Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1277

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
200.180.470/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering na tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.180.470/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/485298 HA ZA 15/361

arrest van 21 mei 2019

inzake

[…] B.V. h.o.d.n. [handelsnaam] Advocaten-belastingkundigen,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.H.W.N. Lammers te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] ([…]),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.C. Mourits te Reeuwijk.

Het verdere verloop van het geding

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst het hof naar het tussenarrest van 10 juli 2018. Bij dat arrest is [appellante] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Op 30 augustus 2018 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden en op 11 december 2018 het tegengetuigenverhoor. Vervolgens hebben partijen een memorie na enquête genomen. Ten slotte is arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. In voornoemd tussenarrest is [appellante] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling van [geïntimeerde] dat zij de gemaakte afspraken zo mocht opvatten dat zij alleen honorarium verschuldigd zou zijn bij het succesvol incasseren van de Quivest-vordering. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [appellante] op 30 augustus 2018 de getuige [X] doen horen. Hij heeft onder meer verklaard:

“Op uw vraag of er met [geïntimeerde] gesproken is, wat er zou gebeuren met de

betaling van mijn honorarium indien de vordering op Quivest niet zou worden geïncasseerd,

antwoord ik dat dit niet besproken is. Ik meende dat er in de afspraken besloten lag dat er

betaling zou moeten volgen en meende ook dat duidelijk was dat er niet voor niets zou

worden gewerkt. Mijn indruk destijds was dat dit voor iedereen duidelijk was. De situatie dat

er niet zou worden geïnd bij Quivest is niet vastgelegd. De context leende zich daar ook niet

voor, omdat iedereen ervan uitging dat er geld uit die vordering zou komen. Dat werd ook

bevestigd door een later bod. In mijn e-mail van 9 december 2014 heb ik gesproken over het

mitigeren van het honorarium. Daarvan heb ik geen vastlegging kunnen vinden. Een no cure,

no /pay-afspraak mag ik niet maken en anders had ik dat expliciet vermeld. Ik had er geen

twijfel over dat we er uit zouden zijn gekomen als er niet geïnd zou worden bij Quivest gelet

op het wederzijds vertrouwen en de loyaliteit. Voor zover ik mij kan herinneren zijn er

facturen voor verschotten gestuurd. Of er ook urenoverzichten aan [geïntimeerde] zijn verstuurd,

kan ik mij niet herinneren. (…)

Op de vraag wat de afspraken met [geïntimeerde] inhielden, antwoord ik dat ik heb bedoeld dat de afspraak was dat de declaratie ook zou worden verstuurd als er niet betaald zou worden door Quivest. Ik heb daar geen vastlegging van, maar ik sluit niet uit dat dit wel ter sprake is gekomen.”

2. In het tegengetuigenverhoor heeft [geïntimeerde] de getuige [Y] doen horen. Hij heeft onder meer verklaard:

“ U vraagt mij wat er is afgesproken voor het geval er niet succesvol zou worden geïnd. Ik antwoord daarop dat er dan niks zou worden betaald. Wij gingen er namelijk allemaal van uit dat de Quivest vordering succesvol zou kunnen worden geïnd. Dat er niks betaald zou worden bij niet succesvol innen, is expliciet tussen mij en [X] besproken. (…) Er zijn duidelijke afspraken gemaakt dat er niks betaald zou worden als er niet geïncasseerd zou worden. U houdt mij voor dat dat dan zou betekenen dat [X] voor niets heeft gewerkt. Ik antwoord daarop dat dat zijn risico was en zijn inbreng in de zaak. Op uw vraag of ik wist dat een dergelijke afspraak niet gemaakt mag worden door een advocaat antwoord ik dat ik geen advocaat ben en dat [X] dat zelf zou moeten weten. U houdt mij voor de mail van 9 december 2014, waarin [X] aangeeft dat als het incasseren mis zou lopen de nota gematigd zou moeten worden tot een redelijk bedrag. Ik zeg u dat dit nooit zo afgesproken is,

er is alleen afgesproken dat kosten van derden zouden worden betaald. Iedereen ging er

100% van uit dat de Quivest vordering kon worden geïnd. Er zijn geen tussentijdse

urenoverzichten of facturen ontvangen. (…)

3. Het hof is van oordeel dat [appellante] niet is geslaagd in de bewijsopdracht. [X] heeft immers bevestigd dat er niet is gesproken over de situatie dat er niet succesvol zou worden geïnd bij Quivest. Ook heeft hij verklaard dat hij geen vastlegging heeft van de afspraken over het mitigeren van het honorarium. [Y] heeft verklaard dat nooit is afgesproken dat de nota gematigd zou worden. Volgens hem is voorts expliciet afgesproken dat bij niet incasseren van de Quivest-vordering er niets betaald zou worden. Nu [appellante] geen duidelijkheid aan [geïntimeerde] heeft verschaft over de situatie met betrekking tot het niet incasseren van de Quivest-vordering (dit is immers nooit besproken in de door [appellante] gestelde zin en ook niet vastgelegd) en ook evenmin kan worden vastgesteld dat door [appellante] tussentijdse urenoverzichten of facturen zijn verstuurd, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] de gemaakte afspraken zo mocht opvatten dat zij alleen honorarium verschuldigd zou zijn bij het succesvol incasseren van de Quivest-vordering.

4. De conclusie is dat de vordering ook niet gedeeltelijk toewijsbaar is zodat deze moet worden afgewezen. De grieven falen zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellante] in de kosten van het hoger beroep zal worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 september 2015;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 311 aan verschotten en € 4.897,50 aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, J.W. Frieling en T.M. Snoep en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.