Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1492

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
200.241.997/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsprocedure wordt door het hof aangehouden tot het moment dat de rechter in Tunesië definitief een oordeel heeft gegeven of hij al dan niet bevoegd is in het kader van de door de man gevoerde echtscheidingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 15 mei 2019

Zaaknummer : 200.241.997/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-970

Zaaknummer rechtbank : C/09/482592

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Tunesië,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I. Oolgaard te Den Haag.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 juli 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 april 2018 van de rechtbank Den Haag, hierna: de bestreden beschikking. Bij het beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ingediend, welk verzoek bij het hof is ingeschreven onder zaaknummer 200.241.997/02.

De vrouw heeft op 21 september 2018 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 8 augustus 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 11 februari 2019 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 21 februari 2019 een V-formulier van 20 februari 2019 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 12 februari 2019 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, op dezelfde dag tevens ingekomen per post.

De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing heeft op 13 september 2018 plaatsgevonden en heeft geleid tot een beschikking van dit hof van 3 oktober 2018, waarbij het verzoek van de man is afgewezen. Daarbij is bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen.

De (hoofd)zaak is op 22 februari 2019 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede door mevrouw G.J.E. de Koning-Hahn, tolk in de Engelse taal;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede door mevrouw F.S. Bernstein, tolk in de Franse taal.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

De minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] , Frankrijk, is tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in de zittingszaal gehoord. Daarbij is hij bijgestaan door de tolk van de vrouw.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de man op 5 maart 2019 een V-formulier van 4 maart 2019 met als bijlagen de vertaling van de cassatieprocedure(s).

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 7 juni 2016 en de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 7 juni 2016 heeft de rechtbank Den Haag zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is:

- de echtscheiding tussen partijen, gehuwd te [plaats] , Tunesië, [in] 1999 uitgesproken;

- bepaald dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] , Frankrijk, hierna: de minderjarige, de hoofdplaats zal hebben bij de vrouw;

- bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige aan de vrouw zal betalen van € 950,- per maand;

- bepaald dat de man, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 4.500,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de verdeling van de huwelijksgemeenschap ten overstaan van een notaris is bevolen, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- voor het geval partijen het over de keuze van een notaris niet eens worden, benoemd tot notaris ten overstaan van wie de verdeling tot stand gebracht behoort te worden: [notaris] , notaris te Den Haag, dan wel de plaatsvervanger.

Behoudens de echtscheiding is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 1999 te [plaats] (Tunesië);

- zij zijn de ouders van de minderjarige;

- de minderjarige verblijft thans bij de vrouw;

- partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige;

- de vrouw heeft de Algerijnse nationaliteit. De man heeft de Algerijnse en de Tunesische nationaliteit;

- de rechtbank Den Haag heeft op 30 januari 2015 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat:

- de minderjarige aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

- dat partijen in onderling overleg een zorgregeling zullen afspreken;

- de huidige financiële regeling tussen partijen, waarbij de man de maandelijkse kosten

van de vrouw en de minderjarige voldoet, voorlopig door partijen wordt voortgezet.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, hierna: de partneralimentatie, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige, hierna: de kinderalimentatie, en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van de door de vrouw verzochte echtscheiding met de door haar verzochte nevenvoorzieningen zoals neergelegd in haar inleidend verzoekschrift tot echtscheiding;

- subsidiair, te bepalen dat de vrouw niet in haar verzoek tot echtscheiding kan worden ontvangen;

- meer subsidiair, de door de vrouw verzochte echtscheiding af te wijzen;

- meer subsidiair, de door de vrouw verzochte toewijzing van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw af te wijzen;

- meer subsidiair, te bepalen dat de man geen partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen, althans te bepalen dat hij geen hogere alimentatie dient te betalen dan vastgesteld bij beschikking van het Hof van Beroep van Bizerte (Tunesië) van 23 januari 2018, althans de alimentatie te bepalen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren;

- meer subsidiair, te bepalen dat hij geen hogere kinderalimentatie dient te betalen dan vastgesteld bij beschikking van het Hof van Beroep van Bizerte (Tunesië) van 23 januari 2018, althans de kinderalimentatie te bepalen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren;

- meer subsidiair, de verdeling van de huwelijksgemeenschap ten overstaan van een Nederlandse notaris, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers, af te wijzen.

3. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

4. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter is tussen partijen in geschil. De man erkent de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de door de vrouw gestarte echtscheidingsprocedure niet, omdat hij in Tunesië eerder een echtscheidingsprocedure is gestart dan de vrouw in Nederland. Om die reden werpt de man de exceptie van litispendentie op.

De vrouw daarentegen stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van haar verzoek, temeer nu gebleken is dat het Hof in Tunesië in de tweede beroepsprocedure de beschikking van de rechtbank in Tunesië heeft vernietigd waardoor er geen verzoek tot echtscheiding meer aanhangig is. Bovendien stelt de vrouw dat zij zich van aanvang af tegen de bevoegdheid van de Tunesische rechter heeft verzet. Zij betwist dat zij stilzwijgend met de echtscheiding in Tunesië heeft ingestemd door zelfstandig alimentatieverzoeken te doen. De vrouw stelt dat zij niet anders kon op het moment dat de Tunesische rechter zich bevoegd achtte met betrekking tot de echtscheiding.

5. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat de vrouw op 9 februari 2015 bij de rechtbank Den Haag een echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen heeft ingediend. Eveneens staat vast dat de man op 1 december 2014 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank te Bizerte, Tunesië, heeft ingediend. Tussen Nederland en Tunesië gelden geen verdragen welke zien op de exceptie van litispendentie. Gelet daarop is het bepaalde in artikel 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing.

Ingevolge artikel 12 Rv kan, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en in voorkomend geval voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.

Op grond van het bepaalde in artikel 10:57 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, wordt een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed in Nederland erkend, indien zij is tot stand gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam.

Bij beschikking van 26 december 2016 heeft de rechtbank te Bizerte tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, met als nevenvoorzieningen toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw, vaststelling van een omgangsregeling, een kinder- en partneralimentatie, een huisvestingsvergoeding en proceskostenveroordeling.

Beide partijen hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Het Hof van Beroep in Bizerte heeft bij beslissing van 23 januari 2018 het beroep van de vrouw, aangaande de gestelde onbevoegdheid van de Tunesische rechtbank om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen en de echtscheiding uit te spreken, verworpen. Naar aanleiding van het beroep van de vrouw heeft de rechtbank echter wel een hoger bedrag aan partner- en kinderalimentatie vastgesteld. De stelling dat de vrouw vanwege haar hoger beroep heeft ingestemd met de bevoegdheid van de Tunesische rechter deelt het hof niet. Het hof acht aannemelijk dat de vrouw wel beroep in moest stellen nadat de Tunesische rechter zich bevoegd had verklaard, teneinde een zo hoog mogelijke alimentatie te verzoeken indien de bevoegdheid eenmaal een gegeven is.

Beide partijen hebben vervolgens cassatie ingesteld waarbij de vrouw wederom de bevoegdheid van de Tunesische rechter ter discussie heeft gesteld en waarbij zij de Supreme Court heeft verzocht de zaak terug te verwijzen naar het Hof om nogmaals de (on)bevoegdheid van de Tunesische rechter te laten beoordelen. De Supreme Court heeft de zaak vervolgens terugverwezen naar het Hof van Beroep. Bij beschikking van 10 januari 2019 heeft het Hof de beschikking van de rechtbank in Bizerte vernietigd aangaande de bevoegdheid om van het verzoekschrift tot echtscheiding kennis te nemen. Tegen die beslissing heeft de man op 15 februari 2019 een cassatieverzoek ingediend dat naar verwachting in de komende zomer zal worden behandeld.

6. Het hof ziet, nu de zaak in Bizerte te Tunesië eerder is aangebracht en de (on)bevoegdheid van de Tunesische rechter nog steeds niet vaststaat, aanleiding de onderhavige zaak aan te houden in afwachting van de procedure in Tunesië.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 31 augustus 2019 ter fine als vermeld in rechtsoverweging 6, met het verzoek aan partijen om het hof vóór die datum over het verloop en/of de uitkomst van de cassatieprocedure in Tunesië te berichten;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.N. Labohm en B. Breederveld, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2019.