 op goede gronden is verleend. De vorderingen van [appellant] in conventie zijn slechts toegewezen voor zover die zagen op betaling aan [appellant] van achterstallig salaris, vakantiegeld en vakantiedagen en betaling aan de pensioenverzekeraar van achterstallige pensioenpremie tot 18 mei 2015, en op de afgifte van salarisspecificaties over de maanden januari tot en met mei 2015, gebaseerd op de arbeidsvoorwaarden zoals neergelegd in versie 4 van de arbeidsovereenkomst. In reconventie heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat versie 5 niet op 16 januari 2014 door [appellant] aan [geintimeerde] is gezonden en dat de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, versie 5, een heel andere arbeidsovereenkomst betreft dan versie 4 die op 16 januari 2014 door [geintimeerde] is ontvangen. Verder is [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geintimeerde] van de gefixeerde schadevergoeding van € 4.967,74 bruto, de kosten van deskundige [X] en de leasekosten van € 1.177,50 exclusief btw. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en heeft de kosten van de reconventie gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Hoger beroep

4.1

[appellant] kan zich met de vonnissen van de kantonrechter niet verenigen en vordert in hoger beroep deze vonnis te vernietigen, zijn vorderingen in eerste aanleg alsnog toe te wijzen,de vorderingen van [geintimeerde] alsnog af te wijzen en [geintimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.2

[appellant] heeft tien grieven gericht tegen de beschikking van de kantonrechter die beogen de overeengekomen arbeidsvoorwaarden en het ontslag op staande voet, met alle gevolgen voor de daaruit voortvloeiende vorderingen, alsmede de vraag of [geintimeerde] misbruik heeft gemaakt van procesrecht, aan het hof voor te leggen. Grief 1 richt zich tegen het oordeel en de overwegingen van de kantonrechter dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de getekende arbeidsovereenkomst. Grief 2 richt zich tegen het oordeel dat het ontslag op staande voet terecht aan [appellant] is geven. De grieven 3 en 4 betogen dat de vorderingen van [appellant] die zien op betaling van achterstallig loon en vakantiedagen conform de getekende arbeidsovereenkomst, ten onrechte zijn afgewezen. De grieven 5, 6 en 7 richten zich tegen de afwijzing van respectievelijk de bonus over 2015, de gevorderde advocaatkosten en van de compensatie voor de door [appellant] ingeleverde IPad. De grieven 8 en 9 betogen respectievelijk dat [appellant] geen gefixeerde schadevergoeding en kosten voor de door [geintimeerde] ingeschakelde deskundige [X] verschuldigd is. Grief 10 richt zich tegen de bewijsopdracht waarvan [appellant] meent dat die ten onrechte aan hem is gegeven.

4.3

Het hof stelt vast dat geen grieven zijn gericht tegen de overwegingen en beslissingen van de kantonrechter ten aanzien van de lease- en telefoonkosten, zodat deze geen deel uitmaken van het hoger beroep.

Beoordeling

5.1

Het hof zal allereerst de aangevoerde grief 10 behandelen die zich richt tegen de bewijsopdracht aan [appellant] in het vonnis van 26 februari 2014, welke bewijsopdracht nog nader genoemd is onder 2.3 van het vonnis van 14 oktober 2014, namelijk dat de kantonrechter geen reden ziet om op die eerder bewijsopdracht terug te komen. [geintimeerde] heeft als verweer tegen de grief aangevoerd dat [appellant] niet tijdig hoger beroep heeft aangetekend tegen deze tussenvonnissen omdat [appellant] in de appeldagvaarding slechts melding maakt van appel tegen het eindvonnis en niet van appel tegen de tussenvonnissen. De vermelding in de memorie van grieven dat het appel zich ook richt tegen de tussenvonnissen van 26 februari 2014 en 14 oktober 2014, is dan ook te laat, aldus [geintimeerde]. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere HR 14 oktober 1983 (Van Ballegooij/Nauta), NJ 1984, 47 en HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 509) behoeft eerst bij de memorie van grieven duidelijk te worden van welke uitspraak precies wordt geappelleerd en met welke bezwaren. De memorie van grieven richt zich eveneens tegen de tussenvonnissen van 26 februari 2014 en 14 oktober 2014 en grief 10 ziet in het bijzonder op de in die vonnissen genoemde bewijsopdracht. Daarmee is ook duidelijk waartegen [geintimeerde] zich in deze procedure heeft te verweren. Het verweer van [geintimeerde] slaagt dan ook niet. Het hof zal grief 10 hierna inhoudelijk behandelen.

5.2

Partijen hebben ieder de arbeidsovereenkomst (versie 6) zoals genoemd onder 2.2 ondertekend. Deze arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt als een onderhandse akte als bedoeld in artikel 156 Rv die zoals volgt uit artikel 157, lid 2 Rv tussen partijen dwingend bewijs oplevert dat hetgeen daarin staat tussen partijen is overeengekomen. Dwingend bewijs houdt in – zo volgt uit artikel 151 Rv – dat de rechter gehouden is de inhoud van deze akte als waar aan te nemen, behoudens tegenbewijs. Het is dan ook aan [geintimeerde] om (tegen)bewijs te leveren van haar stelling dat hetgeen in de door haar getekende arbeidsovereenkomst is neergelegd, niet overeenkomt met hetgeen partijen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden waren overeengekomen. Met andere woorden het is aan [geintimeerde] om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. [geintimeerde] heeft ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd dat [geintimeerde] tijdens het gesprek op 14 januari 2014 duidelijk had gemaakt dat hij het niet eens was met versie 3, met daarin een salaris van € 4.500,-- per maand. Nadien heeft [appellant] op 16 januari 2014 per e-mail versie 4 aan hem toegezonden, gebaseerd op een maandsalaris van € 3.500,- bruto en 25 vakantiedagen, zonder artikel 4.6 over een periodieke salarisverhoging. Nadat [geintimeerde] versie 4 had goedgekeurd, heeft [appellant] op 21 maart 2014 de arbeidsovereenkomst uitgedraaid en aan [geintimeerde] voorgelegd. Die heeft, zonder deze te lezen en erop vertrouwende dat het om versie 4 ging, de overeenkomst getekend.

5.3

[geintimeerde] heeft als getuige (in contra-enquête) verklaard: “[appellant] heeft mij een voorstel gedaan voor een arbeidsovereenkomst en we hebben een aantal versies uitgewisseld. Het gaat dan om versie 3 en 4. Over die laatste versie hebben we in januari 2014 overeenstemming bereikt. Het ging om een salaris van € 3.500,00 en 25 vakantiedagen. (…). In januari was er nog geen overeenstemming over de vergoeding van de auto. (…) Na versie 4 van de arbeidsovereenkomst is er tot 18 februari niets meer gebeurd. (…) Het is onjuist dat [appellant] mij een concept exemplaar van de overeenkomst heeft overhandigd tijdens een autorit naar Oosterhout. Ik ben wel op 20 januari naar Oosterhout gegaan (…). [appellant] is nooit met mij meegereden. Ik ben er alleen heengereden. (…) Op een gegeven moment heeft [appellant] een arbeidsovereenkomst voorgelegd en die heb ik tussen neus en lippen door getekend. Ik heb op dat moment niet meer inhoudelijk naar de overeenkomst gekeken. Ik weet dat in de getekende versie iets stond over de autovergoeding en dat ik het daar mee eens was. Tussen neus en lippen door heb ik met [appellant] terloops nog gesproken over de autovergoeding en we zijn het eens geworden over het betalen van een vergoeding. Ik heb dat echter niet meer nagelezen. Ik heb het contract ook niet aangepast op dit punt. Ik heb het contract dat ik ontving in het geheel niet meer aangepast. (…) Ik heb een geprint exemplaar getekend maar heb dat niet zelf uitgeprint en daar ook geen opdracht toe gegeven. Ik weet niet op welke wijze het getekende arbeidscontract is opgeslagen of gearchiveerd. (…) Bij de akte van 11 november 2015 is (…) gevoegd, de e-mail van 19 januari waarin ik spreek over een bespreking in de auto. Ik doel daarbij op een bespreking per telefoon vanuit de auto. De bespreking zou gaan over versie 4 van het contract. (…) Ik heb op 20 januari 2014 geen conceptovereenkomst versie 5 ontvangen. Pas in februari ontving ik weer een nieuwe versie, en dat blijkt versie 5 te zijn geweest. Ik heb die versie niet gelezen omdat er al overeenstemming bestond over de arbeidsvoorwaarden en omdat ik [appellant] meende te kunnen vertrouwen. (…) Op 8 februari 2015 heb ik geschreven dat ik een fout moet hebben gemaakt. Ik doel daarbij op de bepaling in de getekende arbeidsovereenkomst over de periodieke verhoging. De fout is dat dit er ten onrechte instaat en dat het niet is overeengekomen. (…) Ik heb geen wijzigingen aangebracht na de ontvangst van versie 5. Ik heb ook het aantal vakantiedagen niet verhoogd van 25 naar 35. Ik heb zelf de periodieke verhoging na de eerste versies niet meer teruggehaald. Ik bedoel daarmee dat ik na versie 4 nooit een periodieke verhoging in een concept heb opgenomen. Daarover is ook niet gesproken vanaf versie 4. Het is echt waar dat ik het schriftelijke contract ongezien heb getekend. Er is een middelloonpensioen overeengekomen. Ik heb er geen idee van hoe de betalingen zijn verricht, ik heb daar mijn medewerkers voor”.

5.4

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring, in aanvulling op de tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie onvoldoende dat en wanneer [geintimeerde] heeft ingestemd met versie 4 van de arbeidsovereenkomst. Volgens [geintimeerde] vormde versie 4, door [appellant] aan [geintimeerde] toegezonden op 16 januari 2014, een juiste weergave van wat tussen partijen op dinsdag 14 januari 2014 was besproken maar niet blijkt dat [geintimeerde] zijn instemming met deze versie 4, per e-mail heeft bevestigd laat staan dat hij heeft zorggedragen voor ondertekening van die overeenkomst. Ook blijkt niet dat [geintimeerde] mondeling met versie 4 heeft ingestemd noch wanneer dat is gebeurd. Hoewel [geintimeerde] op 19 januari 2014, naar aanleiding van de toegezonden versie 4 schrijft: “bespreken wij in de auto even”, heeft dat volgens de eigen stellingen van [geintimeerde] niet (meer) plaatsgevonden en lijkt dit er veeleer op te duiden dat nog niet op alle punten overeenstemming was bereikt. In ieder geval leidt het hof uit de verklaring van [geintimeerde] af dat over de autokostenvergoeding in januari 2014 nog geen overeenstemming was bereikt. Daarover is later “tussen neus en lippen” overeenstemming bereikt, aldus [geintimeerde]. Ook de e-mail van 18 februari 2015 waarin [appellant] schrijft: “Op onderstaande mail (met bijgevoegde arb ovk) had je nog niet gereageerd. Graag alsnog je commentaar” doet vermoeden dat in ieder geval [appellant] meende dat er nog geen definitieve overeenstemming was bereikt over de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst. Uit de overige e-mailcorrespondentie blijkt ook onvoldoende dat overeenstemming bestond over versie 4. Anders dan [geintimeerde] stelt, blijkt dat niet uit de e-mail van 9 januari 2014 waarin [appellant] schrijft dat het concept er goed uit ziet, op een paar kleine puntjes na. Immers, nadien heeft [appellant] nog op 14 januari 2014 een versie 3 toegestuurd waarin hij een tegenvoorstel doet gebaseerd op een van dat eerdere concept afwijkend salaris van € 4.500,-- per maand. Nu niet aannemelijk is geworden dat al definitieve overeenstemming bestond over (versie 4 van) de arbeidsovereenkomst, kan het hof [geintimeerde] niet volgen in de stelling dat [geintimeerde] de bijlage bij de e-mail van 18 februari 2014 niet meer heeft gelezen (terwijl nota bene werd geschreven dat hij nog niet gereageerd had en om zijn commentaar werd gevraagd) en de hem voorgelegde arbeidsovereenkomst op 21 maart 2014, ongelezen heeft getekend, omdat hij meende dat er overeenstemming was over versie 4 en hij er van uitging dat [appellant] hem die versie had voorgelegd.

5.5

Dat partijen overeenstemming zouden hebben bereikt over versie 4, maar dat E. [geintimeerde] op oneerlijke gronden is bewogen versie 6 (zie 2.2) te tekenen kan naar het oordeel van het hof niet worden opgemaakt uit de gang van zaken rond de verzending van de versies 4 en 5 door [appellant]. Inmiddels staat tussen partijen vast dat [appellant] versie 5 bij e-mail van 18 februari 2014 aan [geintimeerde] heeft gezonden, terwijl bij de doorgestuurde mail van 16 januari 2014 waarop een reactie werd gevraagd eerder versie 4 was gevoegd. Daargelaten dat een en ander wellicht te verklaren is door het verschil tussen het forwarden van achterliggende e-mails of het replyen op eerdere e-mails, zodat van "geknoei" geen sprake hoeft te zijn geweest, had het [appellant] gesierd als hij in het kader van de onderhandelingen over zijn arbeidsovereenkomst zijn werkgever er (ook schriftelijk) op zou hebben geattendeerd dat hij hem een nieuwe, gewijzigde versie toezond. Door in de e-mail van 18 februari 2014 te verwijzen naar de e-mail van 16 januari 2014, waar destijds versie 4 oorspronkelijk bij was gevoegd als de overeenkomst die “afgelopen dinsdag” was besproken, en door deze versie 4 zonder uitdrukkelijke (schriftelijke) attendering nadien te vervangen door een versie 5, heeft [appellant] het risico genomen dat hij [geintimeerde] hiermee op het verkeerde been zou zetten. [appellant] heeft als getuige weliswaar verklaard dat hij de wijzigingen uit versie 5 op 20 januari 2014 heeft besproken met [geintimeerde], toen hij met hem meereed naar Oosterhout, maar – veronderstellenderwijze uitgaande van de juistheid van deze verklaring, die door [geintimeerde] is weersproken – geldt dat inmiddels bijna een maand in tijd was verstreken en van [geintimeerde] niet zonder kon meer worden verwacht, gelet op het aantal versies dat gewisseld was, dat zij nog exact wist welke versie, met welk nummer het laatst aan haar verzonden was. De wijze van toezending van versie 5 door [appellant] aan [geintimeerde] verdient dan ook geen schoonheidsprijs. Het gaat echter te ver om hieruit te concluderen dat [appellant] [geintimeerde] heeft misleid bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst versie 6, welke arbeidsovereenkomst overigens op relevante punten (o.a. het eindloonpensioen) afwijkt van versie 5. Dit klemt te meer nu – zoals hiervoor overwogen – niet aannemelijk is geworden dat partijen overeenstemming hadden bereikt over versie 4 en [geintimeerde] onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gang van zaken rond de ondertekening van de arbeidsovereenkomst versie 6. Partijen hebben verschillend verklaard over wie versie 6 heeft opgesteld, volgens [appellant] zou dit [geintimeerde] zijn geweest, terwijl [geintimeerde] heeft verklaard dat [appellant] “op enig moment” aan hem een arbeidsovereenkomst ter ondertekening heeft voorgehouden en dat hij deze “tussen de bedrijven door” heeft getekend. Volgens [appellant] hebben partijen versie 6 op 21 maart 2014 gezamenlijk doorgenomen, waarna partijen de overeenkomst hebben getekend (inleidende dagvaarding onder 8, akte vermeerdering van eis onder 69). Er is geen reden om aan de verklaring van E. [geintimeerde] meer geloof te hechten dan aan de verklaring van [appellant], temeer daar weinig geloofwaardig is dat [geintimeerde] – die als deurwaarder bekend moet zijn met de betekenis van een handtekening op een onderhandse akte – ongezien een door de werknemer uitgeprinte arbeidsovereenkomst tekent, terwijl diverse versies van deze arbeidsovereenkomst de revue hebben gepasseerd en niet gebleken is dat op enig moment – zwart op wit – overeenstemming over een van deze versies is bereikt (in de visie van [geintimeerde] zelf zouden uit versie 4 de autokosten nog moeten worden verwijderd). Bovendien heeft [geintimeerde] niet verklaard hoe hij is gekomen tot de separate ondertekening van de verklaring na artikel 13 over het verrichten van nevenwerkzaamheden. Deze laatste verklaring was ook niet eerder aan versie 4 toegevoegd.

5.6

Daarbij komt dat [geintimeerde] in de e-mail van 8 februari 2015 aan [appellant] heeft geschreven dat er fouten in het contract zitten, dat de fouten “mijnerzijds” zijn gemaakt en [geintimeerde] die als zodanig erkent. Ter gelegenheid van het getuigenverhoor heeft [geintimeerde] nog verklaard dat hij met “fout” doelde op de bepaling in de getekende arbeidsovereenkomst over de periodieke verhoging en dat de fout is dat deze bepaling er ten onrechte in staat en niet was overeengekomen en de bepaling na de eerste versies niet in versie 4 is teruggekomen. Daargelaten dat de periodieke verhogingen voor het eerst in versie 5 zijn opgenomen, verklaart dit niet waarom [geintimeerde] schrijft dat er (meerdere) fouten (onderstreping hof) in de arbeidsovereenkomst staan en hij die bij zichzelf legt in plaats van bij de door hem gestelde misleiding door [appellant]. Ook deze e-mail en verklaring bieden naar het oordeel van het hof onvoldoende steun voor de stelling dat [geintimeerde] door [appellant] is misleid om een overeenkomst te tekenen die afweek van de tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden. De ondertekende arbeidsovereenkomst bevat voor [appellant] substantieel gunstiger arbeidsvoorwaarden dan die zijn neergelegd in versie 4 (35 vakantiedagen, de eerste twee jaar iedere zes maanden € 500,-- bruto loonsverhogingen en een pensioen op basis van een eindloonregeling) en die ook gunstiger zijn dan de arbeidsvoorwaarden van de andere (toegevoegd) kandidaat gerechtsdeurwaarders bij [geintimeerde]. Echter, ook in samenhang met hetgeen overigens (hiervoor) door [geintimeerde] is aangevoerd, is dit onvoldoende voor het tegenbewijs dat niet de ondertekende arbeidsovereenkomst tussen partijen is overeengekomen. De situatie van [appellant] week immers ook op andere punten af van die van andere kandidaat gerechtsdeurwaarders, voor welke afwijking [appellant], door [geintimeerde] onvoldoende gemotiveerd weersproken, diverse redenen heeft aangevoerd (o.a. hulp bij het ondernemingsplan dat voorzag in de verzelfstandiging van de gerechtsdeurwaarders). Dit plan zou zijn stukgelopen als gevolg van het feit dat het hof Amsterdam op 9 september 2014 heeft geoordeeld dat freelance deurwaarders in zijn strijd zijn met de Gerechtsdeurwaarderswet. Daarbij komt dat [geintimeerde] een professioneel deurwaarderskantoor is waar verschillende (toegevoegd) kandidaat gerechtsdeurwaarders in dienst zijn. Van [geintimeerde] mocht dan ook worden verwacht dat zij op zorgvuldige wijze een arbeidsovereenkomst met een werknemer aangaat en daar op correcte wijze uitvoering aan geeft en niet onder die arbeidsovereenkomst ongelezen een handtekening ter instemming plaatst om daar later op terug te komen. [appellant] kan ook in dat verband niet worden tegengeworpen dat hij pas in januari 2015, na verloop van enkele maanden na de eerste salarisverhoging, aan de orde heeft gesteld dat [geintimeerde] geen correcte uitvoering gaf aan de door haar getekende arbeidsovereenkomst.

5.7

Gelet op het voorgaande heeft [geintimeerde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hetgeen in de door beide partijen getekende arbeidsovereenkomst is neergelegd, niet overeenkomt met hetgeen partijen zijn overeengekomen. Voor nadere bewijslevering is thans geen plaats meer. [geintimeerde] heeft geen bewijsaanbod gedaan en bovendien zijn bij de kantonrechter al getuigen gehoord en is niet gesteld of gebleken dat getuigen meer en anders kunnen verklaren dan de getuigen die al zijn gehoord.

5.8

Het voorgaande betekent dat grief 10 van [appellant] slaagt. Dat geldt successievelijk ook voor grief 1, die zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat op de onjuiste bewijslastverdeling voortborduurt. Hieruit volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat de door partijen getekende arbeidsovereenkomst (zie onder 2.2 hierboven) met ingang van 1 februari 2014 tussen partijen heeft gegolden. Voor wat betreft de einddatum van de arbeidsovereenkomst, 18 mei 2015 (de datum van ontslag op staande voet) of 13 juli 2015 (gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 14 juli 2015, voor zover die nog bestaat), overweegt het hof als volgt.

Ontslag op staande voet

5.9

Aan het ontslag op staande voet van 18 mei 2015 heeft [geintimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellant] zowel de rechtbank als [geintimeerde] valselijk heeft voorgelicht, hij productie 3 bij het verweerschrift (in de eerste ontbindingsprocedure) heeft vervalst en de rechtbank heeft voorzien van een valselijk opgemaakt bewijsstuk. Ook ligt aan het ontslag ten grondslag dat [appellant] heeft gelogen over het gebruik van Parkline voor privédoeleinden en dat hij, sinds februari 2015 zijn werkdag niet om 8:30 uur aanvangt maar niet eerder dan vanaf 10:00 uur.

5.10

Onder 5.5 hierboven heeft het hof overwogen dat het [appellant] had gesierd om bij de onderhandelingen over zijn arbeidsvoorwaarden [geintimeerde] (schriftelijk) te attenderen op de als bijlage bij zijn e-mail van 18 februari 2014 toegevoegde versie 5. Door vervolgens deze e-mail in te brengen als productie 3 bij de dagvaarding van 7 april 2015 in de loonvorderingsprocedure en opnieuw bij het verweerschrift in de eerste ontbindingsprocedure (als productie 3 bij productie 4), geen melding te maken dat de bijlage bij de oorspronkelijke e-mail van 16 januari 2014 versie 4 was, heeft [appellant] de indruk gewekt dat versie 5 al op 16 januari 2014 door hem aan [geintimeerde] was toegezonden. Het is dan ook (mede) aan [appellant] te wijten dat hierover verwarring is ontstaan en die verwarring is alleen maar groter geworden daar waar (de gemachtigde van) [appellant] onder 6 van het verweerschrift schrijft dat [appellant] de gemaakte afspraken in een vijfde concept versie op 18 januari 2014 (onderstreping hof) aan [geintimeerde] heeft toegezonden, terwijl bedoeld zal zijn 18 februari 2014. Dat neemt niet weg dat [geintimeerde] (zoals hiervoor overwogen) op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de toezending van versie 5 bij mail van 18 februari 2014 heeft geleid tot het tekenen van versie 6. De vraag die resteert is dus of de proceshouding van [appellant] in de ontbindingsprocedure een grond voor ontslag op staande voet kan zijn. Het hof is van oordeel dat in zijn algemeenheid terughoudendheid betracht moet worden bij het aannemen van een dringende reden voor ontslag op staande voet die gegrond is op de opstelling van een werknemer in een juridische procedure waarin hij tegenover zijn werkgever staat, temeer daar de werknemer in een dergelijke procedure veelal door een juridisch gekwalificeerde gemachtigde wordt bijgestaan en naar diens advies zal luisteren en ook de dynamiek van een zitting en onervarenheid in rechte ertoe kan leiden dat voor een werknemer niet altijd duidelijk is wat hij wel en niet moet zeggen. In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat de handelwijze van [appellant] geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van een vervalsing van de als productie 3 (bij productie 4) van het verweerschrift overgelegde e-mail noch dat [appellant] de rechtbank heeft voorzien van een valselijk opgemaakt bewijsstuk. De productie betreft immers de e-mail van 18 februari 2014 zoals die daadwerkelijk door [appellant], met versie 5 aan [geintimeerde] is verzonden. Hoewel wederom geldt dat het [appellant] had gesierd als hij in die mail had toegelicht dat hij anders dan bij de oorspronkelijke e-mail van 16 januari 2014 waar naar werd verwezen, versie 5 had toegevoegd, kwalificeert dit, gelet op het ontbreken van een vervalst document of valselijk opgemaakt bewijsstuk, niet als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Ook de overige reden, het te laat aanvangen met de werkzaamheden en het privé gebruik van Parkline is onvoldoende ernstig om hier een dringende reden voor ontslag op staande voet op te leveren. Dit betekent dat het hof het ontslag op staande voet van 18 mei 2015 nietig zal verklaren en verder, zoals door [appellant] verzocht, voor recht zal verklaren dat de arbeidsovereenkomst tot 14 juli 2015 is blijven bestaan en de ondertekende arbeidsovereenkomst (overgelegd als productie I (versie 6) bij dagvaarding, zie 2.2) tot die datum integraal tussen partijen geldt. Grief 2 slaagt, evenals grief 8 die zich richt tegen de gefixeerde schadevergoeding die [appellant] – bij het ontbreken van een dringende reden – niet verschuldigd is.

Vordering uit hoofde van onrechtmatig handelen

5.11

De gevorderde verklaring voor recht dat [geintimeerde] bedrog heeft gepleegd in dit geding en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door misbruik van procesrecht te maken zal worden afgewezen. Ook hier geldt dat het hof terughoudendheid betracht bij de beoordeling of er sprake is van onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht aangezien partijen in een civiele procedure een grote mate van vrijheid hebben ten aanzien van hetgeen zij ter onderbouwing van hun stellingen wensen aan te voeren. Gelet op de overwegingen hiervoor onder 5.10, kan het hof de kwalificatie van [geintimeerde] dat er sprake is geweest van een vervalsing van de e-mail van 16 januari 2014 door [appellant] en de verder processuele opstelling van [geintimeerde] die daarmee samenhangt, niet aanmerken als misleiding, onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht. Ook de vordering tot schadevergoeding, daaronder begrepen de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten, wordt daarom afgewezen. Grief 6 slaagt niet.

Achterstallig salaris en pensioenpremies

5.12

Nu als uitgangspunt heeft te gelden dat de ondertekende arbeidsovereenkomst tot 14 juli 2015 is blijven bestaan zullen de verschillende – inhoudelijk verder niet betwiste – vorderingen van [appellant] tot betaling van achterstallig salaris c.a. worden toegewezen. Het betreft de volgende bedragen:

a. € 2.500,-- bruto over de periode 1 augustus 2014 tot 1 januari 2015;

b. € 540,-- bruto over januari 2015;

c. € 3.120,-- bruto over de periode 1 februari tot 1 mei 2015;

d. € 11.350,-- bruto over de periode 1 mei 2015 tot 14 juli 2015;

e. € 5.043,82 bruto vakantiegeld over de periode 1 juni 2014 tot 14 juli 2015;

f. € 3.348,12 bruto zijnde niet opgenomen vakantiedagen over 2014 en 2015;

de bedragen onder a. tot en met f. vermeerderd met wettelijke rente zoals gevorderd en vermeerderd met de wettelijke verhoging die het hof, evenals de kantonrechter, op 10% stelt.

Ook zal worden toegewezen de vordering tot afgifte van de salarisspecificaties over de maanden waarin het salaris ten onrechte niet is verhoogd, derhalve vanaf 1 augustus 2014 en de afgifte van de jaaropgaven 2014 en 2015, gebaseerd op de getekende arbeidsovereenkomst, op straffe van een, hierna te maximeren, dwangsom.

Verder zal [geintimeerde] haar pensioenverplichtingen uit hoofde van artikel 7 van de ondertekende arbeidsovereenkomst moeten nakomen. [geintimeerde] zal worden veroordeeld aan Delta Lloyd Levensverzekeringen NV te betalen de ingevolge de arbeidsovereenkomst verschuldigde pensioenpremies en affinanciering op basis van het eindloonsysteem, op straffe van een, hierna te maximeren, dwangsom. De grieven 3 (achterstallig salaris c.a.) en 4 (vakantiedagen) slagen.

Bonus 2015

5.13

Ten aanzien van de bonus staat in artikel 4 lid 2 van de arbeidsovereenkomst: “Tevens ontvangt de werknemer jaarlijks, uit te betalen in december, een bonus van max 1 maand brutosalaris op basis van een volledig werkjaar met dien verstande dat het bedrijfsresultaat zulks moet toelaten”. Blijkens het Handboek van [geintimeerde] kan het management beslissen om een bonus toe te kennen. Van een verplichting is dan ook geen sprake. Verder heeft [geintimeerde] gesteld dat het bedrijfsresultaat over 2015 een bonus niet toeliet en geen van de gerechtsdeurwaarders een bonus over 2015 heeft gekregen. Ook in hoger beroep heeft [appellant] dit onvoldoende weersproken, noch heeft hij gesteld dat andere gerechtsdeurwaarders wel over 2015 een bonus hebben gekregen. De vordering wordt dan ook afgewezen. Grief 5 faalt.

IPad en subsidiair gevorderde autokosten

5.14

Grief 7 van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter tot afwijzing van de vergoeding voor de door [appellant] ingeleverde (nieuwe) IPad. Die IPad is ingeleverd teneinde te kunnen voldoen aan het kort geding vonnis van 14 juli 2015 en ter voorkoming van het verbeuren van dwangsommen. Blijkens zijn eigen stellingen heeft [appellant] indertijd van zijn werkgever een IPad te leen gekregen die hij reeds in 2014 zou hebben ingeleverd omdat de applicatie niet goed zou werken. [geintimeerde] betwist dat de (door [geintimeerde] ter beschikking gestelde) IPad is ingeleverd. [appellant] draagt het bewijs van de stelling dat hij de aan hem ter beschikking gestelde IPad heeft ingeleverd. Nu [geintimeerde] dit betwist en een bewijsaanbod ter zake ontbreekt, zal de vordering tot vergoeding van de kosten van de ingeleverde nieuwe IPad worden afgewezen. Grief 7 slaagt daarom niet. Het hof komt niet toe aan toekenning van de subsidiaire vordering tot vergoeding van de autokosten op basis van versie 4. Het hof heeft immers al geoordeeld dat de getekende arbeidsovereenkomst tussen partijen geldt en daarin is geen vergoeding voor autokosten overeengekomen.

Kosten deskundige [X]

5.15

Grief 9 richt zich tegen de toewijzing door de kantonrechter van de vordering van [geintimeerde] ter zake de kosten van deskundige [X] van € 375,-- exclusief btw. Deze grief slaagt. Uit hetgeen hiervoor onder 5.10 is overwogen, blijkt dat niet is komen vast te staan dat [appellant] jegens [geintimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Hij is dan ook niet aansprakelijk voor eventuele onderzoekskosten door [geintimeerde] gemaakt, nog daargelaten dat de noodzaak van de te maken kosten onvoldoende is komen vast te staan. Grief 9 slaagt derhalve.

De door [geintimeerde] gevorderde verklaringen voor recht

5.16

Gelet op de aan [appellant] toegewezen verklaring voor recht – kort gezegd – dat de arbeidsovereenkomst versie 6 tussen partijen geldt, heeft [geintimeerde] (zoals [appellant] kennelijk meent, hetgeen door [geintimeerde] onvoldoende gemotiveerd is weersproken- ) geen belang bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht ten aanzien van de eerdere versies 4 en 5. Het bestreden vonnis van 7 juli 2017 wordt ook op dit punt vernietigd.

Proceskosten

5.17

Bij deze stand van zaken zal het hof het (op 1 september 2017 verbeterde) vonnis van 7 juli 2017 (deels) vernietigen. Bij vernietiging van het tussenvonnis van 26 februari 2016 bestaat geen belang omdat dit geen te executeren beslissingen bevat en dus volstaan kan worden met gedeeltelijke vernietiging van het eindvonnis. [geintimeerde] zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie, en in hoger beroep. Voor toekenning van integrale proceskosten is geen plaats, van misbruik van procesrecht is niet gebleken.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in conventie en in reconventie van de kantonrechter Rotterdam van 7 juli 2017 (welk vonnis op 1 september 2017 is verbeterd), voor zover aan het hof voorgelegd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    verklaart het op 18 mei 2015 gegeven ontslag op staande voet nietig;

  • -

    verklaart voor recht dat de als productie I (versie 6) bij initiële dagvaarding overgelegde arbeidsovereenkomst integraal tussen partijen geldt en tot 14 juli 2015 is blijven bestaan;

  • -

    veroordeelt [geintimeerde] aan [appellant] te betalen:

a. € 2.500,-- bruto over de periode 1 augustus 2014 tot en met december 2014, vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de laatste van elke maand, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10%;

b. € 540,-- bruto over januari 2015, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2015, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10%;

c. € 3.120,-- bruto over de periode februari tot en met 30 april 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over elke termijn vanaf de laatste dag van enige maand, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10%;

d. € 11.350,-- bruto over de periode 1 mei 2015 tot 14 juli 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over elke termijn vanaf de laatste dag van enige maand, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10%;

e. € 5.043,82 bruto vakantiegeld over de periode 1 juni 2014 tot 14 juli 2015;

f. € 3.348,12 bruto voor niet opgenomen vakantiedagen over 2014 en 2015, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2015, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10%;

  • -

    veroordeelt [geintimeerde] aan [appellant] tot afgifte van de salarisspecificaties vanaf 1 augustus 2014 en de jaaropgaven 2014 en 2015, uiterlijk binnen vier weken na het wijzen van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per week, met een maximum van € 500,--;

  • -

    veroordeelt [geintimeerde] om aan Delta Lloyd Levensverzekeringen NV te betalen de pensioenpremie die behoort bij een tijdsevenredige affinanciering van het in de arbeidsovereenkomst toegezegde pensioen op basis van een eindloonregeling, zulks overeenkomstig de Pensioenwet met affinanciering van de backservice, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag, voor elke dag dat [geintimeerde] niet binnen drie maanden na het wijzen van dit vonnis een verklaring van de verzekeraar verstrekt waaruit blijkt dat de premie is voldaan, met een maximum van € 15.000,--;

  • -

    veroordeelt [geintimeerde] van de kosten van het geding (in conventie en reconventie) in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 7 juli 2017 begroot op € 96,16 aan explootkosten, € 78,-- aan griffierecht en € 1.500,-- aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [geintimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 398,42 aan verschotten en € 3.222,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, M.J. van der Ven en I. Zaal en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.