Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1453

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
200.242.293/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

civiel recht, arbeidsrecht, cao, internationaal privaatrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.242.293/01

Zaaknummer rechtbank : 6827685 VV EXPL 18-171

arrest in kort geding van 18 juni 2019

inzake

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

hierna te noemen: FNV,

advocaat: mr. J.H. Mastenbroek te Groningen,

tegen

[naam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [naam B.V.],

advocaat: mr. A.A. Camonier te Amsterdam.

1 Het geding

Bij exploot van 29 juni 2018 (met producties) is FNV in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, op 4 juni 2018 tussen partijen gewezen kort geding vonnis (ECLI:NL:RBROT:2018:6877). Daarbij heeft zij vier grieven aangevoerd en tevens haar eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord (met één productie) heeft [naam B.V.] de grieven bestreden. Partijen hebben hun zaak op 5 april 2019 doen bepleiten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van de pleidooizitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte hebben beide partijen arrest gevraagd.

2 Feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de door de kantonrechter in het vonnis van 4 juni 2018 vastgestelde feiten, nu deze niet in geschil zijn. Het gaat, met hetgeen verder in hoger beroep nog is komen vast te staan, om de volgende feiten.

2.1.

FNV is één van de partijen die de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (2017/2019) is aangegaan. Deze cao wordt verder aangeduid als “de cao”.

2.2.

De cao is bij besluit van 14 augustus 2017 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid algemeen verbindend verklaard voor de duur van twee jaar (tot 16 augustus 2019). Bij besluit van voornoemde minister van 11 februari 2019, in werking getreden op 15 februari 2019 (de dag na de publicatie in de Staatscourant) is het besluit van 14 augustus 2017 ingetrokken en vervangen door een (nieuw) besluit op grond waarvan de cao algemeen verbindend is verklaard tot en met 31 december 2019.

2.3.

In de cao is, voor zover in deze procedure relevant, het navolgende opgenomen:

Artikel 2 Werkingssfeer
1.Deze overeenkomst is van toepassing op:

a. Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde ondernemingen die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (hierna Wwg), zoals deze laatstelijk is gepubliceerd op 20 december 2016 (staatsblad 518), verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.

(….)
Artikel 3 Defintities
In deze overeenkomst (….) wordt verstaan onder:

1. werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon, wiens onderneming valt onder de werkingssfeer van deze overeenkomst.

2. werknemer: ieder, die door een werkgever in dienst is genomen voor een bepaalde of onbepaalde tijd van 5 achtereenvolgende werkdagen of langer en die zijn werkzaamheden voor de werkgever gewoonlijk verricht in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming. (…)

17. basisarbeidsvoorwaarden: de artikelen 19, 20, 21, 23, 25, 26a, 27, 29, 33, 34, 36, 37, 40, 41, 42, 64, 65, 67a, 68 en 69 van deze cao.

(…)

Artikel 78 Naleving CAO

1.a. De werkgever is gehouden op schriftelijk verzoek van een werknemersorganisatie, binnen 4 weken schriftelijk aan te tonen dat de CAO correct is nageleefd. Het betreft de artikelen 6 sub 2b, 8 + 10, 16, 19, 20, 21, 25, 26a, 29 leden 3 en 4, 40, 67a, 68, 69 en 75 van de CAO.

(…)

c. Indien de werkgever niet aantoont dat deze CAO getrouwelijk is nageleefd, is de werkgever ten opzichte van de werknemersorganisatie schadeplichtig overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van de Wet CAO. (… )”

2.4.

[naam B.V.] is een in Nederland gevestigde onderneming die zich bezig houdt met goederenvervoer over de weg. Zij is lid van de werkgeversorganisatie Transport en Logistiek Nederland (TLN) en (ook) in die hoedanigheid een aan de cao gebonden werkgever. Van de 175 werknemers die bij [naam B.V.] in dienst zijn, zijn of waren er een aantal (welk aantal van tijd tot tijd kan verschillen en ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord in hoger beroep elf bedroeg) als chauffeur werkzaam, die woonachtig zijn in het Verenigd Koninkrijk en de Engelse nationaliteit hebben. Zij worden hierna aangeduid als de Engelse chauffeurs.

2.5.

De Engelse chauffeurs rijden zowel in het Verenigd Koninkrijk als op het continent (België, Frankrijk, Nederland). Zij zijn een schriftelijke arbeidsovereenkomst met [naam B.V.] aangegaan (hierna in enkelvoud: de arbeidsovereenkomst en in meervoud: de arbeidsovereenkomsten). In de arbeidsovereenkomsten is onder meer het volgende vermeld:

(…)

4. Place of work

The place of which you carry out your work will be (…) [adres chauffeur in Verenigd Koninkrijk - Hof]. The nature of your job requires you to travel throughout Europe, depending on the Company’s business.

(…)

16. Written Particulars

(…)

Governing law

This Agreement is governed by the laws of England and Wales and the parties submit to the exclusive jurisdiction of the English courts.

2.6.

Met ingang van 1 april 2019 heeft [naam B.V.], na een fusie in Nederland, haar activiteiten in Engeland gereorganiseerd, althans is zij voornemens haar activiteiten te reorganiseren, door middel van de oprichting van een nieuwe onderneming in het Verenigd Koninkrijk: Inter Isle Logistics Ltd.

2.7.

[naam B.V.] past de cao niet, geheel of gedeeltelijk, toe op de arbeidsovereenkomsten. Zij betaalt de Engelse chauffeurs volgens de in hun arbeidsovereenkomst opgenomen bepalingen. De op grond van de cao verschuldigde betalingen zijn hoger dan de betalingen die aan de Engelse chauffeurs worden gedaan. De Engelse chauffeurs ontvangen hun salaris in het Verenigd Koninkrijk en betalen belasting en premies, inclusief pensioenpremies, in het Verenigd Koninkrijk.

3 Het geschil

3.1.

FNV heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd en met nevenvorderingen, [naam B.V.] te veroordelen om, voor wat betreft de hierna onder 1. en 2. vermelde vorderingen op straffe van een dwangsom:
1. binnen 14 dagen na het vonnis schriftelijk aan te tonen dat de cao, in het bijzonder een aantal bepalingen daarvan, door [naam B.V.] correct wordt nageleefd jegens de Engelse chauffeurs;

2. aan de Engelse chauffeurs nabetalingen te doen voor zover de cao niet correct is nageleefd en daarvan bewijs over te leggen;

3. € 30.000,- te betalen als voorschot op de schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Wet op de cao.

3.2.

De kantonrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd met veroordeling van FNV in de kosten van het geding.

3.3.

FNV kan zich niet in de beslissing vinden en eist, na wijziging van eis, dat haar bij appeldagvaarding gespecificeerde vorderingen alsnog worden toegewezen. Daarbij heeft zij in het kader van haar hiervoor onder 3.1.2. vermelde nabetalingsvordering in hoger beroep een primaire en een subsidiaire eis geformuleerd. De hiervoor onder 3.1.3. vermelde vordering ontbreekt in het petitum van de appeldagvaarding (waarin de grieven zijn opgenomen). De inhoud van haar grieven is, kort samengevat, als volgt:

Grief I: De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het Engelse recht van toepassing zou zijn als in de arbeidsovereenkomsten geen rechtskeuze zou zijn gemaakt.

Grief II: Het op de arbeidsovereenkomsten toepasselijke recht is niet van belang omdat, ook als Engels recht van toepassing is, [naam B.V.] op grond van de werkingssfeerbepaling van de cao jegens FNV gehouden is die cao ten aanzien van de Engelse chauffeurs toe te passen.

Grief III: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat FNV ten aanzien van de Engelse chauffeurs geen recht heeft op nakoming van de cao.

Grief IV: De kantonrechter heeft FNV ten onrechte veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.

3.4.

[naam B.V.] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis in kort geding van 4 juni 2018 met veroordeling van FNV in de kosten van het hoger beroep.

4 Beoordeling in hoger beroep

4.1.

Het gaat in dit kort geding in de kern om de vraag of [naam B.V.] jegens FNV gehouden is om de Engelse chauffeurs te betalen overeenkomstig de cao en of [naam B.V.], in verband daarmee, nabetalingen aan die chauffeurs moet doen. In hoger beroep is niet betwist dat FNV bij die (loon)vorderingen een spoedeisend belang heeft zodat ook het hof, op basis van het uitgangspunt dat loonvorderingen naar hun aard spoedeisend zijn, daarvan uitgaat. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door FNV ingestelde loonvorderingen niet declaratoir van aard zijn heeft [naam B.V.] geen incidenteel appel ingesteld zodat ook het hof dit tot uitgangspunt neemt.

4.2.

Zoals hiervoor onder rov. 3.3. al opgemerkt, is de in eerste aanleg ingestelde vordering strekkende tot de toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding niet vermeld in het in de appeldagvaarding (mét grieven) geformuleerde petitum. Bij pleidooi heeft FNV zich op het standpunt gesteld dat voormelde vordering abusievelijk niet in het dictum van de appeldagvaarding is opgenomen maar niet is prijsgegeven. [naam B.V.] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft betoogd dat, omdat FNV die vordering in hoger beroep niet heeft gehandhaafd en zij ten opzichte van de appeldagvaarding haar eis niet (meer) heeft gewijzigd, deze vordering nu niet ter beoordeling staat.

Voorop staat dat uit de appeldagvaarding en de grieven niet is af te leiden dat FNV voormelde vordering heeft gehandhaafd. In hoger beroep heeft zij haar vordering op meerdere punten gewijzigd: Aan de vordering vermeld onder 3.1.2. heeft zij een subsidiaire grondslag toegevoegd en de vordering vermeld onder 3.1.3. komt in het petitum niet terug. Uit de (toelichting bij) de grieven is, anders dan in de situatie die zich voordeed in ECLI:NL:HR:2015:151, ook niet op te maken dat de vordering is gehandhaafd. Het door FNV gestelde weglaten bij vergissing was voor [naam B.V.] dan ook niet kenbaar. [naam B.V.] hoefde zich in hoger beroep dus niet te verweren tegen een vordering strekkende tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding. Voor zover, ten slotte, FNV ter (pleidooi)zitting in hoger beroep haar vordering nog heeft willen vermeerderen wordt dit niet toegelaten. Op grond van de tweeconclusieregel is een eisvermeerdering in deze stand van de procedure niet (meer) mogelijk.

Toepasselijk recht

4.3.

In de arbeidsovereenkomsten is gekozen voor Engels recht als het toepasselijke recht. De kantonrechter heeft de toets uitgevoerd die is neergelegd in artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 die het hof in navolging van de kantonrechter hierna zal aanduiden als Rome I. Daarmee heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat de arbeidsovereenkomsten zijn gesloten na 17 december 2009. Dat is in hoger beroep niet bestreden zodat ook het hof hiervan uitgaat. In artikel 8 lid 1 Rome I is, kort gezegd, bepaald dat de rechtskeuze voor Engels recht er niet toe mag leiden dat de werknemer, toegespitst op deze zaak, de bescherming verliest die hij zou genieten op grond van het zonder rechtskeuze volgens de leden 2 tot en met 4 van artikel 8 Rome I toepasselijke (dwingend) recht. Daarmee staat ter beoordeling welk recht zonder rechtskeuze van toepassing zou zijn geweest op de arbeidsovereenkomsten.

4.4.

In artikel 8 lid 2 Rome I is neergelegd dat, zonder rechtskeuze, de individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar, of, bij gebreke daarvan, van waaruit, de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Voor de uitleg van artikel 8 lid 2 Rome I in verband met internationaal wegvervoer is van belang het arrest van het HvJ EU in de zaak […] (ECLI:EU:C:2011:151). De FNV meent op basis van dit arrest dat bij gebreke van rechtskeuze Nederlands recht van toepassing is en [naam B.V.] houdt het op het Engelse recht.

4.5.

In zijn arrest van 23 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2165) heeft de Hoge Raad het gewoonlijk werkland (nu opgenomen in artikel 8 lid 2 Rome I) in rov. 3.4.6. als volgt omschreven:
Het criterium van het gewoonlijk werkland wordt aldus verstaan dat het gaat om het land “waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult” (arrest […] , punt 50; zie hiervoor in 3.4.3.). Om vast te stellen in of vanuit welk land de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, dient de rechter “met name” te onderzoeken in welk land zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden; verder moet de rechter nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert (arrest […], punt 49).

Deze door het HvJEU gegeven opsomming van gezichtspunten is niet limitatief. De rechter moet immers rekening houden met “alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken” (arrest […], punten 48 en 50). Wel komt veel gewicht toe aan de gezichtspunten die volgens het HvJEU “met name” moeten worden onderzocht. De rechter dient in elk geval die door het HvJEU genoemde gezichtspunten in zijn beoordeling te betrekken.”

4.6.

Niet betwist is dat de Engelse chauffeurs de instructies voor hun werkzaamheden van [naam B.V.] vanuit Nederland ontvangen, voornamelijk per boordcomputer in de cabine van een trekker. Vast staat verder dat de Engelse chauffeurs hun werkzaamheden verrichten met trekkers en trailers die van een Nederlands kenteken zijn voorzien en die worden onderhouden in Nederland. De trekker met cabine, die veelal bij een bepaalde chauffeur in persoonlijk gebruik is, wordt na zijn werk door de chauffeur mee naar zijn huis in het Verenigd Koninkrijk genomen, van waar hij ook weer vertrekt voor zijn volgende opdracht. De chauffeur start en eindigt derhalve de werkzaamheden bij zijn woonhuis. De trekker bevindt zich dus in belangrijke mate in het Verenigd Koninkrijk. Ter gelegenheid van pleidooi is voorts gebleken dat het gebruikelijk is dat de aan de trekker te bevestigen trailer door de chauffeur van de boot wordt gehaald of naar de boot wordt toegebracht, waarna deze op de boot losgekoppeld is van de trekker om vervolgens na aankomst weer te worden aangekoppeld aan een, niet noodzakelijkerwijze dezelfde, trekker. Die laatste actie van aankoppeling kan door een andere chauffeur worden verricht dan de chauffeur die de trailer naar de boot heeft gebracht. De Engelse chauffeurs starten, beëindigen en organiseren dus hun werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk, ontvangen instructies vanuit Nederland en rijden met van een Nederlands kenteken voorzien materieel dat zij, voor wat betreft de trekker, meenemen naar hun huis in het Verenigd Koninkrijk.

4.7.

[naam B.V.] heeft zich, tegenover het betoog van FNV met als strekking dat de Engelse chauffeurs voor 75% op het continent en voor 25% in het Verenigd Koninkrijk rijden, gedocumenteerd op het standpunt gesteld dat het door de Engelse chauffeurs verrichte vervoer hoofdzakelijk wordt verricht in het Verenigd Koninkrijk. Uit door haar overgelegde gegevens volgt dat de Engelse chauffeurs 70% van de kilometers (67% van de arbeidsduur) in het Verenigd Koninkrijk rijden, 15% van de gereden kilometers (21% van de arbeidsduur) in Nederland en 14% (11% van de arbeidsduur) in andere landen op het continent. In hoger beroep heeft FNV naar voren gebracht dat deze gegevens niet representatief zijn en dat, als ze dat wel zijn, [naam B.V.] in strijd handelt met de cabotageregels. Bij memorie van antwoord heeft [naam B.V.] dit handelen in strijd met de cabotageregels gemotiveerd weerlegd waarna FNV bij pleidooi nog heeft betoogd dat “de ritten op het niveau van het trekkende voertuig” van en naar Nederland plaatsvinden waarmee volgens FNV sprake is van werkzaamheden in en vanuit Nederland.

Het hof stelt voorop dat het in het kader van dit kort geding aan FNV is om haar stellingen van een zodanige feitelijke onderbouwing te voorzien dat het hof, oordelend als voorzieningenrechter, deze, zonder nader onderzoek en zonder nadere bewijslevering, voorshands aannemelijk kan achten. Aan dat criterium heeft FNV op dit punt niet voldaan. De enkele betwisting van de door [naam B.V.] verstrekte en onderbouwde feitelijke gegevens, zonder daar een feitelijke onderbouwing van de eigen gegevens tegenover te stellen, volstaat daartoe in ieder geval niet. Daar komt nog bij dat, als het al juist zou zijn dat de Engelse chauffeurs voor 75% op het continent werkzaam zouden zijn zoals FNV stelt, dat nog niet betekent dat het continent gelijk gesteld moet worden met Nederland.

Nu FNV tegenover het gemotiveerde en gedocumenteerde verweer van [naam B.V.], te weinig onderbouwing heeft verschaft voor haar stelling dat het vervoer door de Engelse chauffeurs hoofdzakelijk in Nederland wordt verricht, wordt haar standpunt op dit punt niet gevolgd. Vooralsnog wordt tot uitgangspunt genomen dat de Engelse chauffeurs in hoofdzaak vervoer verrichten in Engeland. Vast staat dat de chauffeur na zijn (continentale) werkzaamheden (ook weer) in Engeland terugkeert. Er zijn, ten slotte, geen gegevens verschaft waaruit kan volgen dat de Engelse chauffeurs in hoofdzaak in Nederland lossen.

4.8.

Op grond van voorgaande overwegingen is het hof voorshands van oordeel dat het Verenigd Koninkrijk moet worden aangemerkt als het land waar of van waaruit de chauffeurs het belangrijkste deel van hun verplichtingen jegens [naam B.V.] vervullen. Het hof neemt daarom vooralsnog tot uitgangspunt dat, ook bij gebreke van rechtskeuze, Engels recht het toepasselijk recht is. Dit betekent dat vooralsnog niet geconcludeerd kan worden dat de Engelse chauffeurs rechtsbescherming verliezen die hen op basis van het Nederlandse recht zou toekomen, zoals FNV betoogt. Grief I faalt.

Werkingssfeerbepaling cao

4.9.

FNV stelt zich op het standpunt dat [naam B.V.] jegens FNV gehouden is de algemeen verbindend verklaarde cao toe te passen op al haar werknemers, waaronder de Engelse chauffeurs, ook indien het Engels recht het toepasselijke recht is. Voor zover FNV stelt dat [naam B.V.] jegens FNV (en andere cao-partijen) een verplichting heeft die anders (lees: ruimer) is dan de verplichtingen waarop de Engelse chauffeurs zich jegens [naam B.V.] zouden kunnen beroepen, faalt dat betoog. Uit geen rechtsregel vloeit voort dat de FNV nakoming van een cao zou kunnen afdwingen ten behoeve van werknemers die niet onder werkingssfeer van die cao (en van het Nederlandse recht) vallen.

4.10.

Beoordeeld dient dus te worden of de Engelse chauffeurs onder de definitie van werknemer c.q. de werkingssfeer van de cao vallen. Op de uitleg van een cao is de cao-norm van toepassing. Dat betekent dat het bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling als vermeld in artikel 2 van de cao aankomt op de tekst van die bepaling gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van die bepalingen. Het komt daarbij niet aan op de niet kenbare bedoelingen van degenen die de betrokken bepalingen hebben geredigeerd.

De FNV legt de werkingssfeerbepaling van de cao aldus uit dat het enkele feit dat [naam B.V.] een in Nederland gevestigde onderneming is die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen verricht, volstaat om te bewerkstelligen dat zij jegens FNV gehouden is de cao jegens al haar werknemers na te komen. Het hof volgt het FNV hierin niet. De FNV verliest in deze benadering uit het oog dat de zinsnede “Alle werkgevers en werknemers” in de werkingssfeerbepaling in artikel 2 lid 1 onder a cao gelezen moet worden in samenhang met artikel 3 cao waarin een definitie wordt gegeven van de begrippen “werkgever” en “werknemer”. Onderdeel van de definitie van werknemer in artikel 3 lid 2 cao is dat hij zijn werkzaamheden voor de werkgever gewoonlijk verricht vanuit de in Nederland gevestigde onderneming. Onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent hiervoor onder 4.6. en 4.7. is overwogen, overweegt het hof dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de Engelse chauffeurs hun werkzaamheden gewoonlijk verrichten vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van [naam B.V.], zodat zij niet kunnen worden beschouwd als “werknemer” in de zin van de werkingssfeerbepaling van de cao. Dat [naam B.V.] wel voldoet aan de definitie van “werkgever” brengt nog niet mee dat de cao ook op de Engelse chauffeurs moet worden toegepast. Gelet op de beperking van de toepasselijkheid van de cao tot werknemers die hun werkzaamheden gewoonlijk verrichten vanuit een in Nederland gevestigde onderneming, ligt het niet voor de hand om het toepassingsbereik van de cao ook uit te strekken tot werknemers die niet onder de definitie van artikel 3 vallen.

4.11.

Naar voorlopig oordeel is [naam B.V.] dus niet gehouden om op grond van (uitsluitend) de werkingssfeerbepaling de cao toe te passen op de Engelse chauffeurs, zoals de FNV heeft betoogd.


Artikel 9 Rome I

4.12.

Het voorgaande brengt met zich dat ook een beroep op artikel 9 Rome I de FNV niet kan baten, wat daar verder ook van zij. Dat zou op grond van het navolgende overigens niet anders zijn als de Engelse chauffeurs wel onder de werkingssfeer van de cao zouden vallen.

4.13.

In kort geding vindt noodzakelijkerwijze een beperkt feitenonderzoek plaats. Het resultaat van dit beperkte onderzoek is dat de Engelse chauffeurs arbeidsovereenkomsten hebben waarop het Engels recht van toepassing is, terwijl het Verenigd Koninkrijk moet worden aangemerkt als het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht. De Engelse chauffeurs wonen in het Verenigd Koninkrijk en betalen sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en belastingen in het Verenigd Koninkrijk, zo volgt uit hun arbeidsovereenkomst. In eerste aanleg heeft [naam B.V.] bovendien onweersproken gesteld dat het verschil in loonkosten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk niet is ingegeven door de omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk een zogenaamd lage lonen land zou zijn maar doordat het valutaverschil tussen pond en Euro de laatste jaren fluctueert. Onder deze omstandigheden, die ten gevolge van een (mogelijke?) Brexit ook nog weer kunnen wijzigen, is het hof vooralsnog van oordeel dat er geen openbare belangen van Nederland in het geding zijn die vergen dat in dit specifieke geval voorzieningen in kort geding moeten worden getroffen die gericht zijn op naleving van de cao ten opzichte van de Engelse chauffeurs door [naam B.V.].

Slot

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat, naast grief I, ook de grieven II tot en met IV falen. Nadere bewijslevering is in dit kort geding niet aan de orde. De beslissing in eerste aanleg zal worden bekrachtigd met de, bij deze beslissing passende, veroordeling van FNV in de kosten van deze procedure.

Beslissing in hoger beroep


Het hof:

 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 4 juni 2018;

 veroordeelt de FNV in de proceskosten aan de zijde van [naam B.V.] tot op heden begroot op € 726,-- aan griffierecht en € 3.222,-- (3 punten à tarief II) aan salaris van de advocaat;

 verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, J.M.T. van der Hoeven-Oud en M.V. Ulrici en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.