Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1365

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
22-003225-18
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:309
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol op zeer onvoorzichtige wijze een auto bestuurd en een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij twee inzittenden van zijn auto zijn overleden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts wordt hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003225-18

Parketnummer: 09-817286-18

Datum uitspraak: 22 mei 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Tsjechoslowakije)

op [geboortejaar] 1989,

thans zonder bekende vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,

[BRP-adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

8 mei 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren. Voorts is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2018 te Wassenaar, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg

(Duinrell), althans, op het voor openbaar verkeer afgesloten terrein van vakantiepark Duinrell, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettende, als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol (1,77 milligram alcohol per milliliter bloed) en/of (vervolgens)

- heeft hij niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of (vervolgens)

- heeft hij gereden met een voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- is hij (daarbij) de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren en/of

(vervolgens)

- is hij van de weg geraakt en/of van een naast de weg gelegen talud afgereden,

ten gevolge waarvan het motorrijtuig te water is geraakt,

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) werden gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;


2.


hij op of omstreeks 11 februari 2018 te Wassenaar, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,77 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen, kort en zakelijk weergegeven aangevoerd, dat de door getuige [getuige] afgelegde verklaringen uitgesloten dienen te worden van het bewijs, aangezien deze getuige niet consistent heeft verklaard en zijn verklaringen derhalve onbetrouwbaar zijn. Nu uit ander objectief bewijs niet volgt dat de verdachte de bestuurder van de auto zou zijn geweest, dient de verdachte - aldus de raadsman - wegens onvoldoende bewijs te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Getuige [getuige] heeft enkele uren na het ongeval op 11 februari 2018 een korte verklaring tegenover de politie afgelegd. Nadien heeft hij in Slowakije een uitgebreide verklaring afgelegd. Beide keren heeft hij verklaard dat de verdachte degene is geweest die de te water geraakte auto heeft bestuurd.

Het hof constateert, met de rechtbank, dat deze verklaringen op onderdelen afwijken. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen acht het hof van belang dat deze beide niet alleen op hoofdlijnen, maar ook op meer specifieke essentiële punten consistent en gedetailleerd zijn. Zo volgt uit beide verklaringen dat de getuige en de andere inzittenden de auto zijn ingestapt met het voornemen die avond in Den Haag uit te gaan, dat de verdachte alcohol had gedronken en is opgetreden als bestuurder en dat de getuige uit de auto is gestapt omdat hij zich door het rijgedrag van de verdachte onveilig voelde. Beide keren heeft de getuige bovendien hetzelfde verklaard over wie zich waar in de auto bevond.

De beide verklaringen vinden bevestiging in ander, objectief, bewijsmateriaal. Hetgeen [getuige] heeft verklaard over de rijroute en de incidenten op die route, vindt bevestiging in het door de politie vastgestelde sporenbeeld. De verklaring van [getuige], voor zover inhoudende dat de verdachte gedronken had, vindt steun in de uitslag van het onderzoek naar het bloed van de verdachte. Bovendien passen de verklaringen van [getuige] bij hetgeen de getuige [getuige] en de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben waargenomen. Dat [getuige] ten tijde van het feit zelf ook had gedronken, doet aan deze vaststellingen niet af.

Op grond van het voorgaande acht het hof de verklaringen van de [getuige] betrouwbaar. Deze zijn naar het oordeel van het hof derhalve bruikbaar voor het bewijs.

Het hof verwerpt het verweer.

De stelling van de raadsman dat, bij gebruik van de verklaringen van [getuige] voor het bewijs, sprake is van een unus testis nullus testis-situatie, vindt eveneens zijn weerlegging in het bovenstaande, zodat het hof ook aan dit verweer voorbij gaat.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de tegenover de politie afgelegde verklaringen van de verdachte waarin hij niet uitsluit de auto zelf te hebben bestuurd en waarin hij zegt dat de slachtoffers waarschijnlijk door zijn toedoen zijn overleden. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij zijn auto niet vaak en alleen aan familie en vrienden uitleent en nooit heeft uitgeleend aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het is bovendien niet aannemelijk dat de verdachte [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] heeft laten rijden, nu deze volgens [getuige] geen rijbewijs hadden. Ook is niet aannemelijk dat de verdachte [getuige] de auto heeft laten besturen, nu deze (ook) veel alcohol had genuttigd en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij [getuige] zeker niet zou laten rijden als hij alcohol had gedronken.

Nu het dossier daarenboven geen aanknopingspunten biedt voor het scenario dat een ander dan de verdachte de auto van de verdachte heeft bestuurd, komt het hof, gelet op het vorenstaande – in samenhang met de overige bewijsmiddelen bezien – tot de slotsom dat de verdachte onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol ten tijde van het ongeval als bestuurder van de auto is opgetreden.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2018 te Wassenaar, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg

(Duinrell), althans, op het voor openbaar verkeer afgesloten terrein van vakantiepark Duinrell, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettende, als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol (1,77 milligram alcohol per milliliter bloed) en/of (vervolgens)

- hij heeft niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of (vervolgens)

- heeft hij gereden met een voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- hij is (daarbij) de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren en/of (vervolgens)

- hij is van de weg geraakt en/of van een naast de weg gelegen talud afgereden,

ten gevolge waarvan het motorrijtuig te water is geraakt,

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) werden gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.


hij op of omstreeks 11 februari 2018 te Wassenaar, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,77 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (1,77 milligram per milliliter).

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol op zeer onvoorzichtige wijze een auto bestuurd en een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij twee inzittenden van zijn auto zijn overleden. De verdachte heeft zodoende zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op grove wijze miskend. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat zijn handelen ertoe heeft geleid dat twee jonge mannen zijn overleden en dat groot en onherstelbaar leed aan de nabestaanden is toegebracht, zoals ook uit de toelichting bij hun vorderingen tot schadevergoeding blijkt.

Evenals de rechtbank rekent het hof de verdachte zwaar aan dat hij ondanks de waarschuwingen van een van de inzittenden van de auto, die bovendien vanwege het onveilige verkeersgedrag van de verdachte is uitgestapt, is doorgereden, terwijl hij als bestuurder verantwoordelijk was voor de veiligheid van de inzittenden. De verdachte heeft aldus het risico genomen dat er meerdere verkeersslachtoffers zouden vallen. Dit risico heeft zich door het gedrag van de verdachte verwezenlijkt.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 april 2019, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

In een geval waarin sprake is van een grove verkeersfout (waaronder ook begrepen rijden onder invloed), waarin dit rijgedrag tot een dodelijk slachtoffer heeft geleid, is — gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd — uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en 4 jaren ontzegging van de rijbevoegdheid. Daarin is de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 met overtreding van artikel 8

verdisconteerd.

Dat het gedrag van de verdachte twee dodelijke slachtoffers als gevolg heeft gehad, ziet het hof, met de rechtbank, als een strafverzwarende omstandigheid.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf als door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd alleszins gerechtvaardigd is. Daarnaast acht het hof - in het belang van de verkeersveiligheid - een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden aanzienlijke duur passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.508,91.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 4.508,91 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.536,55.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.536,55 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.508,91 (vierduizend vijfhonderdacht euro en eenennegentig cent) ter zake van materiële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.508,91 (vierduizend vijfhonderdacht euro en eenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.536,55 (drieduizend vijfhonderdzesendertig euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.536,55 (drieduizend vijfhonderdzesendertig euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. L.A. Pit, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 mei 2019.

Mr. H.P.Ch. van Dijk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.