Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1408

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
200.256.710-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

overlast voor omwonenden door blaffende honden; voorlopige voorziening in kort geding: huurster moet honden uit het gehuurde verwijderd houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.256.710/01
Rolnummer rechtbank : 7477028 \ VV EXPL 19-32

Arrest in kort geding van 11 juni 2019

in de zaak van

[appellante],

en

[appellant] ,

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. S. van Buuren te Westmaas,

tegen

de Stichting Maasdelta Groep (MDG),

gevestigd te Spijkenisse,

geïntimeerde,

hierna te noemen: MDG,

advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse.

Het geding

1. [appellanten] zijn tijdig in hoger beroep gekomen van het kortgeding vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (locatie Rotterdam), op 18 februari 2018 gewezen tussen partijen. Zij hebben in de appeldagvaarding (met producties) negen grieven tegen het vonnis geformuleerd. Vervolgens heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Daarna heeft MDG de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Op 17 mei 2019 is de comparitie gehouden voor één raadsheer. Hiervan is proces-verbaal gemaakt. Partijen hebben ter comparitie uitdrukkelijk aangegeven dat zij geen (nieuwe) meervoudige mondelinge behandeling van de zaak wensen, doch (zo snel mogelijk) arrest. Daarop is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1

MDG verhuurt woningen aan de [[...]straat] te [plaats]. [appellante] huurt sinds 28 december 2015 de woning [adres] (hierna: het gehuurde). Op 15 februari 2016 heeft [appellant] zich op dat adres ingeschreven en MDG is met die inwoning akkoord gegaan.

2.2

Het gehuurde is onderdeel van een appartementengebouw (hierna: de flat). De woning van [appellanten] ligt boven de bergingen. Aan weerszijden naast hen en boven hen zijn woonappartementen van anderen. De flat voldoet niet meer aan de huidige eisen en is zeer gehorig. Nog dit jaar (2019) wordt een sloopbesluit verwacht, waarna de bewoners in beginsel elders woonruimte aangeboden zullen krijgen.

2.3

Honden in de flat zijn toegestaan, mits zij geen overlast of hinder veroorzaken (art.8 lid 8 van de algemene huurvoorwaarden). [appellanten] hebben twee volwassen rottweilers, [A] en [B]. In het najaar van 2018 hebben [appellanten] een nest rottweilertjes in het gehuurde gehad, waarvan zij één puppy, [C], hebben gehouden. In het appartement naast [appellanten] woont een gezin met een Hollandse Mechelse herdershond. Op de hoek woonde tot ongeveer begin oktober 2018 iemand met drie honden (waaronder één herdershond). Meerdere andere flatbewoners hebben honden. Vanwege de gehorigheid van de flat is het ver te horen wanneer een hond blaft.

2.4

[appellante] heeft het gehuurde voor een bepaalde periode vanaf 1 augustus 2017 tot 4 maart 2018 van MDG gehuurd krachtens een huurovereenkomst Lokaal Maatwerk. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen:

“(…) Huurder verklaart zich voorts te zullen onthouden van alle gedragingen die op enigerlei wijze overlast of hinder aan omwonenden (kan) veroorzaken (…) Huurder neemt maatregelen ten aanzien van de overlast die wordt veroorzaakt door de honden. (…)”

2.5

MDG heeft vanaf november 2016 geluidsoverlastmeldingen ontvangen van direct omwonenden van [appellanten] over het geblaf van de rottweilers. MDG heeft [appellante] verzocht maatregelen te nemen om de overlast te stoppen. Op 29 januari 2018 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden tussen de bewoners (waaronder [appellante]) van zes appartementen – drie met honden en drie waarin hondengeluidsoverlast wordt ervaren.

2.6

Op 24 mei 2018 heeft MDG [appellanten] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter, waarbij zij een verbod heeft gevorderd tot het houden van honden in het gehuurde. Die procedure is in eerste instantie aangehouden tot 28 september 2018, omdat [appellante] had toegezegd dat zij vanaf juli 2018 zelf thuis zou zijn waardoor het geblaf van de honden tot het verleden zou behoren. MDG heeft de kantonrechter eind september 2018 verzocht de procedure nogmaals voor een periode van zes maanden aan te houden. [appellante] heeft tegen die aanhouding bezwaar gemaakt en uiteindelijk heeft de kantonrechter de gevraagde voorziening afgewezen in verband met het ontbreken van een spoedeisend belang.

2.7

Op 17 augustus 2018 heeft MDG [appellanten] gedagvaard voor de kantonrechter te Rotterdam, waarbij zij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde heeft gevorderd in verband met de veroorzaakte overlast door het hondengeblaf (dit is de zogenoemde “bodemprocedure”).

2.8

MDG heeft tevens bij de kantonrechter te Rotterdam een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dat verzoek is gehonoreerd. Op 20 november 2018 heeft de kantonrechter vijf getuigen aan de zijde van MDG gehoord, waaronder [appellante]. De kantonrechter heeft de contra-enquête bepaald op 12 februari 2019, maar daar zijn [appellanten] door omstandigheden niet verschenen.

2.9

Nadat [appellanten] in de bodemzaak van antwoord hadden geconcludeerd, heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie van partijen is aangehouden tot een nader te bepalen dag.

het geschil in dit kort geding

3.1

MDG heeft in eerste aanleg gevorderd primair dat de voorzieningenrechter (hierna: de kantonrechter) [appellanten] veroordeelt om het gehuurde te ontruimen en ontruimd te houden en subsidiair dat de kantonrechter [appellanten] verbiedt om honden in het gehuurde te houden of hen gebiedt om de honden uit het gehuurde te verwijderen en verwijderd te houden of een andere voorlopige voorziening treft. MDG heeft haar eis vermeerderd met een vordering om de subsidiaire eis op verbeurte van een dwangsom van € 150,- per dag toe te wijzen.

3.2

Aan haar vorderingen heeft MDG ten grondslag gelegd dat de honden van [appellanten] ernstige overlast voor de direct omwonenden veroorzaken. Omdat niet de verwachting is dat in de bodemprocedure een eindvonnis zal worden gewezen binnen een voor de direct omwonenden acceptabele tijd, heeft MDG er recht en belang bij om opnieuw een voorlopige voorziening te vorderen teneinde te voldoen aan haar verplichting tot het verschaffen van het rustig huurgenot aan de medebewoners van de flat. Dat huurgenot wordt volgens MDG door [appellanten] willens en wetens belemmerd door aanhoudend geblaf van hun drie honden. De situatie is inmiddels onhoudbaar geworden, aldus MDG.

3.3

[appellanten] hebben zich gemotiveerd tegen de vorderingen verweerd. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat [appellant] al vier jaar onder bewind staat. Voor het geval geoordeeld zou worden dat MDG [appellant] ten onrechte in rechte heeft betrokken, moet MDG de kosten vergoeden die [appellant] heeft moeten maken om bij de mondelinge behandeling aanwezig te kunnen zijn, aldus [appellanten].

3.4

De kantonrechter heeft de vorderingen van MDG ten aanzien van [appellant] afgewezen, omdat [appellant] slechts bewoner van het gehuurde is; [appellant] is geen partij bij de huurovereenkomst met MDG, MDG heeft hem niet als medehuurder erkend en als [appellant] wel partij zou zijn, had MDG de bewindvoerder moeten dagvaarden. Ten aanzien van [appellante] heeft de kantonrechter de primaire vordering (ontruiming) afgewezen, maar wel aanleiding gezien de ordemaatregel van de subsidiaire vordering te treffen, omdat voldoende is komen vast te staan dat de honden met hun geblaf in het gehuurde ernstige overlast veroorzaken voor de direct omwonenden. Daarbij heeft de kantonrechter ook de gevorderde dwangsom toegewezen, maar gemaximeerd tot € 1.500,- en met machtiging van MDG om na verbeurte van de dwangsommen zelf de honden uit het gehuurde te laten verwijderen.

3.5

Na het kortgeding vonnis zijn de dwangsommen volgelopen en heeft MDG de honden laten verwijderen. Vooralsnog zijn [A] en [B] samen in een dierenpension ondergebracht en verblijft de pup bij een familie thuis.

het hoger beroep in dit kort geding

4.1

Het hof zal thans de grieven van [appellanten], deels gezamenlijk, bespreken. MDG heeft geen grieven tegen het vonnis gericht.

4.2

De eerste en vierde grief van [appellanten] betreffen een formeel punt. Volgens hen heeft MDG haar eis niet bij akte vermeerderd. Er zou alleen mondeling ter zitting een eisvermeerdering zijn geweest (ten aanzien van de dwangsom op het niet verwijderen van de honden uit het gehuurde). Deze eisvermeerdering moest ingevolge artikel 130 Rv schriftelijk gebeuren.

4.3

Bij memorie van antwoord heeft MDG aangevoerd dat de “vermeerdering subsidiaire eis” ter zitting schriftelijk is gedaan. Zij heeft als productie 6 overgelegd een “Akte vermeerdering subsidiaire eis” voor zittingsdatum 7 februari 2019 (de datum van de zitting bij de kantonrechter) en aangevoerd dat dat de akte is zoals die ter terechtzitting is genomen. [appellanten] hebben dit hierna (ondanks gelegenheid daartoe) niet meer weersproken. Van de zitting bij de kantonrechter is geen proces-verbaal opgemaakt, maar de kantonrechter heeft wel uitdrukkelijk in het vonnis opgenomen (onder 1.2) dat MDG haar eis “bij akte” heeft vermeerderd. Het hof gaat er daarom van uit dat dat zo is gebeurd. Grieven I en IV zijn ongegrond.

4.4

De derde grief ziet op de feitenvaststelling door de kantonrechter aangaande de huurovereenkomst Lokaal Maatwerk. Deze overeenkomst is aangegaan voor een bepaalde periode welke eindigde per 4 maart 2018, aldus [appellanten]. Omdat het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld, met in achtneming van hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, is er bij beoordeling van deze grief geen (verder) belang. Het hof begrijpt dat [appellanten] zich op het standpunt stellen dat er thans sprake is van een standaard huurovereenkomst en dat de bijzondere afspraken niet (meer) gelden. Ook als het hof daar (veronderstellenderwijs) vanuit gaat, geldt echter nog steeds dat [appellante] ofwel op grond van artikel 8 sub 8 van de algemene huurvoorwaarden ofwel op grond van art. 7:213 jo. 7:219 BW maatregelen moet nemen om overlast te voorkomen.

geluidsoverlast door blaffende honden?

5.1

De tweede, vijfde en zevende grief zien op het oordeel van de kantonrechter dat de honden met hun geblaf zodanige overlast veroorzaken dat zij uit het gehuurde weg moeten.

5.2

[appellanten] hebben met hun grieven, kort gezegd, het volgende aangevoerd. De overlast is geëindigd. [appellanten] hebben er van alles aan gedaan om de blafproblemen op te lossen: camera’s geïnstalleerd, anti-blafbanden aangeschaft, de honden van elkaar gescheiden en met een buurvrouw afgesproken dat zij naar de honden gaat kijken als het blaffen blijft aanhouden. Bovendien is de overlast van hun rottweilers nooit erger geweest dan die van andere honden in de flat (hetgeen er veel zijn in de nabije omgeving) en worden [appellanten] ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor de geluiden van andere blaffende honden. De honden van [appellanten] waren nooit de aanstichter van het hondengeblaf.

5.3

In dit kort geding staat vast dat er overlast is geweest door het geblaf van honden in de flat, waaronder door het geblaf van de rottweilers van [appellanten]. Het hof kan voorshands aannemen dat [appellanten] er van alles aan hebben gedaan om ten aanzien van de rottweilers de blafproblemen op te lossen. Echter naar het voorshands oordeel van het hof is dit vooralsnog niet gelukt en kan de overlast door hun honden kennelijk niet worden geëindigd zolang de rottweilers in het gehuurde verblijven. Dit oordeel baseert het hof op het volgende.

De tegen de overlast van de rottweilers geplaatste camera’s waren er al begin 2018. De anti-blafbanden zijn in februari 2018 aangeschaft. Mogelijk is [appellante] vanaf juli 2018 veel thuis, zijn de honden van elkaar gescheiden en gaat een buurvrouw ook wel kijken. Ondanks deze maatregelen kwamen er nog steeds klachten bij MDG. In het dossier bevinden zich meldingen van april t/m juli 2018 van ‘forse overlast’ van blaffende honden en meldingen van eind 2018 van overlast van de rottweilers. Op 20 november 2018 verklaarde de buurvrouw van nummer [nummer] (twee verdiepingen boven het gehuurde) als getuige, dat zij veel overlast heeft van de honden van [appellante]. Het is minder geweest, maar “de laatste tijd is het weer heftig ook al omdat er een puppy bij is gekomen” en “sinds een maand is het weer erg”, zo verklaart zij. De buurvrouw van recht boven (nummer [nummer]) verklaarde als getuige op 20 november 2018 dat zij overlast heeft van de blaffende honden. Zij kan zich bij thuiswerken niet concentreren en haar dochter die moet leren, ook niet. De buurvrouw van nummer [nummer] verklaarde als getuige op 20 november 2018, dat zij door het geblaf heel erg gestrest werd, dat het wat overlast betreft een tijdje minder is geweest, maar dat het “nu weer als vanouds” is. Deze verklaringen zijn afgelegd slechts drie maanden voorafgaand aan het vonnis waarna de honden zijn verwijderd, zodat het hof geen doorslaggevend gewicht kan geven aan de stelling van [appellanten] dat een buurvrouw het laatste half jaar niet meer klaagt. Overigens hadden [appellanten] ook in mei 2018 al aangevoerd dat ‘de overlast uit het verleden al voorbij was’ (zie de pleitaantekeningen van de zitting van 24 mei 2018 in het eerdere kortgeding), terwijl uit de meldingen en de getuigenverklaringen blijkt dat de overlast toen níet voorbij was. MDG heeft in de hele maand december 2018 meldingen ontvangen over geluidsoverlast door het geblaf van de honden van nummer [nummer]. Dat deze meldingen niet op officiële klachtenformulieren zijn aangegeven, maar (deels) als telefoonnotities zijn opgenomen, betekent niet dat de meldingen niet zijn gedaan. Een deel van deze meldingen betreffen zodanige overlast door blaffen, dat mensen niet meer kunnen slapen.

5.4

Het hof oordeelt voorshands dat de gemelde overlast voldoende is komen vast te staan en ook voldoende ernstig is om tot de door de kantonrechter opgelegde voorlopige voorziening over te gaan. De overlast dateert immers van een lange periode (er wordt reeds melding van gemaakt in de tijdelijke huurovereenkomst Lokaal Maatwerk en de getuigen verklaren over langere tijd). De overlast treft mensen direct in hun woonomgeving en heeft tot gevolg dat enkele omwonenden in hun eigen woning nachtrust te kort komen of zeer gestrest raken. Voor hen was de situatie onhoudbaar geworden. MDG kon die situatie niet laten voortbestaan nu zij immers moet instaan voor een rustig woongenot van haar huurders. Dat er ook (meerdere) bewoners zijn die geen overlast ervaren, doet onvoldoende af aan de aard en de ernst van de overlast voor enkelen.

5.5

[appellanten] hebben aangevoerd dat de overlast door blaffende honden niet alleen door hun rottweilers wordt veroorzaakt, maar ook door de (vele) andere honden in de omgeving.

Het hof sluit voorshands niet uit dat ook andere honden overlast veroorzaken. Dat neemt echter niet weg dat een aantal mensen dat overlast ervaart, deze specifiek van de rottweilers ervaart. De buurvrouw van nummer [nummer] noemt de honden van [appellante]. De buurvrouwen van nummers [nummer] en [nummer] verklaren uitdrukkelijk dat zij de honden van [appellante] herkennen als de honden waar zij last van hebben. Bovendien is bij het door [appellanten] binnen opgenomen filmpje waarvan zij de link hebben gegeven, te horen dat hun rottweiler (anders dan de andere blaffende hond van dat filmpje) luid en zwaar blaft en gromt wanneer zij aanslaat. Omdat de honden dit in een zeer gehorige flat doen, ligt het in de rede daarvan overlast aan te nemen, ook wanneer een andere hond eveneens aan het blaffen is. Omdat de rottweilers vanuit een tussenflat blaffen, worden er mogelijk meer buren door geraakt.
Het hof acht de voorlopige voorziening jegens (de honden van) [appellanten] daarom gerechtvaardigd, ook wanneer zij vooralsnog de enigen in de flat zijn waartegen zo’n voorziening wordt getroffen.

5.6

[appellanten] hebben verder aangevoerd dat MDG hen niet, of niet meer, op de hoogte stelt van de klachten die MDG ontvangt. Wat daar verder van zij, dit verweer baat hen niet, reeds omdat niets er op wijst dat het kan helpen om hen steeds van iedere klacht op de hoogte te stellen. Zij hebben er immers al van alles aan gedaan om het blaffen van hun rottweilers te stoppen, maar hun inspanningen baten niet voldoende.

5.7

Gelet op al het voorgaande treffen de grieven II, V en VII geen doel. Het hof zal de door de kantonrechter getroffen voorlopige voorziening in stand laten.

proceskosten

6.1

De achtste en negende grief zijn gericht tegen de proceskostenveroordeling van [appellante] door de kantonrechter. Deze grief treft het lot van de eerdere grieven. De kantonrechter heeft [appellante] terecht als grotendeels in het ongelijk gestelde partij aangemerkt.

6.2

De zesde grief richt zich tegen het afwijzen van de proceskostenvordering van [appellant]. Omdat [appellant] ten onrechte in de procedure is betrokken achten [appellanten] een veroordeling van MDG in zijn proceskosten correct. Deze grief in zoverre gegrond, dat nu de kantonrechter de vordering van MDG tegen [appellant] heeft afgewezen, het in de rede lag om MDG te veroordelen in de proceskosten van [appellant] in plaats van deze kosten te compenseren.

Dit baat [appellanten] echter niet. Daargelaten de vraag of [appellant] in het hoger beroep op grond van artikel 1:438 BW niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat hij onder financieel bewind staat (het hof laat de juistheid van dit verweer van MDG wegens gebrek aan belang in het midden), geldt dat de kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] geen eigen kosten heeft gemaakt: [appellant] heeft zelf geen juridische bijstand betaald (hij heeft de procesvoering in eigen hand gehouden) en hij heeft ook geen zittingskosten gemaakt vanwege het feit dat MDG mede tegen hem procedeerde (hij was sowieso naar de zitting gekomen, voor zichzelf of voor [appellante], zo oordeelde de kantonrechter). Tegen deze overwegingen is niet gegriefd; [appellante] of [appellant] hebben in eerste aanleg en in hoger beroep op geen enkele wijze aangegeven (of begroot) welke proceskosten [appellant] heeft gemaakt (en waarvoor). Het hof gaat er daarom vanuit dat de proceskosten in eerste aanleg voor [appellant] moeten worden begroot op nihil. Wegens gebrek aan belang bij de grief en bij het niet-ontvankelijkheidsverweer ter zake van het bewind, leidt een en ander niet tot vernietiging van het vonnis.

slot

7.1

Voor een (nadere) bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.

7.2

Omdat [appellanten] in het hoger beroep in het ongelijk worden gesteld, moeten zij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep.

Beslissing in kort geding

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden kortgeding vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2019;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van MDG tot op heden begroot op € 741,- aan griffierechten en € 2.148,- aan salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, M.P.J. Ruijpers en A.A. Muilwijk-Schaaij en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.