Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:152

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
200.219.853/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid; appelgrens. Afspraak dat schade door werknemer toegebracht aan bedrijfsmiddel werkgever wordt verrekend met loon is nietig. CAO Taxivervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0140
NJF 2019/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.219.853/01

Rolnummer rechtbank : 5175815/ 16-18088

arrest van 29 januari 2019

inzake

Taxibedrijf Friends B.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: Friends,

advocaat: mr. J.H. Pelle te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te Den Haag,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F. Werdmüller von Elgg te Utrecht.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 29 augustus 2017 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum, waarin een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 15 december 2017. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Friends één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) heeft [geïntimeerde] die grief bestreden en, onder aanvoering van twee grieven, incidenteel appel ingesteld. Friends heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel de grieven bestreden. [geïntimeerde] heeft op 6 april 2018 stukken ter griffie van het hof gedeponeerd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. De grieven richten zich niet tegen de door de kantonrechter in de bestreden vonnissen opgenomen feitenvaststelling. Het hof zal dan ook van die feiten uitgaan.

2. Met wat verder tussen partijen is komen vast te staan, gaat het in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

2.1

[geïntimeerde] is op 1 januari 2012 bij Friends in dienst getreden als taxichauffeur, eerst voor bepaalde tijd en vanaf 1 januari 2014 voor onbepaalde tijd.

2.2

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Taxivervoer (hierna: de cao) van toepassing. Artikel 1.10.8 van de cao, dat in de periode van 2 april 2012 tot 1 januari 2014 algemeen verbindend is verklaard, luidt:

Schade, die de werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden toebrengt aan de werkgever of aan een derde tegenover wie de werkgever verplicht is schade te vergoeden, kan in beginsel niet op de werknemer worden verhaald.

Hoge uitzondering op dit beginsel is de situatie waarin de werknemer de bedoeling heeft gehad om schade toe te brengen. Van bewuste roekeloosheid is alleen dan sprake wanneer de werknemer zich letterlijk bewust is van zijn handelingen en van het feit dat die handelingen tot schade kunnen leiden.

De bewijslast ligt in beide gevallen bij de werkgever.

Als moet worden aangenomen dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid dan moet de werkgever de volgende stappen ondernemen:

- aan de werknemer binnen één maand nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen schriftelijk mee delen dat hij vergoeding van de schade zal eisen;

- het bedrag van de schade zo snel mogelijk vaststellen, doch uiterlijk binnen één jaar nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen.

De hoogte van de vergoeding kan niet meer bedragen dan de kosten voor herstel of vervanging.

2.3

Volgens Friends heeft [geïntimeerde] in het jaar 2012 schades toegebracht aan het aan hem ter beschikking gestelde taxivoertuig. Friends heeft in verband met (delen van) die schades bedragen ingehouden op het loon van [geïntimeerde].

2.4

In een door Friends aan [geïntimeerde] gericht schriftelijk stuk van 2 september 2013 (hierna: het schriftelijk stuk) is onder meer opgenomen, zakelijk weergegeven, dat voor het schadeloos stellen van de werkgever met [geïntimeerde] een regeling is getroffen, dat schades worden ingehouden op het salaris en dat de op [geïntimeerde] verhaalde schades € 1.100,- bedragen. Onder het schriftelijk stuk staan de handtekening van de directeur van Friends en een handtekening met daarbij de handgeschreven naam [geïntimeerde].

Het geschil

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, dat Friends wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en vakantiegeld, vermeerderd met nevenvorderingen.

3.2

Friends heeft met een beroep op het schriftelijk stuk aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat Friends in verband met de schades die door [geïntimeerde] zijn veroorzaakt € 1.100,- mocht inhouden op het loon van [geïntimeerde].

3.3

[geïntimeerde] heeft betwist dat de handtekening rechtsonder op het schriftelijk stuk van hem is.

3.4

Bij vonnis van 11 oktober 2016 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter een deskundige benoemd ter vaststelling van, kort gezegd, de mate van waarschijnlijkheid dat [geïntimeerde] zijn handtekening plaatste onder het schriftelijk stuk.

3.5

De deskundige heeft in een rapport van 30 december 2016 geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat de betwiste handtekening rechtsonder op het schriftelijk stuk hoogstwaarschijnlijk is vervaardigd door [geïntimeerde].

3.6

Bij vonnis van 25 april 2017 (hierna: het eindvonnis) heeft de kantonrechter het deskundigenrapport echter onvoldoende overtuigend geacht en de vorderingen van [geïntimeerde] vrijwel volledig toegewezen.

3.7

Friends vordert in hoger beroep dat de bestreden vonnissen worden vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van Friends en subsidiair tot bekrachtiging van het eindvonnis van de kantonrechter.

Appelgrens

4.1

Partijen zijn in hun beroepen ontvankelijk. Het hof overweegt daartoe het volgende.

4.2

Op grond van artikel 332 Rv is geen hoger beroep mogelijk van een vonnis, indien de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan

€ 1.750,-. Bij de bepaling van de waarde van de vorderingen waarover de kantonrechter had te beslissen, is het moment van het wijzen van (eind)vonnis in beginsel bepalend. Dit betekent dat moet worden gekeken naar de vorderingen zoals deze (na eiswijziging) luidden op het moment dat eindvonnis werd gewezen. Verder moeten worden meegerekend de verschuldigde wettelijke rente tot aan de dagvaarding en de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW voor zover ten tijde van de van de inleidende dagvaarding verschuldigd en opeisbaar geworden.

4.3

De kantonrechter heeft in rov. 3.1 van het tussenvonnis overwogen dat [geïntimeerde], na eiswijziging, vordert Friends te veroordelen tot betaling van € 1.109,12 aan loon, € 88,73 aan vakantiebijslag, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, € 189,76 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Tegen die overweging is geen grief gericht.

4.4

De geldvordering waarover de kantonrechter moest beslissen, bedroeg dus

€ 1.387,61 in hoofdsom. Dit bedrag moet nog worden vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente en de wettelijke verhoging over € 1.197,85. Bij de berekening van de appelgrens gaat [geïntimeerde] uit van het door de kantonrechter toegewezen bedrag aan wettelijke verhoging van € 221,82 (20% van € 1.109,12). Het hof volgt [geïntimeerde] daarin niet. [geïntimeerde] heeft de wettelijke verhoging en wettelijke rente in eerste aanleg niet gespecificeerd, maar wel gesteld dat in 2012 bedragen op het loon zijn ingehouden en dat vakantiegeld verschuldigd is. Gelet daarop bedraagt de op het moment van de inleidende dagvaarding verschuldigde wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW maximaal 50% over het op het in geld vastgestelde loon. Dat de kantonrechter het gevorderde vakantiegeld niet heeft toegewezen en de verschuldigde wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW heeft gematigd tot 20% is voor het bepalen van de waarde van de geldvordering niet relevant. Nu de gevorderde wettelijke verhoging € 598,93 (50% van € 1.197,85) bedraagt, bevindt de waarde van de geldvordering zich in ieder geval boven de appelgrens. Gelet daarop behoeft de hoogte van de verschuldigde wettelijke rente, waarover tussen partijen geschil bestaat, niet te worden begroot.

Incidenteel hoger beroep

5.1

Als het incidentele hoger beroep slaagt, kan het principale hoger beroep – dat opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis dat hij er op basis van het onderzoek van de deskundige onvoldoende van overtuigd is dat de handtekening op de brief door [geïntimeerde] is gezet – onbesproken blijven. Het incidentele hoger beroep wordt dan ook als eerste behandeld.

5.2

Het incidentele hoger beroep is gericht tegen rov. 4.2, 4.4 en 4.8 van het tussenvonnis. Gelet op de toelichting bij de grieven wordt met name opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter dat Friends van artikel 1.10.8 van de cao mag afwijken en met een werknemer mag overeenkomen dat de door de werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden veroorzaakte schade mag worden ingehouden op het loon. De voornaamste klacht van grief 1 tegen die overweging is dat de cao algemeen verbindend is verklaard en dat de met artikel 1.10.8 van de cao strijdige afspraak zoals neergelegd in het schriftelijk stuk nietig is. Grief 2 brengt in vervolg daarop naar voren dat de kantonrechter dus geen deskundige had behoeven te benoemen om te beoordelen of de handtekening onder het schriftelijk stuk van [geïntimeerde] is.

5.3

Het hof overweegt als volgt.

5.4

Artikel 1.10.8 van de cao houdt, in overeenstemming met artikel 7:661 lid 1 BW, in dat door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden aan de werkgever toegebrachte schade slechts op de werknemer kan worden verhaald als de werknemer de bedoeling had schade toe te brengen (opzet) of sprake was van bewuste roekeloosheid. Dit laatste doet zich voor als de werknemer zich bewust is geweest van het roekeloze karakter van zijn handelen en van het feit dat dit handelen tot schade zou kunnen leiden, maar zich door dit laatste niet heeft laten weerhouden. Artikel 1.10.8 van de cao bepaalt voorts (ten voordele van de werknemer) dat de werkgever de schade slechts op de werknemer kan verhalen als hij de schade (tijdig) vast stelt en aan de werknemer meedeelt. De vraag is of, zoals Friends verdedigt, het partijen vrij stond om in het schriftelijk stuk van 2 september 2013 af te wijken van artikel 1.10.8 van de cao.

5.5

Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Ten tijde van de vermeende afspraak (2 september 2013) was de cao algemeen verbindend verklaard. Krachtens artikel 3 lid 1 van de Wet AVV is een beding dat afwijkt van een algemeen verbindend verklaarde cao-bepaling nietig. Een dergelijk geval doet zich hier voor. Immers, de afspraak in het schriftelijk stuk waarop Friends zich beroept komt erop neer dat Friends de daar genoemde schades zonder meer (deels) op het loon van [geïntimeerde] mag inhouden zonder dat is komen vast te staan dat de schades zijn veroorzaakt door opzettelijk of bewust roekeloos handelen van [geïntimeerde]. Een dergelijke afspraak is nietig.

5.6

Het voorgaande leidt ertoe dat voor de beantwoording van de vraag of Friends de schades mag inhouden op het loon van [geïntimeerde] het schriftelijk stuk van 2 september 2013 niet relevant is, maar dat aan de hand van artikel 1.10.8 van de cao moet worden beoordeeld of Friends de schades op [geïntimeerde] kan verhalen doordat [geïntimeerde] opzet of bewuste roekloosheid kan worden verweten bij het ontstaan van de schades. Friends meent dat in ieder geval sprake is van bewuste roekeloosheid. Zij brengt daartoe het volgende naar voren. [geïntimeerde] beschikt over uitgebreide (technische) kennis van auto’s en uitgebreide ervaring met het rijden met (taxi)auto’s. [geïntimeerde] is onder een lage tunnel gereden waardoor dakschade is ontstaan. Net voor en tijdens het rijden onder de te lage tunnel moet [geïntimeerde] zich ervan bewust zijn geweest dat hierdoor ernstige dakschade kon ontstaan. Verder heeft [geïntimeerde] bewust parkeersensoren uitgezet. Hiermee wordt bewust het risico in het leven geroepen, althans wordt het risico sterk vergroot, dat er vervolgens schade aan de auto ontstaat, wat ook is gebeurd. [geïntimeerde] moet zich er volgens Friends tot slot ook van bewust zijn geweest dat het verkeerd aansluiten van startkabels aanzienlijke motorschade met zich meebrengt, zoals zich ook in dit geval heeft voorgedaan. [geïntimeerde] betwist dat hij ten aanzien van deze schades opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld.

5.8

Een beroep op bewuste roekeloosheid kan alleen slagen wanneer de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het schadeveroorzakend handelen daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter van zijn gedraging. Aannemelijk zal moeten zijn dat de werknemer zich op dat moment realiseerde dat hij zich van zijn gedraging behoorde te onthouden in verband met de aanmerkelijke kans op schade, maar deze gedraging desondanks toch heeft doorgezet. Friends komt echter niet verder dan de (algemene) stelling dat [geïntimeerde] gelet op zijn kennis en ervaring zich ervan bewust moet zijn geweest dat het rijden onder een te lage tunnel, het uitzetten van parkeersensoren en het verkeerd aansluiten van startkabels (aanzienlijke) schade met zich mee zou kunnen brengen. Friends heeft niet geconcretiseerd dat [geïntimeerde], in de omstandigheden waaronder de schades zich hebben voorgedaan, zich onmiddellijk voor zijn handelen bewust moet zijn geweest van het roekeloze karakter van zijn gedragingen en de aanmerkelijke kans op het ontstaan van schade, op grond waarvan hij zich van die gedragingen had kunnen en behoren te onthouden, maar dit niet heeft gedaan. Nu Friends op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt haar in hoger beroep gedane bewijsaanbod gepasseerd. Dat wat hiervoor is overwogen, betekent dat het hof ervan uit gaat dat [geïntimeerde] bij het toebrengen van de schades niet opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld.

5.9

Gezien het voorgaande moet worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de door hem als werknemer aan Friends toegebrachte schade. Friends kan het schadebedrag dus ook niet verrekenen met het loon. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] tot betaling ten titel van loon direct had moeten toewijzen en geen deskundige had behoeven te benoemen om te onderzoeken of de handtekening rechtsonder het schriftelijk stuk door [geïntimeerde] was geplaatst. Als dat al zou worden bewezen, had dat immers niet tot een ander oordeel kunnen leiden. In zoverre slaagt het incidentele hoger beroep.

Principaal hoger beroep

6. Gelet op het slagen van het incidentele hoger beroep zal het principale hoger beroep, dat ook als het slaagt niet leidt tot een andere beslissing, onbesproken blijven.

Conclusie

7.1

Het voorgaande betekent dat het eindvonnis zal worden bekrachtigd.

7.2

Friends zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principale hoger beroep worden veroordeeld. Er is geen aanleiding om in het incidentele hoger beroep tot een proceskostenveroordeling te komen, omdat het hof het onderwerp waarop het incidentele hoger beroep ziet vanwege de devolutieve werking van het appel hoe dan ook had moeten behandelen.

Beslissing

Het hof:

In het principale en incidentele hoger beroep:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag van 25 april 2017;

  • -

    veroordeelt Friends in de kosten van het principale hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.831,-, bestaande uit € 313,- aan verschotten en € 1.518,- aan salaris advocaat (2,0 punten × € 759,-).

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, M.D. Ruizeveld en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.