Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:131

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
2200315518
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:2010
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een meisje dat ruim vier jaar jonger was dan hij.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-003155-18

Parketnummer: 09-852077-16

Datum uitspraak: 29 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 15 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Naaldwijk, gemeente Westland,, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte:

- het trekken aan de onderbroek van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het duwen van het hoofd en/of de handen van die [slachtoffer] in de richting van

het geslachtsdeel van verdachte en/of (vervolgens)

- het op/tegen zijn lichaam drukken/trekken van die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] een ontbloot (onder)lichaam had en/of (vervolgens/daarbij)

- het plaatsen van zijn handen op de billen van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het met zijn penis binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Naaldwijk, gemeente Westland, met [slachtoffer] , geboren op [datum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit:

- het trekken aan de onderbroek van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het duwen van het hoofd en/of de handen van die [slachtoffer] in de richting van het geslachtsdeel van verdachte en/of (vervolgens)

- het op/tegen zijn lichaam drukken/trekken van die [slachtoffer], waarbij die [slachtoffer] een ontbloot (onder)lichaam had en/of (vervolgens/daarbij)

- het plaatsen van zijn handen op de billen van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het met zijn penis binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 30 juli 2013 te ’s-Gravenhage en/of te Naaldwijk, gemeente Westland, althans op Nederlands grondgebied met [slachtoffer], geboren op [datum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers heeft verdachte:

- via skype en/of internet contact gezocht en/of gemaakt met die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] via skype en/of de webcam ertoe bewogen om haar borsten te ontbloten en/of (vervolgens) te betasten (welke handelingen voor verdachte via de webcam zichtbaar waren);

en/of

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 december 2013 tot en met 12 februari 2014 te ’s-Gravenhage en/of te Naaldwijk, gemeente Westland, althans op Nederlands grondgebied met [slachtoffer], geboren op [datum], die toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte:

- via skype en/of internet contact gezocht en/of gemaakt met die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] één of meerdere ma(a)l(en) via skype en/of de webcam ertoe bewogen om met haar vinger(s) en/of een haarborstel, althans een hard voorwerp haar vagina te betasten en/of te penetreren (welke handelingen voor verdachte via de webcam zichtbaar waren).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. Zij heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.750,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 29 april 2013 te Naaldwijk, gemeente Westland,, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte te weten:

- het trekken aan de onderbroek van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het duwen van het hoofd en/of de handen van die [slachtoffer] in de richting van

het geslachtsdeel van verdachte en/of (vervolgens)

- het op/tegen zijn lichaam drukken/trekken van die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] een ontbloot (onder)lichaam had en/of (vervolgens/daarbij)

- het plaatsen van zijn handen op de billen van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het met zijn penis binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 30 juli 2013 te ’s-Gravenhage en/of te Naaldwijk, gemeente Westland, althans op Nederlands grondgebied met [slachtoffer], geboren op [datum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers heeft verdachte:

- via Skype en/of internet contact gezocht en/of gemaakt met die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] via Skype en/of de webcam ertoe bewogen om haar borsten te ontbloten en/of (vervolgens) te betasten (welke handelingen voor verdachte via de webcam zichtbaar waren);

en/of

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 december 2013 tot en met 12 februari 2014 te ’s-Gravenhage en/of te Naaldwijk, gemeente Westland, althans op Nederlands grondgebied met [slachtoffer], geboren op [datum], die toen de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte:

- via Skype en/of internet contact gezocht en/of gemaakt met die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] één of meerdere ma(a)l(en) via Skype en/of de webcam ertoe bewogen om met haar vinger(s) en/of een haarborstel, althans een hard voorwerp haar vagina te betasten en/of te penetreren (welke handelingen voor verdachte via de webcam zichtbaar waren).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Overwegingen

overweging naar aanleiding van het pleidooi van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitaantekeningen vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit.

Zij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat de bewezenverklaarde handelingen door aangeefster vrijwillig zijn ondergaan of verricht, dat sprake is geweest van een gering leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster, en dat ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen sprake was een affectieve relatie tussen verdachte en aangeefster. In de visie van de verdediging is in de relatie tussen verdachte en aangeefster geen sociaal ethische norm overschreden, zodat in de onderhavige zaak geen sprake is van ontuchtige handelingen.

Het hof overweegt, daarbij de rechtbank deels volgend, als volgt.

In zijn arrest van 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4794, heeft de Hoge Raad overwogen (r.o. 2.6):

“Blijkens de wetsgeschiedenis strekt art. 245 Sr tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Art. 245 Sr beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.

Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt, heeft de wetgever bij de totstandkoming van art. 245 Sr in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, in belangrijke mate aankomt op de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.”

Aldus heeft als uitgangspunt te gelden dat het verrichten van seksuele handelingen met iemand tussen de twaalf en zestien jaren een ‘ontuchtig’ karakter heeft. Slechts onder bepaalde omstandigheden kan daarover bij wijze van uitzondering anders worden geoordeeld, bijvoorbeeld indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen.

Het hof stelt om te beginnen vast dat niet sprake is geweest van een gering leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster.

Tussen aangeefster, geboren op [datum], en de verdachte, geboren op [dag] 1993, bestond ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een leeftijdsverschil van ruim 4 jaar. Aangeefster was, naar de verdachte wist, ten tijde van het onder 1 bewezen verklaarde 14 jaar oud. Zij had toen derhalve een leeftijd waarop in zijn algemeenheid de persoonlijke seksualiteit zich nog grotendeels moet gaan ontwikkelen, terwijl dit proces bij personen met de leeftijd van verdachte doorgaans in veel sterkere mate is voltooid. Dit gegeven levert naar het oordeel van het hof reeds een zwaarwegende indicatie voor de ongelijkwaardigheid van de verhouding tussen de verdachte en aangeefster en daarmee ook voor het aannemen van het ontuchtige karakter van de handelingen die de verdachte zelf heeft gepleegd en - voor zover het het onder 2, tweede cumulatief bewezen verklaarde betreft – waartoe hij aangeefster heeft bewogen via Skype. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte wist dat het slachtoffer een kwetsbaar meisje was dat kampte met problemen in de gezinssituatie en dat zij een eetstoornis had.

Gezien voorgaande feiten en omstandigheden, en in aanmerking genomen dat blijkens de bewijsmiddelen het de verdachte is geweest die het initiatief nam tot, en aanstuurde op, de bewezenverklaarde seksuele handelingen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat tussen de verdachte en aangeefster ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen een gelijkwaardige, affectieve relatie bestond waarbinnen de bewezenverklaarde seksuele handelingen algemeen uit sociaal-ethisch oogpunt kunnen worden aanvaard en waardoor het ontuchtige karakter aan verdachtes handelen en het handelen waartoe hij aangeefster heeft bewogen zou moeten worden ontzegd.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

ambtshalve overweging met betrekking tot het onder 2, tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde

Met betrekking tot het onder 2, tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde overweegt het hof als volgt.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950 kan van ontucht met een minderjarige als bedoeld in de artikelen 247 en 249, eerste lid, Sr ook sprake zijn ingeval geen lichamelijke aanraking tussen de verdachte en de desbetreffende minderjarige heeft plaatsgevonden. Er moet dan wel sprake zijn van enige voor het plegen van ontucht met die minderjarige relevante interactie tussen de verdachte en de minderjarige.

De enkele omstandigheid dat ontuchtige gedragingen door een minderjarige zijn verricht in het bijzijn van de verdachte brengt evenwel niet mee dat die gedragingen kunnen worden aangemerkt als het door de verdachte plegen van ontucht met die minderjarige, zoals bedoeld in de hiervoor genoemde bepalingen.

Als die handelingen echter plaatsvinden, terwijl de verdachte niet alleen de ontuchtige gedragingen waarneemt, maar er ook sprake is van actieve en relevante interactie (via bijvoorbeeld social media) tussen de verdachte en de minderjarige, en in het bijzonder indien de verdachte daarbij ook actief instructies aan de minderjarige geeft en/of door uitlatingen of al dan niet seksuele gedragingen van hemzelf de ontuchtige gedragingen bevordert of aanmoedigt, dan is wel sprake van “plegen van ontucht” met die minderjarige.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en het slachtoffer op 30 juli 2013 via Skype via beeld en geluid met elkaar contact hebben gehad, waarbij zich een seksueel getint gesprek ontspon. De verdachte geeft daarin onder meer aan:

- “ zorg dat ik zin krijg”

- “ doe maar, ik kijk”

- “ ga er mee spelen”

- “ ga nou je lichaam ontdekken; je bent allang 15”

- “ doe het, je bent volwassen”

- “ joggingbroek uit jij”

- “ zeg geen nee tegen mij”

- “ je moet gewoon beginnen met friemelen, en dan gaat langzaam je vinger erin glijden”

- “ je mag gelijk gaan vingeren of naja met een borstel dit keer”

- “ nou doe dan”.

Uit de reacties van het slachtoffer op de uitlatingen van de verdachte leidt het hof af dat zij zich in overwegende mate liet sturen door de wensen van de verdachte, en hoewel zij ook aangaf dingen niet te willen en/of vies en/of onplezierig te vinden aan de door verdachte gewenste seksuele handelingen uitvoering gaf.

Naar het oordeel van het hof is aldus sprake van een actieve en relevante interactie tussen de verdachte en het slachtoffer in de hiervoor bedoelde zin, zodat het hof ook het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit bewezen verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

en

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een meisje dat ruim vier jaar jonger was dan hij, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Met name het onder 1 bewezen verklaarde feit rekent het hof de verdachte zeer aan. Terwijl hij wist dat het kwetsbare slachtoffer nog maar 14 jaar oud was heeft hij – toen 19 jaar oud - geslachtsgemeenschap met haar gehad. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer bewogen om voor de webcam seksuele handelingen voor hem te verrichten.

Dit zijn ernstige feiten, waarbij de verdachte geen oog heeft gehad voor de belangen van het jonge, kwetsbare slachtoffer bij een ongestoorde mentale en fysieke (seksuele) ontwikkeling. Feiten als de onderhavige vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, en leiden niet zelden ook jaren na dato tot ernstige fysieke en mentale problemen bij jonge slachtoffers, zoals in deze zaak ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring naar voren is gekomen.

Voor ernstige zedenmisdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en die een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge hebben gehad, in dit geval in het bijzonder het onder 1 bewezen verklaarde, kan gelet op het bepaalde in art. 22b Sr geen taakstraf worden opgelegd, tenzij daarnaast een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Het hof is evenwel - alles afwegende - van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een dermate bijzonder samenstel van factoren dat (slechts) een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur als een passende en geboden reactie kan worden beschouwd.

Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat na het ‘informatief gesprek zeden’ met de moeder van aangeefster op 18 mei 2013 en na het eerste verhoor van aangeefster op 24 februari 2015 buiten toedoen van de verdachte ruim vijf jaren zijn verstreken voordat de verdachte vanwege het Openbaar Ministerie op 15 juni 2018 is gedagvaard om op 13 juli 2018 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen in deze zaak. Dit buitengewoon lange tijdsverloop acht het hof gelet op de leeftijden van aangeefster en de verdachte destijds (14 jaar respectievelijk 19 jaar oud) uiterst ongewenst.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiele Documentatie d.d. 28 december 2018, geen andere veroordelingen voor het plegen van strafbare feiten op zijn naam heeft staan. De verdachte is derhalve een ‘first offender’.

Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies d.d. 10 mei 2017, opgemaakt en ondertekend door [A] en [B]. Uit dit advies blijkt dat er geen zorgen bestaan over de ontwikkeling van de verdachte. Het bewezenverklaarde handelen lijkt situationeel bepaald en de recidivekans wordt als laag tot matig ingeschat.

Voorts worden in het advies beschermende factoren als werk, een inkomen en een netwerk benoemd.

Ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat het leven van de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij heeft een baan en hij lijkt ook overigens zijn leven op de rails te hebben.

Dat neemt evenwel niet weg dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate tot uitdrukking komen in de duur van de door de rechtbank opgelegde taakstraf. Het hiervoor vermelde tijdsloop maakt dat niet anders.

Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een passende en geboden reactie.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer], vertegenwoordig door haar advocaat mr. C.A.M. Dilven, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.750,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden verwezen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 april 2013.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. A. Kuijer en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2019.