Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:144

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
200.251.703/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rekening-courantverhouding, is er een overeenkomst tot finale afrekening tot stand gekomen? Omvang rekening-courantschuld, art. 6:140 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.703/01

Zaaknummers rechtbank : 360083 / HA ZA 10-2391 en C/10/434937 HA ZA 13-1051

arrest van 12 februari 2019

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

Professional Business Services Group B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: PBSG,

advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg te Bussum.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 4 mei 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2010, 11 december 2013, 24 december 2014, 15 juni 2016, 5 oktober 2016 en 8 maart 2017.

1.2

Bij arrest van 30 mei 2017 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.3

[appellant] heeft een memorie van grieven, tevens houdende een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging, genomen. Hierin heeft hij vier grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en heeft hij producties overgelegd. Tevens heeft hij een incidentele vordering tot schorsing van de bestreden vonnissen ingesteld.

1.4

Bij memorie van antwoord in het incident heeft PBSG de incidentele vordering betwist. Het hof heeft de incidentele vordering bij arrest van 30 januari 2018 afgewezen en heeft de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door PBSG.

1.5

PBSG heeft bij memorie van antwoord in de hoofdzaak de grieven bestreden en producties overgelegd.

1.6

Partijen hebben op 8 januari 2019 hun zaak doen bepleiten door hun advocaten. Mr. Kolkman heeft gepleit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

1.7

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Inleiding

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 24 december 2014 onder 2.1 tot en met 2.3 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellant] was DGA van “ [X Beheer B.V.] ” (hierna: [X Beheer B.V.] ). [X Beheer B.V.] had twee werkmaatschappijen: de 100% dochter [X Systems B.V.] (hierna: [X Systems B.V.] ) en de 50% dochter [X Installatietechniek B.V.] (hierna [X Installatietechniek B.V.] ).

( ii) Op 31 december 2004 heeft [appellant] zijn aandelen in [X Beheer B.V.] overgedragen aan PBSG.

( iii) [appellant] is in dienst gebleven bij [X Beheer B.V.] en is vanuit die vennootschap gedetacheerd naar [X Systems B.V.] .

( iv) In verband met schulden van [appellant] aan [X Beheer B.V.] en [X Systems B.V.] heeft PBSG per 1 januari 2005 aan [appellant] een lening verstrekt van € 210.000,-, waarmee onder meer deze schulden zijn afgelost. Deze overeenkomst is neergelegd in een brief van 14 januari 2005 van PBSG aan [appellant] .

( v) Tussen [appellant] en PBSG is vervolgens een rekening-courantverhouding tot stand gekomen waarin ook de hiervoor onder (iv) genoemde schuld is opgenomen. Deze rekening-courantverhouding wordt ook wel aangeduid als de “rekening-courant privégebruik”. Sinds 2005 heeft [appellant] via deze weg privébetalingen gedaan, in het bijzonder voor uitgaven in verband met zijn (nieuwe) woning. Voor de privé-uitgaven vanaf 1 januari 2009 is een nieuwe rekening-courant in het leven geroepen.

( vi) [X Installatietechniek B.V.] is in april 2005 gefailleerd. In verband daarmee is een geschil ontstaan tussen [appellant] en STB (die 50% van de aandelen van [X Installatietechniek B.V.] hield). In 2008 is [appellant] veroordeeld tot betaling van € 157.334,- aan STB. Dit bedrag heeft PBSG voor [appellant] betaald en is in een afzonderlijke rekening-courant geadministreerd, hierna aan te duiden als de “rekening-courant STB”.

( vii) In februari 2009 hebben partijen gesproken over de wijze waarop [appellant] zijn rekening-courantschulden aan PBSG zou kunnen aflossen. In een spreadsheet van 17 februari 2009, die is opgemaakt door een van de directeuren van PBSG, [een van de directeuren van PBSG] , is opgenomen dat de totale rekening-courantschuld van [appellant] eind 2008 € 555.076,- bedroeg, waarvan een bedrag van € 157.333,- ter zake van de rekening-courant STB en een bedrag van € 397.743,- ter zake van de rekening-courant privégebruik.

( viii) Op 21 mei 2010 heeft PBSG [appellant] gedagvaard tot betaling van € 702.862,48 aan hoofdsom, te vermeerderen met rente, en tot betaling van € 5.160,- aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering is gebaseerd op de schuld die [appellant] volgens PBSG per 31 december 2009 had uit hoofde van de rekening-courantverhoudingen. De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van 6 oktober 2010 bij verstek toegewezen.

( ix) Partijen zijn op de oude voet blijven samenwerken. Ook de rekening-courant verhoudingen zijn blijven doorlopen.

( x) Bij e-mail van 7 juni 2011 heeft PBSG aan [appellant] de stand van de drie rekening-couranten doorgegeven: de rekening-courant privégebruik tot 2009 sloot met een saldo van € 397.742,02 ten nadele van [appellant] ; de rekening-courant STB met een saldo van € 169.169,30 ten nadele van [appellant] en de rekening-courant vanaf 2009 met een saldo van € 135.490,50 (tot juni 2011). Bij e-mail van 1 februari 2012 heeft PBSG op verzoek van [appellant] opnieuw een actueel overzicht van de rekening-couranten aan hem toegezonden met een totaal saldo van € 755.132,48.

( xi) In 2013 is er een ernstige vertrouwensbreuk tussen partijen ontstaan, waarna de banden tussen PGSG en [appellant] zijn verbroken. [X Beheer B.V.] en [X Systems B.V.] zijn kort daarop gefailleerd.

( xii) PBSG is vervolgens overgegaan tot executie van het verstekvonnis van 6 oktober 2010.

2.3

[appellant] is in 2013 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. De rechtbank heeft hem bij vonnis van 24 december 2014 toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen eind 2009 zijn overeengekomen dat [appellant] niets meer aan PBSG verschuldigd was. Bij vonnis van 15 juni 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet in het bewijs is geslaagd. De zaak is naar de rol verwezen voor uitlatingen over de hoogte van de schuld.

2.4

Hierop heeft PBSG haar vordering nader onderbouwd en vermeerderd tot een bedrag van € 705.565,62 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Deze eisvermeerdering hangt (onder meer) ermee samen dat de rekening-courantschuld volgens PBSG sinds 1 januari 2010 verder was opgelopen.

2.5

In het tussenvonnis van 5 oktober 2016 heeft de rechtbank de eisvermeerdering niet toelaatbaar geacht voor zover er sprake was van een “temporele uitbreiding”. Dit bracht mee dat de vordering van PBSG is beperkt tot de rekening-courantschuld per 31 december 2009. De rechtbank heeft PBSG in de gelegenheid gesteld de omvang van haar vordering opnieuw te berekenen met inachtneming van de beslissingen die zij in het tussenvonnis heeft genomen.

2.6

Bij eindvonnis van 8 maart 2017 heeft de rechtbank – zakelijk weergegeven – het verstekvonnis van 6 oktober 2010 vernietigd. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 580.486,61 (met wettelijke rente) en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] is als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (inclusief de kosten van de verstekprocedure en de kosten van de gelegde beslagen).

2.7

In hoger beroep heeft [appellant] in de hoofdzaak geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot afwijzing van de vorderingen van PBSG. PBSG heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1

[appellant] is ingevolge art. 335 Rv niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het verstekvonnis van 6 oktober 2010.

3.2

Met grief 1 klaagt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen te bewijzen dat partijen eind oktober 2009 zijn overeengekomen dat [appellant] niets meer aan PBSG is verschuldigd. Mede op grond van de bij het pleidooi gegeven toelichting van mr. Kolkman begrijpt het hof deze grief aldus dat [appellant] van mening is dat partijen in 2004 een afspraak hebben gemaakt over de wijze waarop [appellant] zijn rekening-courantschulden zou aflossen. Die afspraak komt erop neer dat de dividendwaarde/de winst in [X Systems B.V.] voor 100% aan [appellant] zou toekomen totdat de schuld in de rekening-courant privégebruik volledig zou zijn afgelost. Het restant dividendwaarde/winst zou 50/50 worden verdeeld over [appellant] en PBSG en daarmee zou de schuld in de rekening-courant STB kunnen worden afgelost. [appellant] onderbouwt deze stelling door te wijzen op de volgende zin in de (door PBSG ( [een van de directeuren van PBSG] ) opgemaakte) spreadsheet van 17 februari 2009:

“Principe: alle dividend is voor [appellant] tot rekcrt privegebruik is betaald, daarna 50/50 met holding”

3.3

Volgens [appellant] volgt uit diezelfde spreadsheet ook dat in 2009 geen enkele schuld meer aan PBSG resteerde. [appellant] voert aan dat de spreadsheet vermeldt dat de dividendwaarde van [X Systems B.V.] eind 2008 € 818.724,- bedroeg. Na aftrek van [appellant] schuld van € 397.743,- uit hoofde van de rekening-courant privégebruik, bleef er een bedrag van € 420.981,- over. Dat bedrag diende 50/50 te worden verdeeld over [appellant] en PGSG. Met het aldus aan [appellant] toekomende bedrag van € 210.491,- kon hij de schuld van € 157.333,- uit hoofde van de rekening-courant STB ruimschoots aflossen. PBSG had op dat moment zelfs een schuld van € 53.158,- aan hem, aldus [appellant] .

3.4

PBSG heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist. Zij voert onder meer aan dat partijen niet de in 3.2 bedoelde afspraak hebben gemaakt en dat de spreadsheet van 17 februari 2009 enkel een “praatstuk” was om te bezien of er tot een afrekening zou kunnen worden gekomen. Een van de redenen waarom die afrekening er uiteindelijk niet is gekomen, is dat bij de verrekening van dividendwaarde met de rekening-courantschulden rekening moest worden gehouden met het feit dat de (fictieve) uitkering van de dividendwaarde aan [appellant] aan loonbelasting onderhevig was. Als daarmee rekening werd gehouden was de dividendwaarde onvoldoende voor aflossing van de schuld.

3.5

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat er in februari 2009 is gesproken over een definitieve afrekening in financieel opzicht. Partijen stond destijds voor ogen dat [appellant] de rekening-courantschuld (mogelijk) zou aflossen door deze te verrekenen met (een deel van) de winst van [X Systems B.V.] , waarin [appellant] de voornaamste werkzaamheden verrichtte. Dat partijen in februari 2009 deze mogelijkheid onder ogen hebben gezien, blijkt onder meer uit een voorstel van [appellant] van 11 februari 2009 en uit de spreadsheet van 17 februari 2009.

3.6

[appellant] heeft op 25 oktober 2009 de volgende e-mail aan [een van de directeuren van PBSG] gestuurd:

“Naar aanleiding van je verzoek met betrekking tot het strategisch plan voor 2010 wil ondergetekende allereerst aangeven dat dit wellicht een goed idee is, echter voordat hierover afspraken worden gemaakt, moeten er eerst een aantal zaken uit het verleden worden afgehandeld.

Dit heeft te maken met het feit dat er al jaren toezeggingen worden gedaan maar deze zijn nimmer of gedeeltelijk nagekomen.

Ter illustratie is er tijdens een gesprek medio februari dit jaar afgesproken dat ondergetekende zal reageren op het concept voorstel, inzake de afrekening [X Systems B.V.] BV, [X Beheer B.V.] Beheer BVV, PBSG en [appellant] in privé, en dat de heer [een van de directeuren van PBSG] de bijbehorende documenten ter onderbouwing zal verstrekken. Maar helaas na 8 maanden nog geen onderbouwing.

Gezien dat de onderbouwing tot op heden nog niet is ontvangen heeft ondergetekende zelf een aantal zaken uitgezocht en nagevraagd en helaas heeft dit tot als resultaat dat er nu nog meer vragen dan antwoorden zijn op het voorstel afrekening (…). Een deel van deze vragen in relatie tot het concept voorstel zijn in bijgevoegde bijlage aangegeven. (…)”

In een bijlage bij deze e-mail heeft [appellant] een aantal vragen gesteld met betrekking tot de financiële afrekening tussen partijen. De antwoorden op deze vragen heeft [een van de directeuren van PBSG] bij e-mail van 30 oktober 2009 aan [appellant] toegestuurd. Voor zover relevant luiden deze vragen en antwoorden als volgt:

“7) Waarom wordt het gegeneerde bedrag door [appellant] persoonlijk van € 944.951,61 (…) niet volledig ten gunste van [appellant] aangewend ter aflossing van zijn rekening courantschulden. Ondanks het feit dat dit wel mondeling overeengekomen in december 2004 tijdens de overname (…).

Of dat bedrag (…) klopt weet ik niet. Maar het lijkt alsof je hier de door jouw gegeneerde omzet telt. Gegenereerde omzet is een onzinnig uitgangspunt. Er staan ook allerlei kosten tegenover. De door [appellant] gegeneerde omzet heeft, naast het inkomen voor [appellant] zelf, geleid tot een resultaat in Systems en indirect in de PGSG en [X Beheer B.V.] . Zowel de inkomsten van [appellant] als de resultaten van Systems, PBSG en [X Beheer B.V.] zijn in de definitieve afrekening verwerkt.

Alle resultaten van Systems zijn in eerste instantie voor 100% toegekend aan [appellant] voor de afrekening van de rekening-couranten [appellant] (met uitzondering van de betaling aan STB van 157.000). Alleen het meerdere is 50/50 verdeeld. En dat is, ondanks wat je hierover schrijft, conform de afspraken.

24) Ontvangen bedragen door de moedermaatschappij PBSG vanaf 2004 t/m 31 december 2008;

a. Management fee [X Beheer B.V.] (…); Totaal € 79.000,00

b. Management fee [X Systems B.V.] BV; (…) Totaal € 142.000,00

c. Rekening courant [appellant] € 68.293,00

d. Verkoop [appellant] € 57.625,00

a) en b): Alle inkomsten van de PBSG, zowel uit Systems als uit [X Beheer B.V.] in de definitieve afrekening

(…)

De rest van punt 24 is klinkklare onzin omdat er appels met peren worden vergeleken. Alle bedragen die door de PBSG direct of indirect zijn ontvangen zijn in de definitieve afrekening meegenomen. Alle bedragen die [appellant] heeft ontvangen zijn eveneens in de definitieve afrekening meegenomen (…).

Wij hebben deze verdeelsleutel al eerder besproken. Je hebt toen aangegeven dat je er mee akkoord was, mede omdat je zelf ook een dergelijke verdeling in je hoofd had. (…)”

3.6

Uit de hiervoor genoemde stukken kan, naar het oordeel van het hof, niet worden afgeleid dat er tussen partijen in februari of oktober 2009 overeenstemming bestond over de wijze waarop de in [X Systems B.V.] gegenereerde winst zou worden ingezet ter aflossing van de rekening-courantschuld van [appellant] . Anders dan [appellant] aanvoert, kan de spreadsheet niet als een definitieve afrekening worden beschouwd en blijkt daaruit ook niet dat partijen het definitief eens waren over de systematiek op grond waarvan de eindafrekening zou moeten plaatsvinden. Weliswaar heeft [een van de directeuren van PBSG] in de spreadsheet een berekening gemaakt volgens het door [appellant] omarmde principe, maar deze berekening is voorzien van vele kanttekeningen, waaruit blijkt dat er praktische problemen waren. Er was bijvoorbeeld – zo blijkt uit de spreadsheet – geen bevredigende oplossing voor de wijze van uitbetalen van de dividendwaarde aan [appellant] (naar het hof begrijpt: vanwege mogelijke fiscale gevolgen van deze uitbetaling) en er waren onvoldoende mogelijkheden voor PBSG om zekerheid te krijgen voor de betaling van het restant van de rekening-courantschuld. Het hof volgt PBSG in haar stelling dat het om fiscale redenen niet mogelijk was de schuld van [appellant] zonder meer “weg te strepen” tegen de dividendwaarde in [X Systems B.V.] . Uit de toelichting van [appellant] tijdens het pleidooi blijkt dat [appellant] dit onderschrijft, maar niettemin volhoudt dat partijen dat toch gewoon hebben gedaan. Aan de sub 3.2 geciteerde zin in de spreadsheet komt dan ook niet de betekenis toe die [appellant] daaraan toekent.

3.7

[appellant] wijst in dit verband op de beantwoording van diens vragen door [een van de directeuren van PBSG] op 30 oktober 2006 (hiervoor in 3.6 geciteerd). Uit het feit dat [een van de directeuren van PBSG] in de beantwoording van de door [appellant] gestelde vragen spreekt van “afspraken” en een “definitieve afrekening”, kan niet met zekerheid worden afgeleid dat partijen het definitief erover eens waren dat [appellant] zijn rekening-courantschuld had afgelost of kon aflossen door middel van verrekening met de dividendwaarde in [X Systems B.V.] . De woorden “afspraken” en een “definitieve afrekening” kunnen ook aldus worden begrepen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een toe te passen systematiek om te bezien of het op basis daarvan mogelijk was om de rekening-courantschuld van [appellant] naar nihil terug te brengen. Dat er in de ogen van [appellant] nog geen sprake was van overeenstemming volgt bovendien uit de hiervoor geciteerde e-mail van 25 oktober 2009 van [appellant] . Hij schrijft daarin dat de spreadsheet uit februari 2009 enkel een voorstel voor een afrekening behelsde, waarover nog verder moest worden gesproken en waarvoor hij nog nadere informatie van PBSG nodig had.

3.8

[appellant] heeft ook gewezen op een aantal rekening-courantoverzichten die hij van boekhouder [de boekhouder] heeft ontvangen. [appellant] stelt – kort gezegd – dat daaruit blijkt dat de rekening-courantschuld nihil was. Daaruit blijkt, aldus [appellant] , dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de afspraken ter zake van de definitieve afrekening (nrs. 16 en 28 van de memorie van grieven). De rechtbank is in rov. 2.3.2 van het vonnis van 15 juni 2016 op deze kwestie ingegaan en heeft daarin deze stelling van [appellant] verworpen. Het hof verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen waarop dit berust en maakt deze tot de zijne.

3.9

PBSG heeft aangevoerd dat, toen bleek dat de berekeningen in de spreadsheet geen soelaas boden, partijen uiteindelijk andersluidende afspraken hebben gemaakt. Deze hielden onder meer in dat (a) de rekening-courantschuld niet verder zou oplopen, (b) een nieuwe onderneming zou worden opgericht waarin [appellant] na afronding van de procedures met STB (een optie op) 40% van de aandelen zou krijgen en (c) PBSG via een geding, waarbij [appellant] verstek zou laten gaan, een titel zou krijgen voor de totale rekening-courantschuld. Op grond van deze titel zou PBSG beslag kunnen leggen op bezittingen van [appellant] , zodat STB daarop geen verhaal kon nemen. Volgens PBSG is dit plan ook daadwerkelijk uitgevoerd, met dien verstande dat [appellant] de rekening-courantschuld wel verder heeft laten oplopen. Pas in 2013, nadat er een conflict was ontstaan, heeft [appellant] verzet aangetekend tegen het verstekvonnis van 6 oktober 2010. Naar het hof begrijpt is de afbetaling van de rekening-courantschuld aldus (in de ogen van PBSG) op de langere termijn geschoven. [appellant] heeft deze gang van zaken onvoldoende gemotiveerd betwist.

3.10

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat er (in februari en/of oktober 2009) overeenstemming bestond over de wijze waarop partijen zouden afrekenen en over het feit dat de op grond van de overeengekomen systematiek berekeningen zijn uitgevoerd die tot de conclusie leiden dat [appellant] in 2009 niets meer aan PGBS verschuldigd was. Anders dan [appellant] aanvoert, rust de bewijslast terzake niet op PBSG, maar op [appellant] . [appellant] biedt bewijs aan van de stelling “dat – voor zover er over en weer terzake de onderhavige kwestie nog vorderingen bestonden, deze conform de afspraak tussen partijen, met elkaar zijn verrekend waardoor PBSG niets meer van [appellant] heeft te vorderen uit hoofde van een overeenkomst en/of anderszins, afgezien van een bedrag van € 16.656,39” (dit laatste vanwege het doorlopen van de rekening-courantverhouding na 2009). Het hof passeert dit bewijsaanbod, omdat het – gelet op het partijdebat – onvoldoende concreet is.

3.11

De conclusie is dat grief 1 faalt.

3.12

Grief 2 is subsidiair opgeworpen, te weten voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat op [appellant] wel de bewijslast van de in grief 1 bedoelde afspraak rust. De stellingen die [appellant] in de toelichting op grief 2 opwerpt, zijn hiervoor reeds besproken en verworpen. Grief 2 behoeft geen nadere bespreking en faalt.

3.13

Grief 3 ziet op de omvang van de rekening-courantschuld. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat PBSG een vordering van € 580.486,61 op hem heeft. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 5 oktober 2016 PBSG gevraagd om een nadere begroting van de vordering, aangepast aan de overwegingen van de rechtbank in dat vonnis. [appellant] is van mening dat PBSG “absoluut” niet heeft voldaan aan die opdracht en dat hij die stelling in zijn antwoordakte tevens houdende verzet tegen vermeerdering van eis, heeft onderbouwd. De rechtbank heeft echter zijn standpunt ten onrechte niet gevolgd (nrs. 42-50 van de memorie van grieven).

3.14

Het hof passeert deze – zeer algemene – stellingen. Van [appellant] kan worden verwacht dat hij concreet toelicht op welke punten hij het oneens is met het oordeel van de rechtbank. Hij kan in dit stadium van de procedure niet volstaan met een algemene verwijzing naar eerdere stukken, zonder toe te lichten waarom de rechtbank daarop onvoldoende heeft gerespondeerd. Daarbij komt nog het volgende. PBSG heeft aangevoerd dat [appellant] gedurende hun samenwerkingsperiode meerdere malen tussentijdse overzichten heeft ontvangen van de rekening-courant en dat dat nooit tot enige opmerking heeft geleid van zijn kant. Het gaat daarbij, zo begrijpt het hof, om overzichten die dateren van vóór 2009, als om overzichten van daarna, zoals opgenomen in de emails van 7 juni 2011 en 1 februari 2012. Het hof merkt in dat verband op dat de overzichten van eind 2008 en de daarbij behorende saldi in 2009 zelfs tot uitgangspunt hebben gediend bij de poging om te komen tot een definitieve afrekening. Ingevolge art. 6:140 lid 3 BW had het toen op de weg van [appellant] gelegen om, telkens na ontvangst van deze overzichten, binnen redelijke tijd te protesteren tegen de aan hem medegedeelde saldi als hij van mening was dat deze onjuist waren. Nu hij dit heeft nagelaten gelden deze saldi als tussen partijen vastgesteld.

3.15

In de nrs. 51-53 van de memorie van grieven staan wel enkele concrete bezwaren tegen het oordeel van de rechtbank, te weten:

  1. dat er twee keer een post AOP-uitkering is vermeld; die uitkering wordt aan de curator aan het faillissement van [X Beheer B.V.] uitbetaald en hoort daarom niet in de rekening-courant thuis.

  2. dat onduidelijk is wat er met de omschrijving “HYP” wordt bedoeld (die meerdere keren voorkomt in de rekening-courant); vermoedelijk gaat het om pensioenkosten die aan Nationale-Nederlanden zijn betaald, maar de desbetreffende bedragen hebben niets met [appellant] in privé te maken.

  3. dat er een dubbelbetaling in het overzicht voorkomt, te weten € 5.390,-, (“zie boekdatum 21-06-2010, omschrijvingen [Y] Advocaten en VDT Advocaten”)

3.16

Wat betreft het eerste punt is het voor het hof niet duidelijk wat het probleem is; [appellant] heeft dat in ieder geval onvoldoende concreet toegelicht. Naar het hof uit het faillissementsverslag begrijpt, vindt de uitbetaling aan de curator pas plaats vanaf het faillissement van [X Beheer B.V.] (april 2014), terwijl de betwiste posten in 2005 in rekening-courant zijn geboekt. Dat PBSG de desbetreffende bedragen in de rekening-courantverhouding heeft opgenomen, moet [appellant] bovendien reeds zeer lang bekend zijn, reeds omdat de bedragen al voorkomen de rekening-courantoverzichten die aan de spreadsheet van februari 2009 ten grondslag hebben gelegen. Het had op de weg van [appellant] gelegen destijds hiertegen te protesteren (vgl. art. 6:140 lid 3 BW).

3.17

Ook wat betreft het tweede punt geldt dat de bedragen met de omschrijving “HYP” al vanaf 2005 voorkomen in de rekening-courant. [appellant] heeft daarvan nimmer een punt gemaakt, hoewel hij ermee bekend moet zijn geweest dat PBSG deze bedragen in rekening-courant boekte. [appellant] heeft immers niet gesteld dat PBSG heeft nagelaten hem jaarlijks de ingevolge art. 6:140 lid 2 BW verplichte opgave te verstrekken. Hij heeft – kortom – de redelijke termijn als bedoeld in art. 6:140 BW laten verstrijken.

3.18

Wat betreft de door [appellant] geconstateerde dubbeltelling, heeft het volgende te gelden. Het is juist dat op 21 juni 2010 twee keer een bedrag van € 5.390,- aan advocaatkosten in rekening-courant is geboekt. Of dit ten onrechte is gebeurd, kan in het midden blijven. De desbetreffende boekingen hebben immers plaatsgevonden na de peildatum van 31 december 2009. Reeds om die reden verwerpt het hof dit bezwaar.

3.19

De conclusie is dat grief 3 faalt.

3.20

Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen afzonderlijke bespreking. Ook deze grief faalt. Het hof passeert het bewijsaanbod in nr. 60 van de memorie van grieven omdat het onvoldoende concreet is.

3.21

De conclusie is dat de grieven falen en dat de bestreden vonnissen (in de verzetprocedure) zullen worden bekrachtigd. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, omdat hij de in het ongelijk gestelde partij is. Bij de begroting van het salaris advocaat gaat het hof uit van drie punten in tarief VII.

4 Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het verstekvonnis van 6 oktober 2010;

- bekrachtigt de vonnissen van 11 december 2013, 24 december 2014, 15 juni 2016, 5 oktober 2016 en 8 maart 2017;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van PBSG begroot op € 5.200,- aan verschotten en € 14.034,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, S. Dijkstra en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.