Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1725

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
27-06-2019
Zaaknummer
2200243918
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. De verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid geld witgewassen door, samen met anderen, virtuele valuta (bitcoins) om te zetten in contant geld. De geldbedragen waren grotendeels afkomstig van darkwebmarkt Silk Road en werden via een platform voor de handel in virtuele valuta in kleine hoeveelheden bijgeschreven op de bankrekeningen van twee zogenaamde moneymules. Vervolgens werden de geldbedragen telkens direct nadat ze waren bijgeschreven op die bankrekeningen, contant opgenomen. Zodoende zijn op grote schaal bitcoins afkomstig van een darkwebmarket omgezet in contante euro’s en is de werkelijke herkomst van deze gelden daardoor verhuld. Hierin heeft de verdachte een wezenlijke rol gehad. Illustratief daarvoor is de toegang die de verdachte had tot het account op het platform voor de handel in virtuele valuta op naam van een van de moneymules. Hiermee had de verdachte letterlijk de sleutel in handen tot de totale opbrengst van de witwasketen, die een substantieel bedrag vertegenwoordigde. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 32 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002439-18

Parketnummer: 10-660104-15

Datum uitspraak: 26 juni 2019

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 9 april en 12 juni 2019.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 december 2011 tot en met 7 augustus 2013 te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens)

a. a) van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en),
- tot een totaal van 826.001,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1]) en/of
- tot een totaal van 27.715,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2]),
althans (telkens) een of meer geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was dan wel

b) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen, - tot een totaal van 826.001,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1]) en/of

- tot een totaal van 27.715,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2]),

althans (telkens) een of meer geldbedrag(en)

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededaders (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - uit misdrijf afkomstig was/waren;

2.
hij op of omstreeks 13 september 2014 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 december 2011 2 maart 2012 tot en met 7 augustus 2013 te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens)

a. a) van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en),
- tot een totaal van 826.001,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1]) en/of
- tot een totaal van 27.715,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2]),
althans (telkens) een of meer geldbedrag(en)
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was dan wel

b) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen, - tot een totaal van 826.001,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1]) en/of

- tot een totaal van 27.715,00 euro of daaromtrent (door tussenkomst van één of meer bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2]),

althans (telkens) een of meer geldbedrag(en)

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededaders (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - uit misdrijf afkomstig was/waren;

2.
hij op of omstreeks 13 september 2014 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting


Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd – overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen – dat het uit Oostenrijk verkregen bewijs, bestaande uit een verklaring van mevrouw [getuige 1] (bedrijfsleidster van [platform], hierna [platform]) en de later door haar verstrekte informatie, onrechtmatig is verkregen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat [getuige 1], na het verhoor, op verzoek van de Nederlandse politie – in strijd met hetgeen in het rechtshulpverzoek is vastgelegd – rechtstreeks documenten heeft gemaild naar de Nederlandse politie, die deze documenten heeft geanalyseerd en in het dossier heeft gevoegd.
Er is volgens de raadsman sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, welk verzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Niet ter discussie staat dat [getuige 1] is gehoord in het kader van de uitvoering van een rechtshulpverzoek gericht aan Oostenrijk. Het hof stelt verder vast dat blijkens het proces-verbaal van ontvangst ([nummer], doorgenummerde p. 47) het verhoor van [getuige 1] heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013 ten overstaan van Oostenrijkse politiefunctionarissen. Zij verklaarde in dit verhoor dat zij bepaalde vragen niet direct kon beantwoorden, omdat zij daartoe informatie moest opzoeken. [getuige 1] heeft in het verhoor toegezegd de informatie op een later moment te geven. Deze informatie heeft zij blijkens dit proces-verbaal verstuurd aan politiefunctionaris [verbalisant 1], werkzaam bij de Politie Eenheid Wenen in Oostenrijk en betrokken bij het verhoor op 2 oktober 2013. Deze heeft de informatie gedeeld met verbalisant [verbalisant 2], werkzaam bij de Politie Eenheid Rotterdam. Deze gang van zaken past daarom in de normale uitvoering van het rechtshulpverzoek. Van enig vormverzuim is geen sprake. Het verzoek wordt daarom verworpen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Ten aanzien van feit 1:

1. Een proces-verbaal met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 131030t046.RHV, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3], doorgenummerde p. 26 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:

In het kader van dit onderzoek werd middels een rechtshulp verzoek in Oostenrijk als getuige gehoord [getuige 1], in de hoedanigheid van bedrijfsleidster van [platform].

(..)

Het bedrijf [platform] werd in 2007 opgericht met als doel een platform te creëren om virtuele goederen online te verhandelen, net zoals eBay dat voor reële goederen doet. Onze dienstverlening behelst het beschikbaar stellen van een virtuele marktplaats ([platform]). Typische gebruikers van het systeem zijn leden van de virtuele wereld ‘Second Life’, die prestaties aanbieden (primair lay-out, zoals kleding) of kopen en daarbij de bij de wereld passende valuta (Linden Dollars) nodig hebben.

[medeverdachte 1] (het hof begrijpt steeds: [medeverdachte 1] en/of door een derde met gebruikmaking van het account van [medeverdachte 1]) heeft bij [platform] Linden Dollars gekocht, en deze met Bitcoins betaald. Vervolgens heeft hij de gekochte Linden Dollars voor euro’s aan andere gebruikers doorverkocht. Het euro bedrag heeft hij op zijn 5 bankrekeningen laten storten. Er werden kleinere bedragen (tussen 80 en 300 euro, soms meer, soms minder) overgemaakt. [medeverdachte 1] heeft een [platform]-account met een password.

2. Een proces-verbaal met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1401 151030.AMB, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4], doorgenummerde p. 47 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:

Op zondag 13 oktober 2013 ontvingen [verbalisant 2], inspecteur van politie en werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche van de Eenheid Rotterdam, en ik, verbalisant, per e-mail de nog ontbrekende antwoorden van [getuige 1] op zeven vragen.

Sinds wanneer is de heer [medeverdachte 1] op [platform] actief?
2012-03-02, 20:59:14

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1401 151540.AMB inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5],

doorgenummerde p. 163 e.v. (inclusief bijlage), voor zover daarin is gerelateerd:

Op maandag 2 december 2013 is er per email een bestand ontvangen ‘[medeverdachte 1]_withdrawals’, afkomstig van het bedrijf [platform].

Ik verbalisant zag in bijlage 1, vijf bankrekeningen staan. Deze heb ik hieronder in een schema gezet waarop is te zien wanneer de eerste en de laatste verwerkte betaling is geweest.

Bankrekening

Eerste verwerkte storting

Laatste verwerkte storting

Totaal verwerkt

[rekeningnummer 1]

3 maart 2012

7 augustus 2013

€ 189.795,32

[rekeningnummer 2]

10 april 2012

18 juli 2013

€ 257.197,00

[rekeningnummer 3]

11 mei 2012

27 mei 2013

€ 218.495,00

[rekeningnummer 4]

15 augustus 2012

23 november 2012

€ 33.343,00

[rekeningnummer 5]

15 augustus 2012

7 augustus 2013

€ 127.171,00


Totaal gestort in 2012: € 479.365,32

Totaal gestort in 2013: € 346.636,00

Totaal: € 826.001,32

Uit onderzoek Amahai is gebleken dat bovengenoemde bankrekeningen op naam staan van [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1312100730.AMB, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5],

doorgenummerde p. 160 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:

Ik zag onder bijlage 7 afschriften van betaalrekening [rekeningnummer 7] op naam van [medeverdachte 2].

Op 07-06-2013 wordt de eerste storting gedaan. De stortingen worden gedaan door [platform].
Er wordt in de maand juli € 7493,00 gestort.
Er wordt in de maand augustus € 4000,00 gestort.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1402031520.AMB, inhoudende de bevindingen van verbalisant P.J.N. Wijfje,

doorgenummerde p. 938 e.v., voor zover daarin is gerelateerd:

In een vordering verstrekking historische gegevens ex art. 126nd Wetboek van Strafvordering zijn onder meer opgevraagd: alle bescheiden en/of gegevens met betrekking tot de bankrekeningen [rekeningnummer 8] en [rekeningnummer 9] ten name van [medeverdachte 2] van de SNS/ASN Bank over de periode 1 januari 2012 tot en met heden.

Op beide rekeningen worden geldbedragen gestort afkomstig van [platform], met het rekeningnummer [rekeningnummer 10]. Op de rekening SNS [rekeningnummer 8] wordt in de periode van 9 januari 2013 tot en met 22 februari 2013 in totaal € 5.009,00 ontvangen en op de rekening [rekeningnummer 9] wordt in de periode van 7 juni 2013 tot en met 8 augustus 2013 € 11.213,00 ontvangen, hetgeen in totaal € 16.222,00 bedraagt.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1312191030.AMB, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 6], doorgenummerde p. 192, voor zover daarin is gerelateerd:

Ik deed onderzoek in de bedrijfsprocessensystemen BVI en de Verificatiemodule van de Gemeentelijke Basis Administratie naar het adres [adres] te Rotterdam. Ik zag dat op dit adres twee personen stonden ingeschreven. Vanaf 1 december 2006 de verdachte [medeverdachte 2] en sinds 25 november 2013 ook de verdachte [medeverdachte 1].

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1401161515.AMB, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 7], doorgenummerde p. 193 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:

Uit de door woningbouwcoöperatie Havensteder verstrekte gegevens bleek dat de huur van het pand [adres] te Rotterdam maandelijks werd betaald door de afdeling Sociale Dienst van de gemeente Rotterdam.

Op woensdag 6 november 2013 werd door Havensteder een schrijven verzonden waarin zij geen toestemming verleende voor inwoning van [medeverdachte 1] in dit pand. Er zou sprake zijn van aanloop van drugsverslaafde personen in het pand.

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1309061700.AMB, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 8], doorgenummerde p. 640 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:

Ik ontving informatie van de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen met betrekking tot [verdachte].

Loongegevens:

2009: € 1.654,00

2010: € 1.921,00 en € 12.578,00

2011: € 19.750,00 en € 10.724,00

2012: € 21.458,00

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 en documentcode 1401291035.AMB, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 9], doorgenummerde p. 173 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:


In de processen-verbaal met documentcodes 140120955.AMB, 1401100840.AMB en 1401141510.AMB is het onderzoek beschreven naar de door de banken verstrekte

verkeersgegevens (IP-adressen) die zijn gebruikt bij het via internet inloggen op de verschillende bankrekeningen die ten name zijn gesteld van de verdachten:

• [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname)

• [medeverdachte 1], geboren [geboortedatum] in [geboorteplaats] (Suriname)

• [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Overeenkomende IP-adressen

In de drie hiervoor genoemde processen-verbaal zijn steeds de IP-adressen beschreven die zijn gebruikt bij het inloggen op de bankrekeningen van de drie verdachten. Ik heb alle gebruikte IP-adressen per verdachte in een schema hierna weergegeven.

[verdachte]

[medeverdachte 1]

[medeverdachte 2]

[IP-adres 1]

[IP-adres 1]

[IP-adres 1]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres 3]

[IP-adres 3]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres 2]

[IP-adres 2]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]

[IP-adres]


Uit dit schema komt naar voren dat een aantal IP-adressen bij twee of meer verdachten is gebruikt voor het inloggen op de verschillende bankrekeningen. Het betreft de volgende IP-adressen:

• [IP-adres 1]; dit IP-adres staat sinds 28 augustus 2012 geregistreerd op naam van [moeder], [adres] te Rotterdam (documentcode 1308231550.AMB en

1401210835.AMB). Uit het onderzoek Amahai komt naar voren dat [moeder] de moeder is van [verdachte] en dat [verdachte] vermoedelijk verblijft op het adres [adres] te Rotterdam. Ik zag dat dit IP-adres veelvuldig wordt gebruikt bij het inloggen op alle bankrekeningen van alle drie de verdachten in de periode 4 september 2012 tot en met 27 november 2013.

• [IP-adres 2]; dit IP-adres staat geregistreerd op naam van [getuige 2], [adres] te Rotterdam (documentcode 1308231550.AMB). Uit het onderzoek Amahai

komt naar voren dat [getuige 2] met [zus] samenwoont en dat [zus] de zus is van [verdachte].

Onderzoek IP- adres [IP-adres 3]

Gezien het feit dat het IP-adres [IP-adres 3] in de periode januari 2012 tot en met 24 augustus 2012 frequent is gebruikt bij het inloggen op de rekeningen van [medeverdachte 1] en [verdachte] was er aanleiding nader onderzoek te doen naar dit IP-adres. Uit

bevraging van de website www.centralops.net komt naar voren dat het IP-adres [IP-adres 3] tot het domein direct-adsl.nl behoort en geregistreerd is door KPN Internet. Uit het proces-verbaal met documentcode 1401210835.AMB komt naar voren dat KPN voor 1 september 2012 op het adres [adres] te Rotterdam een ADSL abonnement met internet basis had afgesloten, maar dat het voor KPN niet meer mogelijk is te achterhalen welk IP-adres toen is uitgegeven. Het vorenstaande en het feit dat op de ING rekening met nummer

[IP-adres] die ten name is gesteld van [verdachte] in de maanden januari 2012 tot en met 2 augustus 2012 is ingelogd via het IP-adres [IP-adres 3] en vanaf 4 september 2012 via het IP-adres [IP-adres 1] doet mij vermoeden dat het IP-adres [IP-adres 3] voor

1 september 2012 in gebruik is geweest op het adres [adres] te Rotterdam.


(..)

Ik heb alle verschillende bestanden inzake de verstrekte verkeersgegevens samengevoegd en geordend. Op deze wijze is een overzicht verkregen met negenenvijftig blokken van mutaties waarbij is in en/of is uitgelogd op verschillende bankrekeningen binnen een tijdspanne van vijf minuten.

• In 26 gevallen zag ik dat op bankrekening(en) van [verdachte] is ingelogd en binnen vijf minuten via hetzelfde IP adres, hetzij [IP-adres 3] dan wel [IP-adres 1] op één van de rekeningen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2].

• In 22 gevallen wordt er binnen vijf minuten op twee verschillende bankrekeningen die ten name zijn gesteld van [medeverdachte 1] ingelogd via hetzij het IP-adres [IP-adres 3] dan wel [IP-adres 1].

• In 8 gevallen wordt er binnen vijf minuten ingelogd op zowel een bankrekening van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via hetzelfde IP-adres, hetzij [IP-adres 3] dan wel [IP-adres 1].

(..)

Op 4 september 2012 is om 11:33:20 uur is ingelogd op de SNS bankrekening van [medeverdachte 1]. Om 11:34:41 uur vindt een actie plaats met de aanduiding ‘2’, hetgeen staat voor ‘tekenen’, dat kan inhouden dat een overboeking of het ophogen van een limiet plaatsvindt.
Uit het overzicht komt naar voren dat op 4 september 2012 zeven stortingen van [platform] plaatsvinden op de SNS bankrekening [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 1] voor in totaal een bedrag van € 1.468,00 en dat om 13:12 uur een bedrag van € 1.400,00 gepind wordt bij een geldautomaat. Vermoedelijk is het gebruikelijke bedrag dat dagelijks gepind mag worden lager dan € 1.400,00 en daarom wordt op 4 september 2012 via internet de limiet van de betaalpas met volgnummer 005 voor SNS Geldautomaten tijdelijk aangepast. Het feit dat geen andere transactie) via internet is aangetroffen op het transactieoverzicht, doet vermoeden dat de hiervoor vermelde actie ‘tekenen’ betrekking heeft op het ophogen van de opnamelimiet. Vervolgens zag ik dat met hetzelfde IP-adres [IP-adres 1] om 11:35:15 uur is ingelogd op MijnING van de klant [verdachte].

In de user_agent_string_(een set gegevens verstuurd naar een webpagina door de browser van een klant, waarin details omtrent de door die klant gebruikte browser en besturingssysteem zijn opgenomen) van zowel de mutaties op MijnING van [medeverdachte 1] als van [verdachte] zag ik dezelfde omschrijving staan. Deze identieke omschrijving, hetzelfde IP-adres en het zeer korte tijdsverschil doet vermoeden dat met één en dezelfde computer is ingelogd.


Resumé

Op basis van het in dit proces-verbaal en andere processen-verbaal beschreven onderzoek komt naar voren dat:

• Op de bankrekeningen die ten name zijn gesteld van de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] voornamelijk wordt ingelogd via de IP-adressen [IP-adres 3] en [IP-adres 1];

• Het IP-adres [IP-adres 3] in de periode januari tot en met augustus 2012 vermoedelijk gebruikt is op het adres [adres] te Rotterdam;

• Het IP-adres [IP-adres 1] in de periode vanaf september 2012 gebruikt is en geregistreerd staat op naam van [moeder], [adres] te Rotterdam, zijnde de

moeder van [verdachte];

• Het inloggen op de bankrekeningen van [verdachte] in 26 gevallen binnen vijf minuten ligt van het inloggen op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], en dat dit via hetzelfde IP-adres en vanaf dezelfde computer plaatsvindt.

10. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013, met documentcode 1310291130.AMB, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 10], doorgenummerde p. 720 e.v. voor zover daarin is gerelateerd:

Op 10 oktober 2013 werden de telefoongegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] van [verdachte], geboren [geboortedatum] gevorderd. Ik heb vervolgens de gegevens van de opnames van bankrekeningen van [medeverdachte 1] en de historische gegevens van [verdachte] met elkaar vergeleken.

In de periode van 6 maart 2012 (eerste storting van [platform] op één van de vijf rekeningen van [medeverdachte 1]) tot en met 14 juni 2013 (laatste dag van opname bij een pinautomaat) hebben er 794 pinmomenten plaatsgevonden. Vanaf 12 oktober 2012 (de periode van de historische bevraging van het telefoonnummer van [verdachte]) zijn er 418 bruikbare cashopnames.

Bij 105 van de 418 cashopnames is vast te stellen dat de gebruiker van het toestel zich met het zendmastgebied in de directe omgeving bevond van de locatie waar cash werd opgenomen.

Overeenkomsten in locatie
De 418 cashopnames vinden op drie na, plaats in Rotterdam. De drie cashopnames die op andere locaties plaats vinden, zijn op;

05-01-2013 te 21:33 uur in Amersfoort

05-01-2013 te 22:41 uur in Soest

19-01-2013 te 16:56 uur in Amsterdam

Uit de historische telefoongegevens blijkt het telefoonnummer [telefoonnummer] op 05-1-2013 om 22:26 uur een telefoonmast in Amersfoort aan te stralen. Op 19-01-2013 straalt de telefoon om 17:40 en 17:41 uur een zendmast aan in Amsterdam.

Opmerking verbalisant: Ik heb alle in de bijlage genoemde data onderzocht en ben geen cashopname tegengekomen waarbij de telefoon van [verdachte] zich totaal ergens anders bevond als waar er gepind werd (lees: niet in een andere stad, land of op een te grote afstand van de locatie van de cashopname).
11. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL17R2-684/2013 met documentcode 402251005.AMB, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5], doorgenummerde p. 580 e.v. voor zover daarin staat gerelateerd:
Bij het proces-verbaal met documentcode 1310291130.AMB is als bijlage 3 een overzicht gevoegd van 1094 mutaties met IP-adressen waarmee is ingelogd dan wel getracht is in te loggen op het account van verdachte [medeverdachte 1] bij [platform]. Uit dit overzicht bleek dat sprake was van 378 verschillende IP-adressen. Ik heb deze IP-adressen vergeleken met een van de website https:/metrics.torproject.org/data.html#exitlist verkregen overzicht van in de maanden maart 2012 tot en met augustus 2013 actieve TOR-exit nodes. Van de 378 IP-adressen in de [platform]-mutaties kwamen 354 voor op deze lijst van TOR-exit nodes.

Resumé

• Dat bij het inloggen op het [platform]-account van [medeverdachte 1] zeer regelmatig gebruik is gemaakt van een TOR netwerk;

• Dat in deze gevallen vier keer een IP-adres is gebruikt dat eerder is gebruikt bij het inloggen op de bankrekeningen van [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] (alleen het IP-adres [IP-adres 1]);

• Dat de IP-adressen [IP-adres 2], [IP-adres 3] en [IP-adres 1] te relateren zijn aan [verdachte].

12. Een proces-verbaal met nummer PL17R2-684/2013, met documentcode 1702220826.OIG, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] (los opgenomen):

Ik stelde een onderzoek in naar een mogelijke relatie tussen de bitcoin transacties die gevorderd waren bij [platform] en data, die door Europol en de FBI ter beschikking was gesteld aan de Nederlandse politie.

De door Europol ter beschikking gestelde data bevat uitgebreide gegevens over Nederlandse verkopende partijen die op de dark market genaamd “Silk Road” actief waren.


Deze markt, waar voornamelijk illegale goederen zoals harddrugs en gestolen creditcards werden verhandeld, is in oktober 2013 door de FBI offline gehaald. Door de FBI en later Europol is deze data geanalyseerd per gebruikersnaam en ter beschikking gesteld aan de

Nederlandse politie.

Door mij is op 22 februari 2017 een analyse gedaan over de bitcoin wallets uit de aangeleverde data van zowel [platform] als Europol. Ik zag dat er van de 380 door Europol opgegeven bitcoin wallets er daadwerkelijk 211 wallets terug te vinden waren in de aangeleverde data van [platform]. Uit eerder verricht onderzoek bleek dat deze transacties gedaan waren in de periode juni 2012 en begin september 2013 naar het [platform]-account van [medeverdachte 1].


De totale bitcoin transactiesom hiervan bedraagt 72.605 bitcoins.

13. De verklaring van de verdachte, gegeven ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 juni 2019, voor zover inhoudende:

[medeverdachte 1] heeft mij zijn inloggegevens gegeven zodat ik kon inloggen op zijn internetbankieromgeving. U zegt mij dat het ging om veel geld, zeker in relatie tot zijn uitkering. Ja, na een paar keer inloggen kwamen er bij mij ook vragen op. Die bedragen leken niet te kloppen in verhouding tot zijn inkomsten. Het waren bedragen van telkens € 1.000,00 tot € 1.500,00. Toen dat vaker gebeurde, begon ik wel te denken dat het niet goed zat. Later werd mij gevraagd om incidenteel geld te pinnen.

U vraagt mij naar [platform]. Ja, ik heb op die site ingelogd.

Ten aanzien van feit 2:

14. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PLI700-2014372718-15, inhoudende de verklaring van de verdachte.

15. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PLÏ700-2014372718-9, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13].

16. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PLI700-2014372718-14, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 14].

17. Een deskundigenrapport van het NFI met nummer 2014.09.18.107 van 25 september 2014, inhoudende de verklaring van ing. A.G.A. Sprong.

Nadere bewijsoverweging feit 1

Beoordelingskader witwassen

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Zo’n verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. In geval er geen direct bewijs is voor een specifiek gronddelict, volgt het hof het toetsingskader zoals dat door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481) in een zogenaamd 6-stappenplan uiteen is gezet.

Dit 6-stappenplan doorloopt de volgende stappen:
1) is er direct bewijs voor brondelicten?
2) zo nee, zijn de aangedragen feiten van dien aard dat sprake is van een concreet witwasvermoeden?

3 en 4) zo ja, dan mag van de verdachte verwacht worden dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen.

5) indien deze verklaring is gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van de voorwerpen.

6) uit de resultaten van dit onderzoek zal vervolgens moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een criminele herkomst hebben.

Eerst zal het hof de feiten en omstandigheden bespreken die als uitgangspunt worden genomen bij de toetsing aan het 6-stappenplan.

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af. In de ten laste gelegde periode is via een [platform]-account van [medeverdachte 1] een totaalbedrag van € 826.001,00 uitbetaald op bankrekeningen van [medeverdachte 1]. Tevens is een totaalbedrag van
€ 27.715,00 op bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] uitbetaald. Deze gelden vormen de opbrengst van aan andere gebruikers op het [platform]-platform verkochte Linden Dollars. Deze Linden Dollars zijn door [medeverdachte 1] verkregen na betalingen in bitcoin. De verdachte had toegang tot de internetbankieromgevingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Daarnaast had de verdachte toegang tot het [platform]-account van [medeverdachte 1]. Voorts kon hij met de bijbehorende pinpassen de gelden van de betreffende bankrekeningen contant opnemen.

Bespreking van een ter zake gevoerd verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte in dit verband – overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen – naar voren gebracht dat de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde beperkt is geweest. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de uitkomsten van het onderzoek naar de zendmastgegevens behorend bij de mobiele telefoon van de verdachte in relatie tot de pinmomenten geen sluitend bewijs vormen voor de stelling dat de verdachte alle pinopnamen heeft uitgevoerd. De verdachte woonde en werkte in het centrum van Rotterdam, zodat hij zich logischerwijs veelvuldig ten tijde van die pinmomenten in de nabijheid van de pinautomaten bevond. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte slechts incidenteel heeft ingelogd bij [platform] en op de internetbankieromgeving van [medeverdachte 1], een en ander zoals uit het onderzoek naar voren is gekomen, zodat zijn rol ook daarom beperkt was.


Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij meermalen heeft gepind van een of meer bankrekeningen van [medeverdachte 1]. Ten aanzien van de drie andere locaties blijkt de mobiele telefoon van de verdachte telkens een zendmast aan te stralen in de directe omgeving van deze andere locatie, kort voor of na het pinnen. Verder volgt uit de inhoud van hierboven weergegeven bewijsmiddelen dat 415 van de 418 cashopnames hebben plaatsgevonden in Rotterdam. De mobiele telefoon van de verdachte bevond zich telkens in de directe omgeving van de locatie waar werd gepind. Uit informatie van de verbalisant die het onderzoek met betrekking tot deze zendmastgegevens heeft uitgevoerd blijkt dat er geen gevallen bekend zijn waarbij op de momenten waarop de cashopnames plaatsvonden de mobiele telefoon van de verdachte een zendmast heeft aangestraald op grotere afstand van de pinautomaat, maar binnen Rotterdam. De conclusie moet dan ook zijn dat de verdachte telkens tijdens de cashopnames in de buurt van de betreffende pinautomaten moet zijn geweest. Op grond hiervan gaat het hof ervan uit het de verdachte is geweest die (al dan niet samen met anderen) de geldbedragen van de bankrekeningen van [medeverdachte 1] heeft gepind.

Daarnaast blijkt uit de inhoud van het dossier dat de verdachte meermalen heeft ingelogd op het [platform]-account van [medeverdachte 1]. Hij moet derhalve de beschikking hebben gehad over diens inloggegevens. Deze inloggegevens zijn essentieel voor de ontvangst van alle gelden (bitcoins) die met behulp van dit [platform]-account zijn omgezet in Linden Dollars en vervolgens voor euro’s zijn verkocht. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, ging het daarbij om veel geld. Bovendien gaat het om bemoeienis in een eerder stadium van een keten die begint met transacties op een dark web market en eindigt met de opname van contante geldbedragen. Tegen die achtergrond mag worden aangenomen dat de toegang tot het [platform]-account niet aan een willekeurige persoon werd verleend, maar aan iemand die belangrijk en te vertrouwen was. Het is evenmin aannemelijk dat het, zoals door de verdachte geopperd, daarbij slechts ging om gevallen waarin de eigenlijke eigenaren van de geldbedragen ‘even niet in de gelegenheid waren om in te loggen’. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, de feitelijke controle had over het [platform]-account van [medeverdachte 1].


Illustratief is hetgeen is gebeurd op 4 september 2012. Er is op die dag vanuit het [platform]-account van [medeverdachte 1] een bedrag van € 1.400,00 gestort op een bankrekening van [medeverdachte 1]. Vervolgens is de pinlimiet van de betaalpas van [medeverdachte 1] aangepast tot € 1.400,00. Er is onder meer om 11:34 uur ingelogd op de internetbankieromgeving van [medeverdachte 1]. Dit moet zijn gedaan door de verdachte, nu hij één minuut later (11:35 uur) op zijn eigen internetbankieromgeving is ingelogd met hetzelfde IP-adres en vanaf hetzelfde device als het device waarmee werd ingelogd op de internetbankieromgeving van [medeverdachte 1]. Het geldbedrag wordt vervolgens om 13:12 uur opgenomen bij een geldautomaat in Rotterdam.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, in de ten laste gelegde periode geldbedragen van in totaal € 826.001,00 euro en € 27.715,00 contant heeft opgenomen bij pinautomaten.

Stap 1: direct bewijs voor brondelicten?

Het hof stelt vast dat er op grond van de inhoud van het strafdossier geen sprake is van direct bewijs voor een (of meerdere) brondelict(en). Uit het onderzoek blijkt wel dat het tegoed op het [platform]-account van [medeverdachte 1] (in ieder geval met een totaal van 72.605 bitcoins) werd gevoed met bitcoins afkomstig uit de darkwebmarkt ‘Silk Road’. Deze darkwebmarket is in 2013 door de FBI offline gehaald vanwege de handel die op dat platform plaatsvond in illegale goederen, zoals harddrugs en gestolen creditcards. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op strafbare wijze bij deze handel betrokken was. Een (of meerdere) brondelict(en) zijn derhalve niet aan te wijzen.

Stap 2: vermoeden van witwassen?
[medeverdachte 2] staat vanaf 1 december 2006 ingeschreven in wat nu genoemd wordt de Basisregistratie Personen op het adres [adres] te Rotterdam. Vanaf 25 november 2013 staat ook [medeverdachte 1] op dit adres ingeschreven. Uit informatie van de woningbouwvereniging blijkt de maandelijkse huur te worden betaald door de afdeling Sociale Dienst van de gemeente Rotterdam. Er zijn ten aanzien van dit pand klachten over aanloop van drugsverslaafde personen. De woningbouwvereniging verklaart de aanwezigheid van [medeverdachte 1] in het pand als ongewenst.

Gelet op deze leefomstandigheden kunnen de aanzienlijke geldbedragen die op de respectieve bankrekeningen werden bijgeschreven niet zonder meer worden verklaard uit de vermogenspositie van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Uit de hierboven weergegeven inkomensgegevens van de verdachte kan evenmin een verklaring voor de legale herkomst van de geldbedragen worden gevonden.

Daarnaast is in de onderhavige zaak sprake van de volgende zogenoemde typologieën van witwassen:

  • -

    Het meermalen binnen een relatief korte periode vanaf verschillende bankrekeningen opnemen van aanzienlijke contante bedragen, geheel of in delen, zonder een kennelijke economische noodzaak, in combinatie met het meermalen giraal ontvangen van bedragen (waarbij die bedragen kennelijk afkomstig zijn uit de verkoop van virtuele betaalmiddelen).

  • -

    Het omzetten van bitcoins in Linden Dollars en vervolgens in euro’s, die contant zijn opgenomen, vormt een onderbreking van de “paper trail” die niet anders verklaard kan worden dan als gericht op het verdoezelen van de werkelijke herkomst van dat geld.

  • -

    De Linden Dollars werden verkocht in kleinere porties (tussen de 80 en 300 euro), waardoor deze transacties minder snel in het oog springen bij de beheerders van het [platform]-platform.

Deze witwastypologieën en genoemde overige feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof zonder meer een vermoeden van witwassen, in die zin dat eerdergenoemde geldbedragen, die de verdachte samen met ander(en) voorhanden heeft gehad door deze contant op te nemen, worden vermoed uit enig misdrijf afkomstig te zijn.

Stap 3: verklaring van de verdachte

Nu de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – verklaard dat de gelden toebehoren aan twee Nederlandse mannen, waarvan de verdachte enkel kan zeggen dat zij tussen de 30 en 40 jaar oud waren en er verzorgd uitzagen en dat een van hen [voornaam] zou heten. Deze personen zouden gelden uit een bedrijf naar Nederland willen halen, maar niet zelf beschikken over een mogelijkheid om zulks te doen.

Het hof acht de verklaring van de verdachte over de legale herkomst van de geldbedragen die hij voorhanden had, reeds op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, onvoldoende concreet en, mede daardoor, niet verifieerbaar. De verklaring biedt geen reëel tegenwicht aan het vermoeden van witwassen. Iedere aanleiding tot nader onderzoek naar een legale herkomst van de geldbedragen ontbreekt.

Het hof is, alles afwegende, dan ook van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen van € 826.001,00 en € 27.715,00 die de verdachte samen met anderen in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad, een legale herkomst hadden. Bewezen kan worden dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, kan naar oordeel van het hof eveneens bewezen worden verklaard dat de verdachte wist dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:


medeplegen vanwitwassen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:


opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft zich over een langere periode schuldig gemaakt aan witwassen van een aanzienlijke hoeveelheid geld. Hij heeft dat gedaan door, samen met anderen, geldbedragen waarvan hij wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf, om te zetten in contant geld.
De geldbedragen waren grotendeels afkomstig van darkwebmarkt Silk Road en werden via [platform], een platform voor de handel in virtuele valuta, in kleine hoeveelheden bijgeschreven op de bankrekeningen van twee zogenaamde moneymules. Vervolgens werden de geldbedragen telkens direct nadat ze waren bijgeschreven op die bankrekeningen, contant opgenomen. Aldus zijn op grote schaal bitcoins afkomstig van een darkwebmarket omgezet in contante euro’s en is de werkelijke herkomst van deze gelden daardoor verhuld.

De verdachte heeft hierin een wezenlijke rol gehad. Illustratief daarvoor is de toegang van de verdachte tot het [platform]-account van [medeverdachte 1]. Hiermee had de verdachte letterlijk de sleutel in handen tot de totale opbrengst van de witwasketen, die een substantieel bedrag vertegenwoordigde.

Dit is een ernstig strafbaar feit. Witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop zijn van dergelijke grote witgewassen geldbedragen heeft een sterke corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2019 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortelijke feiten.

De door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde straf acht het hof gezien de ernst van de feiten, waarbij feit 1 het grootste gewicht in de schaal legt, in beginsel passend en geboden. Een taakstraf en forse geldboete, zoals door de raadsman voorgesteld, kan naar oordeel van het hof reeds vanwege de ernst van de feiten niet aan de orde zijn. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals door de raadsman naar voren gebracht ziet het hof geen aanleiding om ten voordele van de verdachte van de voornoemde straf af te wijken.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele

vrijheden is overschreden. De termijn als bedoeld in voornoemd artikel is op 16 juni 2015 aangevangen. Op 7 juni 2018 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Op 14 juni 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het dossier is bij het hof binnengekomen op 10 september 2018 en op 26 juni 2019 is arrest gewezen. De behandeling in hoger beroep heeft niet binnen de daarvoor geldende termijn plaatsgevonden, hetgeen een schending van de redelijke termijn oplevert. Het hof heeft dit in aanmerking genomen en zal een strafkorting van 5% toepassen, door in plaats van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 weken (zijnde 22,5 maanden) waarvan 32 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, opleggen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) weken;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 32 (tweeëndertig) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. R.J. de Bruijn en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. S.J. de Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juni 2019.