Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1439

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
BK-18/01134
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:14382, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de aanslag IB/PVV 2014 op een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het op grond van het executoriaal derdenbeslag direct aan de schuldeiser uitgekeerde bedrag terecht tot het belastbaar inkomen is gerekend. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV op een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens [belanghebbende] is het aan de schuldeiser uitgekeerde bedrag ten onrechte tot het belastbaar inkomen gerekend. Volgens [belanghebbende] plegen de belastingdienst en het UWV fraude, verduistering en vervalsing en is er sprake van dubbel inkomensverlies. De belastingdienst schendt voorts haar zorgvuldigheidsplicht en bewijsplicht en maakt zich schuldig aan witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-06-2019
V-N Vandaag 2019/1416
FutD 2019-1662
NTFR 2019/2620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01134

Uitspraak van 25 januari 2019

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 15 november 2018, nr. SGR 18/5480.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.569 opgelegd en is bij beschikking € 7 aan belastingrente berekend.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Heffing van griffierecht is achterwege gebleven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Heffing van griffierecht is achterwege gebleven.

1.6.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 18 januari 2019. De Inspecteur is verschenen. Van de kant van belanghebbende is niemand verschenen. Zij heeft in diverse stukken aangegeven niet op de zitting te verschijnen.

1.7.

Op de zitting is ook het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer

BK-18/00624 behandeld.

1.8.

Na de sluiting van het onderzoek heeft belanghebbende nog een brief ingezonden. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van die brief, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is in 2014 € 14.569 aan uitkeringen toegekend. In verband met een executoriaal derdenbeslag is € 1.239 door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) rechtstreeks aan een schuldeiser uitgekeerd.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.330. Het door het UWV aan de schuldeiser uitgekeerde bedrag heeft zij buiten aanmerking gelaten.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2014 op een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het op grond van het executoriaal derdenbeslag direct aan de schuldeiser uitgekeerde bedrag terecht tot het belastbaar inkomen is gerekend. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV op een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens [belanghebbende] is het aan de schuldeiser uitgekeerde bedrag ten onrechte tot het belastbaar inkomen gerekend. Volgens [belanghebbende] plegen de belastingdienst en het UWV fraude, verduistering en vervalsing en is er sprake van dubbel inkomensverlies. De belastingdienst schendt voorts haar zorgvuldigheidsplicht en bewijsplicht en maakt zich schuldig aan witwassen. [Belanghebbende] wenst tevens dat een accountantsverklaring over het tijdvak 2001-2017 wordt overgelegd van de schuldeiser en het kantoor van de betrokken gerechtsdeurwaarders.

5. De rechtbank stelt voorop dat de belastingrechter in de onderhavige zaak enkel bevoegd is om te oordelen over de juistheid van de opgelegde aanslag IB/PVV en niet over de hoogte van de aan [belanghebbende] verstrekte uitkering of de rechtmatigheid van het derdenbeslag. De rechtbank zal zich in haar oordeel dan ook beperken tot de vraag of het door het UWV niet aan [belanghebbende] zelf uitbetaalde deel terecht tot het belastbaar inkomen van [belanghebbende] is gerekend.

6. Artikel 3.101, eerste lid, letter a, in samenhang met artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt - voor zover hier van belang - dat aangewezen periodieke uitkeringen, worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, zijn verrekend, of ter beschikking zijn gesteld, dan wel rentedragend of vorderbaar en inbaar zijn geworden. Alsdan dienen zij tot het belastbaar inkomen te worden gerekend. Voor de heffing van inkomstenbelasting moet daarom de gehele uitkering van het UWV worden aangemerkt als aan [belanghebbende] ter beschikking te zijn gesteld door het UWV. Dit wordt niet anders doordat het UWV onmiddellijk in aansluiting hierop vanwege het beslag een deel van de uitkering feitelijk heeft uitbetaald aan degene ten behoeve waarvan beslag is gelegd in plaats van aan [belanghebbende] zelf. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3.101 en 3.146 van de Wet IB 2001 wordt het door het UWV aan de beslaglegger uitgekeerde bedrag dan ook geacht te zijn genoten door [belanghebbende]. Door de inhouding en betaling aan een schuldeiser wordt de vordering van de schuldeiser immers verminderd.

7. Hetgeen voorts nog door [belanghebbende] is aangevoerd kan in een geschil voor de belastingrechter niet worden beoordeeld.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is, in zoverre net als voor de Rechtbank, in geschil of het aan de schuldeiser ingevolge een derdenbeslag betaalde bedrag van € 1.239 terecht in het belastbare inkomen uit werk en woning is begrepen.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Gelet op het geheel van uit de processtukken naar voren komende gegevens heeft de Rechtbank naar 's Hofs oordeel met betrekking tot elk onderdeel van het geschil terecht en op goede gronden beslist dat het beroep ongegrond is. Belanghebbende heeft, ook in hoger beroep, niets aangevoerd of ingebracht op grond waarvan een andere conclusie is gerechtvaardigd dan wel waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van het oordeel van de Rechtbank.

5.2.

Voor zover belanghebbende met haar opmerkingen in de stukken de bedoeling heeft gehad het Hof te verzoeken een of meer medewerkers van het UWV of de rechtsvoorganger voor de zitting op te roepen in verband met de vaststelling van de door belanghebbende in het onderhavige jaar genoten inkomsten, wijst het Hof het verzoek af, reeds omdat dat, gelet op deze fiscale procedure, alleen ziet en kan zien op feiten en omstandigheden die tussen partijen niet in geschil zijn. In deze procesgang is namelijk alleen in het geding de (rechts)vraag of het bedrag van € 1.239, dat tussen partijen als onbetwist vaststaat, moet worden meegenomen bij de vaststelling van het belastbare inkomen uit werk en woning, uitgaande van een eveneens tussen partijen niet in geschil zijnd bedrag van € 13.330 aan door belanghebbende in 2014 genoten inkomsten. Het Hof neemt in aanmerking dat belanghebbende blijkens haar uitlatingen, neergelegd in een door haar overgelegd proces-verbaal van een zitting in een zaak tegen genoemde instantie, naar 's Hofs oordeel volkomen terecht, te kennen heeft gegeven te begrijpen dat zij met haar vorderingen eigenlijk bij de civiele rechter moet zijn.

5.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 25 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.