Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:142

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
22-002162-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 6, 175 en 179 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Veroordeling ter zake van medeplegen van handelen in strijd met artikel 6 WVW. Straatrace waarbij het slachtoffer (fietser) door medeverdachte is aangereden en vervolgens is overleden. Geen schuld in de vorm van roekeloosheid als bedoeld in art. 175, lid 2, WVW, maar in de vorm van zéér onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Motivering medeplegen. In de competitieve dynamiek van de straatrace, waarbij de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door de andere gevaarlijke verkeersgedraging, ligt een bewuste en nauwe samenwerking voor het medeplegen van handelen in strijd met art. 6 WVW besloten. Gelet op de omstandigheden van het geval is niet relevant door wie het slachtoffer is aangereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2019/24
Jwr 2019/17
NJFS 2019/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002162-18

Parketnummer: 09-837226-17

Datum uitspraak: 29 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2018 in de strafzaak

tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

15 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren. Voorts is de verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd

of ingehouden is geweest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander, namelijk [medeverdachte], als bestuurder van een motorrijtuig (auto van het merk Volkswagen) daarmede rijdende over de weg, de Generaal Spoorlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, namelijk doordat hij roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, samen met zijn medeverdachte (bestuurder van een auto

van het merk Peugeot), in strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet tijdens een straatrace/snelheidwedstrijd, heeft gereden met een snelheid die (veel) hoger lag dan de ter plaatse toegestane 50 km/u, namelijk met een snelheid van (minstens) 93 km/u, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie

ter plaatse, ten gevolge waarvan de medeverdachte

met zijn auto tegen de bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer], is aangereden waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij en/of zijn medeverdachte een krachtens deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] als bestuurder van een voertuig (een auto van het merk Volkswagen), daarmee rijdende op de weg, Generaal Spoorlaan, in strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet tijdens een straatrace/snelheidwedstrijd, heeft gereden met een snelheid die (veel) hoger lag dan de ter plaatse toegestane 50 km/u, namelijk met een snelheid van (minstens) 93 km/u, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan,

met dien verstande dat:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander, namelijk [medeverdachte],

als bestuurder van een motorrijtuig (auto van het merk Volkswagen) daarmede rijdende over de weg, de Generaal Spoorlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, namelijk doordat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend, samen met zijn medeverdachte (bestuurder van een auto van het merk Peugeot), in strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet tijdens een straatrace/snelheidswedstrijd, heeft gereden met een snelheid die (veel) hoger lag dan de ter plaatse toegestane 50 km/u, namelijk met een snelheid van (minstens) 93 km/u, en zijn snelheid niet heeft aangepast aan die wegsituatie en niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overstekende verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse, ten gevolge waarvan de medeverdachte met

zijn auto tegen de bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer], is aangereden waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij en zijn medeverdachte een krachtens deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate hebben overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat

en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld

dat medeplegen niet kan worden bewezen, omdat er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en met name niet van een intellectuele en/of materiële bijdrage die van voldoende gewicht was tussen de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). Derhalve dient de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op [pleegdatum] omstreeks 19:17 uur heeft te [pleegplaats] een aanrijding plaatsgevonden tussen de auto van [medeverdachte] en een fietser, als gevolg waarvan de fietser, te weten [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) is overleden.

De verdachte heeft verklaard dat hij die avond een woofer ging ophalen met de auto van zijn vader, een Volkswagen Golf, in de buurt van Loosduinen. Hij woonde zelf in Spoorwijk. Thuis is het adres waar hij de woofer zou ophalen in de navigatie ingevoerd. Hij is rond 19.00 uur samen met een neef en een vriend naar – uiteindelijk - de Boogaard gereden om bij de ING te pinnen. Onderweg kwam hij [medeverdachte], rijdend in een Peugeot, tegen op de Generaal Spoorlaan. [medeverdachte] kwam op enig moment naast hem rijden, en seinde dat de verdachte naar het BP-tankstation moest gaan. Hij is toen naar het BP station gereden en heeft daar stil gestaan, terwijl [medeverdachte] ging tanken. Op de vraag waarom hij is meegegaan met [medeverdachte] naar de BP heeft de verdachte geen antwoord kunnen geven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte] en hij bij de BP onder meer hebben gesproken over de nieuwe auto van [medeverdachte]. Vervolgens zijn [medeverdachte] en de verdachte naar de ING gereden. Alle personen zijn daar uit de auto’s gestapt en de verdachte heeft gepind. Daarna zijn de verdachte en [medeverdachte] weggereden. [medeverdachte] reed de Generaal Spoorlaan op, in de richting

van Rijswijk. De verdachte is ook de Generaal Spoorlaan opgereden, eveneens in de richting van Rijswijk, en daarmee in een richting 180 graden tegengesteld aan die waarin zijn bestemming (Loosduinen) lag.

Blijkens de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant] (blz. 81) zag hij twee auto’s, een Peugeot en een Volkswagen, stil staan voor het verkeerslicht op de kruising Steenvoordelaan met de Generaal Spoorlaan. Zij stonden ieder op een rijstrook voor rechtdoor. Hij hoorde dat de bestuurder van de Volkswagen gas gaf, terwijl hij stil stond. Hij vermoedde dat een persoon op de achterbank van die VW Golf met zijn mobiele telefoon filmde.

De bestuurder van de Volkswagen keek vervolgens naar

de bestuurder van de Peugeot en toen het verkeerslicht

op groen ging, trokken beide auto’s snel op. [verbalisant] hoorde de banden piepende geluiden maken en zag dat hierbij flink wat rookvorming ontstond. Het was voor hem niet mogelijk om de auto’s op een veilige manier bij te houden. Bij het verkeerslicht op de kruising Generaal Spoorlaan met de Huis te Landelaan zag hij de auto’s wederom snel optrekken, hij hoorde de banden weer piepende geluiden maken. Hij zag op zijn snelheidsmeter dat hij 65 km/uur reed en dat de twee personenauto’s binnen enkele seconden uit waren gelopen en buiten zijn zicht waren geraakt.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat haar bij de kruising van de Generaal Spoorlaan met de Huis te Landelaan twee auto’s opvielen vanwege de hoge snelheid waarmee zij kwam aanrijden. Zij reden zo hard dat zij twijfelde of zij wel op tijd konden stoppen voor de verkeerslichten op de kruising. De Volkswagen stond op de linker rijstrook voorgesorteerd, de Peugeot op de meest rechter rijstrook. Toen het verkeerslicht voor rechtdoor op groen ging, zag [getuige 1] dat de Volkswagen en de Peugeot er knalhard vandoor schoten.

De verdachte heeft verklaard dat hij bij de kruising Generaal Spoorlaan met de Huis te Landelaan links voorgesorteerd stond. Toen hij van zijn neef hoorde dat ze rechtdoor moesten, gaf hij harder gas dan normaal om vóór de auto die naast hem stond op de rechtdoor strook te komen, zo heeft hij verklaard bij de politie. Hij reed toen ongeveer 70 of 80 km/uur.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte echter gezegd dat de bestuurder naast hem, nadat de verdachte contact gemaakt had en richting aangegeven had, hem de gelegenheid had gegeven om op zijn rechtdoor-strook te gaan rijden bij groen licht.

De verdachte heeft bij de politie verder nog verklaard dat hij bijna dagelijks op de Generaal Spoorlaan reed en wist dat er zijstraten waren en dat er een stukje was waar mensen vaak keerden.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij bij het verkeerslicht op de kruising Generaal Spoorlaan met de Huis te Landelaan stond en zag dat een blauwe Peugeot 306 een stukje achteruit reed om naast een andere auto te gaan staan. Hij zag dat beide auto’s erg hard wegreden toen het licht op groen ging. Vervolgens zag hij het ongeval.

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij in de middenberm stond op de Generaal Spoorlaan en het harde geluid van piepende banden hoorde. Hij zag uit de richting van de Huis te Landelaan twee auto’s naast elkaar komen aanrijden. Hij had het idee dat de auto’s met elkaar aan het racen waren, zij hadden een zeer hoge snelheid. Bij de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 3] verklaard dat hij de auto’s heel hard hoorde remmen, hoge toeren hoorde en piepende banden. De auto’s reden volgens hem tegen elkaar op, gaven veel gas en daagden elkaar uit. Ze waren elkaar aan het seinen toen ze aankwamen en stilstonden. Ook op basis van het geluid van de auto’s was merkbaar dat zij aan het racen waren.

Getuige [getuige 4], de bijrijder van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat zij best een aardige afstand 70 of 80 km/u reden.

Getuige [getuige 5] heeft bij de politie verklaard dat hij op de Generaal Spoorlaan het geluid van optrekkende auto’s of motoren hoorde en twee auto’s aan zag komen die naast elkaar reden. Hij zag direct dat zij veel te hard reden, ongeveer 90 km/u. Het leek er erg op dat de auto’s met elkaar aan het racen waren. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij zag dat eerst de ene auto uitstak en daarna de andere.

Getuige [getuige 6] heeft bij de politie verklaard dat zij op de kruising van de Generaal Spoorlaan met de dr. H. Colijnlaan twee auto’s aan zag komen rijden. Zij hoorde veel lawaai, alsof er een raceauto langs reed. Zij zag beide auto’s naast elkaar rijden met een behoorlijke snelheid, tenminste 100 km/u. Het leek of de auto’s aan het racen waren. Bij de rechter-commissaris heeft

zij nog verklaard dat het leek op racen omdat de auto’s allebei precies gelijk opgingen en heel erg hard reden.

Getuige [getuige 7] zag uit de richting van de Huis te Landelaan twee auto’s met hoge snelheid naast elkaar

over de Generaal Spoorlaan rijden. Het viel de getuige

op dat zij te hard reden.

Getuige [getuige 8] zat op de achterbank in de auto bij verdachte. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij voorop reden en dat die andere auto (te weten: de Peugeot) hen rechts wilde inhalen, maar hen niet voorbij heeft kunnen rijden. Zij reden steeds voor die andere auto.

Het hof is van oordeel dat uit voornoemde getuigen-verklaringen blijkt dat tussen de verdachte en [medeverdachte] reeds vanaf het kruispunt Steenvoordelaan met de Generaal Spoorlaan sprake was van oogcontact bij competitief – mogelijk zelfs gefilmd - rijgedrag, dat zij op de kruising van de Generaal Spoorlaan met de Huis te Landelaan zich in dezelfde beginpositie hadden geplaatst en vervolgens met hoge snelheid naast elkaar reden op de Generaal Spoorlaan.

Uit de verkeersongevallenanalyse is het volgende gebleken.

Op de Generaal Spoorlaan reed verdachte op de linkerrijstrook en medeverdachte [naam medeverdachte] op de rechterrijstrook, in de richting van de Lindelaan. Het slachtoffer, dat voor de verdachten van rechts kwam, wilde ter hoogte van de Huys te Wervelaan met zijn fiets de voorrangsweg Generaal Spoorlaan oversteken. Op dat moment kwam verdachte op de linker rijstrook aanrijden, waarop het slachtoffer een stap achteruit deed en waarschijnlijk is omgedraaid met zijn fiets. Verdachte reed het slachtoffer voorbij. Het slachtoffer kwam door zijn manoeuvre op de rechter rijstrook terecht waar medeverdachte [naam medeverdachte] reed en hij werd door [medeverdachte] aangereden. Het slachtoffer werd geschept en is – als gevolg van de aanrijding – ter plekke overleden. Verdachte is na het ongeval gestopt en enkele ogenblikken daarna doorgereden.

De feitelijke gedragingen van de verdachte en [medeverdachte] wijzen er naar het oordeel van het hof op dat er meermalen sprake was van interactie tussen beiden en dat zij elkaar met hun rijgedrag hebben uitgedaagd en opgejut.

Op verschillende momenten reden zij tegen elkaar op, telkens op rijstroken naast elkaar. Zij reden steeds dezelfde kant op, terwijl deze route – gelet op de verklaring van de verdachte dat thuis de route in zijn navigatie was ingesteld naar een adres in Loosduinen – een andere richting opging dan naar Loosduinen.

De verdachte had bovendien vanaf het kruispunt Huis te Landelaan geen enkele noodzaak om hard op te trekken,

nu hij – zoals verklaard ter terechtzitting in hoger beroep – van de bestuurder naast hem bij voorbaat de gelegenheid kreeg om vóór die bestuurder te gaan rijden op de rechtdoor strook, zodra het licht op groen zou springen.

Na de fatale aanrijding is de verdachte na zijn korte stop gewoon doorgereden. Hij is een rechterzijstraat ingereden en hij is aldus in omgekeerde richting, door een naast de Generaal Spoorlaan gelegen woonwijk, alsnog volgens zijn verklaring naar Loosduinen gereden om de woofer op te halen.

Het hof acht, gelet op al het vorenstaande, de verklaring van de verdachte dat geen sprake was van een straatrace en dat hij nergens bij betrokken was, dan ook volstrekt ongeloofwaardig. Het hof is – gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen – van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte en [medeverdachte] een straatrace hielden als bedoeld in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994.

Een straatrace brengt naar het oordeel van het hof een onderlinge dynamiek met zich waarbij, gegeven het competitieve element van die race, de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door de andere gevaarlijke verkeersgedraging. In die competitieve dynamiek ligt een bewuste en nauwe samenwerking besloten. Vaststaat dat [medeverdachte] 93 km/u reed in de buurt van [verdachte], maar dat hij hem vanaf de kruising Generaal Spoorlaan met de Huis te Landelaan tot het ongeval niet heeft ingehaald, terwijl hij dit volgens getuige [getuige 9] wel probeerde. De verdachte moet dus wel een snelheid hebben gereden die in de buurt lag van de snelheid van [medeverdachte], dus waarschijnlijk hoger dan de door verdachte genoemde 70 of 80 km/u, hoewel zijn snelheid als zodanig niet is vastgesteld door onderzoek.

Het hof merkt op dat het feit dat [medeverdachte] en niet de verdachte het slachtoffer heeft aangereden een omstandigheid is die ook anders had kunnen zijn. Het slachtoffer heeft kennelijk ingeschat dat hij bij het vervolgen van zijn oversteken zeker door de verdachte

zou worden aangereden. Als het slachtoffer niet op de weg was omgedraaid, zou het naar het oordeel van het hof inderdaad bepaald niet uit te sluiten zijn geweest dat de verdachte – gelet op zijn snelheid – degene zou zijn die het slachtoffer had aangereden.

De snelheid van zowel de verdachte als [medeverdachte] was te hoog om op tijd de auto tot stilstand te kunnen brengen. De snelheid van de verdachte lag immers waarschijnlijk hoger dan 70 of 80 km/u en die van de medeverdachte was tenminste 93 km/u.

Al het vorenstaande in ogenschouw nemend, maakt het hof dan ook geen onderscheid tussen het aandeel van de verdachte en dat van [medeverdachte] en komt het hof eveneens tot het oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] het feit tezamen en in vereniging hebben begaan. Het hof acht medeplegen dan ook bewezen.

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat er geen sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Bij het bepalen van de mate van schuld heeft het hof

de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

De verdachte en [medeverdachte] hebben de maximumsnelheid aanzienlijk overschreden en hebben hiermee gevaarlijk verkeersgedrag vertoond vanaf de kruising Steenvoordelaan met de Generaal Spoorlaan tot aan de plaats van het ongeval. Het hof zal het rijgedrag van

de verdachte en [medeverdachte] op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen kwalificeren als “zeer onvoorzichtig en onoplettend” in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte

is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een straatrace gehouden en daardoor is een aanrijding veroorzaakt, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. De straatrace vond plaats binnen de bebouwde kom, en de verdachten hebben daarbij de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u ruimschoots overschreden.

Het heeft de verdachte, gelet op zijn onverantwoordelijk rijgedrag kennelijk ontbroken aan enig besef van de grote gevaren die het racen op een weg teweegbrengt voor zichzelf en vooral voor andere verkeersdeelnemers.

De gevolgen van dit handelen van de verdachte en zijn medeverdachte zijn zeer ernstig: het heeft [slachtoffer] het leven gekost en er is onherstelbaar leed toegebracht aan zijn nabestaanden. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen, zoals uitgesproken op de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2019 door

[nabestaande A], partner van het slachtoffer, [nabestaande B], zus van het slachtoffer en [nabestaande C], dochter van het slachtoffer. De verdachte zal moeten leven met de gevolgen van dit ongeval en de wetenschap dat mede door zijn toedoen een man, die volop in het leven stond, is overleden.

De verdachte heeft ook ter terechtzitting in hoger beroep tegen beter weten in volgehouden dat hij niet bij de straatrace betrokken was. Hij heeft benadrukt dat hem geen verwijt treft, dat het slachtoffer niet uitgekeken heeft en dat hij het slachtoffer in geen geval geraakt zou hebben. Van enige spijt over zijn handelen en van het nemen van verantwoordelijkheid daarvoor is dan ook geen sprake.

Het hof acht het ook volstrekt onaanvaardbaar dat de verdachte na het ongeval is doorgereden en toen alsnog zijn oorspronkelijke plan om naar Loosduinen te rijden heeft uitgevoerd, hoewel hij de klap en de aanrijding

had gehoord en ook waarnam dat [medeverdachte] tot stilstand was gekomen en schade aan zijn auto had, zodat hij toch tot de conclusie had kunnen komen dat er een ernstig ongeluk was gebeurd, waar hij gelet op de straatrace medeverantwoordelijk voor was.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 december 2018, waaruit onder andere blijkt dat hem eerder een transactie in de vorm van een werkstraf is aangeboden door het Openbaar Ministerie ter zake van het rijden onder invloed, welke werkstraf is uitgevoerd. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapport van Reclassering Nederland d.d. 1 mei 2018 - zakelijk weergegeven – onder meer inhoudend:

de verdachte functioneert leeftijdsadequaat en er is bij hem geen sprake van een verstandelijke beperking. Hij is in staat om zijn eigen leven te organiseren. Op grond daarvan wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Er is geen sprake van een delict patroon, zodat de reclassering geen uitspraken kan doen over de kans op recidive. Het lijkt goed te gaan met de verdachte op verschillende leefgebieden. Indien de verdachte wordt veroordeeld, wordt de oplegging van bijzondere voorwaarden niet zinvol geacht.

De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel

van het hof in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof zoekt bij het bepalen van de hoogte van de straf aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS en acht de categorie “zeer hoge mate van schuld” van toepassing.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal,

wel aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, om de verdachte in de toekomst te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten. Het hof ziet, nu medeplegen bewezen wordt geacht en het aandeel van de verdachte en [medeverdachte] naar het oordeel van het hof even groot is, aanleiding om aan de verdachte dezelfde straf op te leggen als aan de medeverdachte wordt opgelegd.

Het hof ziet voorts in het door de raadsman aangevoerde omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en op grond van de conclusie in bovenstaand Reclasseringsrapport, geen aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht en zal derhalve het volwassenen strafrecht toepassen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur,

in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Het hof acht een rijontzegging van aanzienlijke duur passend en geboden, omdat de verdachte het feit met een motorrijtuig heeft begaan, er ondanks het korte rijbewijsbezit sprake is van recidive en door het plegen van dergelijke feiten de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar wordt gebracht, zoals ook is gebleken.

Het belang van de verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs dient naar het oordeel van het hof te wijken voor het belang van de verkeersveiligheid.

De tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest zal op de duur van de ontzegging in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor

de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (drie) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel,

mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2019.