Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1869

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
200.248.780/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Omvang informatieplicht van een erfgenaam jegens legitimarissen op de voet van artikel 4:78 BW/4:67 BW. De verplichting is beperkt tot het vermogen per sterfdatum en opgave van schenkingen voor zover bekend. Zij omvat niet het verschaffen van inzicht in het vermogensverloop over jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0166
JIN 2019/158 met annotatie van Raphael, S.L.
Jurisprudentie Erfrecht 2019/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.248.780/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/546873/ KG ZA 18-262

arrest van 18 juni 2019

inzake

[partner van erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: mr. A.C. Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

[kind een] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

[kind twee] ,

wonende [woonplaats] ,

hierna te noemen: geïntimeerden,

tegen wie verstek is verleend/niet verschenen.

Het verloop van het geding

Appellante is op 4 oktober 20018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 september 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.

Tegen geïntimeerden is verstek verleend.

Bij memorie van grieven heeft appellante 8 grieven geformuleerd.

Appellante heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Bestreden vonnis 17 september 2018

2. De voorzieningenrechter heeft als volgt beslist:

5.1.

veroordeelt gedaagde binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan eisers af te geven de volgende bescheiden (voor zover niet al verstrekt):

- de afschriften van alle door erflater in Nederland aangehouden bankrekeningen en creditcards over de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 oktober 2016;

- de afschriften van alle door erflater in Curaçao aangehouden bankrekeningen en creditcards over de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 oktober 2016;

- de aangifte inkomstenbelasting van erflater in Nederland over de jaren 2015 en 2016;

- de aangifte inkomstenbelasting van erflater in Curaçao over de jaren 2015 en 2016;

en indien over enig jaar geen aangifte is gedaan een verklaring hieromtrent van de belastingdienst;

5.2.

bepaalt dat indien gedaagde met de afgifte van een of meer van de hiervoor vermelde bescheiden in gebreke blijft, zij aan eisers een dwangsom moet betalen van € 12.500,- per informatiestroom;

5.3.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. tot op heden begroot op € 1.860.91;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Vordering appellante

3. Appellante vordert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2018 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

de vorderingen van geïntimeerden alsnog af te wijzen, althans geïntimeerden niet-ontvankelijke te verklaren in hun vorderingen;

geïntimeerden te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, de eventuele nakosten daaronder begrepen;

geïntimeerden te veroordelen tot terugbetaling aan appellante van de door haar naar aanleiding van het bestreden vonnis voldane proceskostenveroordeling van € 1860,91.

Enige feiten en juridisch kader

4. Erflater is op 10 oktober 2016 overleden. Geïntimeerden zijn twee van zijn drie kinderen uit zijn eerste en enige huwelijk. Bij testament van 9 mei 2016 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt en heeft hij appellante (zijn partner) benoemd tot zijn enige erfgename. Tevens heeft hij haar benoemd tot (beheers)executeur. Geïntimeerden hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie. Uit de dagvaarding in eerste aanleg volgt dat geïntimeerden van appellante op grond van art 4:78 BW informatie wensten te verkrijgen om hun legitieme portie te kunnen berekenen. Uit de inleidende dagvaarding volgt onder meer het volgende:

- appellante heeft aan geïntimeerden een boedelbeschrijving verstrekt en enkele onderliggende bescheiden;

- appellante heeft verklaard dat er geen sprake is van giften zodat zij daar ook geen overzicht van kan verstrekken;

- geïntimeerden stellen goede gronden te hebben te concluderen dat de boedelbeschrijving onjuiste gegevens bevat en dat alle relevante gegevens ontbreken;

- uit randnummer 9 van de inleidende dagvaarding volgt dat geïntimeerden een zeer groot aantal gegevens opvragen met betrekking tot de periode van 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016. Eveneens vragen zij een verklaring van BDO over hun werkzaamheden voor erflater dan wel zijn B.V.. Ook wensen zij van appellante een onderbouwde waardering van de aandelen op de peildatum alsmede een opgave van levensverzekeringen van erflater.

Kern van de grief van appellante

5. De kern van de grief van appellante komt erop neer dat de voorzieningenrechter een te ruime reikwijdte aan de informatieplicht van art 4:78 BW heeft gegeven mede bezien het feit dat de informatievoorziening moet worden geplaatst binnen de context van art 4:67 BW. In randnummer 15 van de memorie van grieven stelt appellante dat de reikwijdte van art 4:78 BW wordt beperkt tot het verstrekken van stukken en informatie van de omvang van de nalatenschap op het moment van overlijden. Daarnaast brengt art 4:78 BW met zich mee dat verlangd mag worden dat een opgave wordt gedaan van schenkingen voor zover bekend. Eerst nadat er een opgave van schenkingen is gedaan, kan informatie verlangd worden waaruit de omvang/waarde van de opgegeven schenkingen blijkt. Voor de omvang van de informatieplicht verwijst appellante naar het arrest van dit hof van 5 augustus 2014 GHDHA:2014:2987. Appellante is van mening dat zij slechts gehouden is om opgave te doen van de haar bekende schenkingen. Voorts begrijpt het hof uit de stelling van appellante dat zij niet aan geïntimeerden behoeft te verstrekken de stukken die betrekking hebben op het vermogensverloop van erflater tijdens het leven van erflater. Uit randnummer 20 van de memorie van grieven volgt dat appellante van mening is dat zij aan geïntimeerden alle haar bekende relevante informatie heeft verstrekt voor het bepalen van de omvang van hun legitimaire vorderingen en dat er derhalve geen grond meer was om appellante te veroordelen tot het verstrekken van nog meer informatie.

6. Het hof stelt voorop, dat thans in het midden kan blijven in welke hoedanigheid – executeur of erfgenaam - appellante dient te voldoen aan haar informatieplicht van art 4:78 BW. Door de beneficiaire aanvaarding door appellante op 10 november 2016 is haar taak als executeur geëindigd en uit de stukken valt af te leiden dat er geen sprake is van een ruimschoots saldo als bedoeld in art 4:202 BW, zodat die uitzondering niet van toepassing is. De nalatenschap van erflater had vereffend moeten worden en daarbij is art 4:78 BW niet van toepassing. De vereffening biedt immers voldoende bescherming voor schuldeisers van de nalatenschap, waaronder legitimarissen. Vast staat dat geïntimeerden niet van door hen door de vereffeningsbepalingen geboden mogelijkheden gebruik hebben gemaakt, zodat ook via de weg van de vereffening – aanwijzing kantonrechter (art 4:210 BW) - geen informatie is verstrekt aan de legitimarissen.

Bij beschikking van 8 januari 2018 heeft de kantonrechter vastgesteld dat de vereffening kennelijk is voltooid. In de eerste aanleg is appellante gedagvaard mede in haar hoedanigheid van executeur. In hoger beroep komt appellante (terecht) op voor zich in privé, derhalve als erfgename.

De informatieplicht van art 4:78 BW van appellante als erfgename van erflater jegens geïntimeerden is een ruime en moet mede gelezen worden in verbinding met art 4:67 BW. De legitimarissen moeten over zodanige informatie beschikken dat zij hun legitimaire aanspraken kunnen berekenen. Uit de inleidende dagvaarding van geïntimeerden volgt dat appellante aan geïntimeerden een boedelbeschrijving heeft verstrekt met bankafschriften, aangiften en aanslagen, alsmede jaarrekeningen, waaruit het saldo van de nalatenschap volgt op het tijdstip van overlijden van erflater. Voorts heeft zij verklaard dat het haar niet bekend is dat erflater schenkingen heeft gedaan. Aldus heeft zij informatie verschaft over eventueel in het verleden gedane giften door erflater.

Uit de inleidende dagvaarding volgt dus dat appellante inzage heeft gegeven met betrekking tot de goederen en schulden van erflater op zijn sterfdatum en voorts heeft opgegeven dat – voor zover haar bekend – geen giften zijn gedaan door erflater. Appellante behoeft slechts verificatoire bescheiden met betrekking tot het vermogen van erflater te verstrekken per zijn sterfdatum, alsmede opgave te doen van in het verleden door erflater gedane giften. Daartoe dienen onder meer bankafschriften met het saldo op de sterfdatum, overlijdensaangifte inkomstenbelasting, aangifte erfbelasting en de betreffende aanslagen. Appellante behoeft aan geïntimeerden geen inzicht te verschaffen in het vermogensverloop in de periode 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016. Zulks geldt ook voor de aangiften inkomstenbelasting en aanslagen over het verleden. Erflater stond niet onder curatele of bewind. Erflater kon derhalve zijn leven invullen zoals hij wenste en achteraf kunnen legitimarissen niet eisen dat alsnog rekening en verantwoording dient te worden afgelegd met betrekking tot de leefwijze van erflater en het mogelijk daarmee gepaard gaande uitgavenpatroon. Het hof is derhalve van oordeel dat de voorzieningenrechter in het onderhavige geval een te ruime uitleg heeft gegeven aan de informatieplicht van art 4:78 BW. De grief van appellante treft doel. Met uitzondering van de grief inzake de proceskosten behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

Proceskosten

7. Nu geïntimeerden alsnog in het ongelijk worden gesteld, worden zij veroordeeld in de kosten zowel in eerste aanleg als in appel.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2018 en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van geïntimeerden alsnog af;

veroordeelt geïntimeerden in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in appel tot aan deze uitspraak begroot op € 3.153,- en aldus gespecificeerd:

- eerste aanleg: griffierecht en salaris advocaat € 1.761,-

- hoger beroep: griffierecht € 318,- en salaris advocaat € 1.074,-;

veroordeelt geïntimeerden om aan appellante tegen behoorlijk bewijs van kwijting terug te betalen de proceskosten in eerste aanleg € 1.860,91.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en A.E. Sutorius-van Hees, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.