Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1255

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
BK-18/00664 t/m BK-18/00666
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13490, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de beroepen betreffende de jaren 2008 en 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts is tussen partijen in geschil of de navorderingsaanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend. De correcties betreffende de accountantskosten en de giften zijn tussen partijen niet in geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-05-2019
FutD 2019-1468
V-N Vandaag 2019/1276
V-N 2019/32.28.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-18/00664 t/m BK-18/00666

Uitspraak van 20 februari 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] , [C] en [D] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2018, nummers SGR 17/7481 t/m SGR 17/7483.

Procesverloop

BK-18/00664

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2008 een navorderingaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 250.088. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 2.284 aan heffingsrente in rekening gebracht.

BK-18/00665

1.1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2009 een navorderingaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 213.988. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is aan belanghebbende een bedrag van € 3.561 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 5.640.

BK-18/00666

1.1.3.

Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 207.219. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is aan belanghebbende een bedrag van € 5.663 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 3.198.

Alle zaken

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 2008 en 2009 en de daarbij gegeven beschikkingen afgewezen. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2010 en de daarbij gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur slechts toegewezen met betrekking tot de vergrijpboete voor dat jaar; deze is verminderd tot op € 3.057.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen voormelde uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 333. De Rechtbank heeft de beroepen betreffende de jaren 2008 en 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep betreffende het jaar 2010 ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraken van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier eenmaal een griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 januari 2019. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht in 1990 en heeft haar statutaire zetel in [Z] . Alle aandelen in belanghebbende zijn in het bezit van de heer [Y] ( [Y] ). [Y] is sinds de oprichting van belanghebbende tevens enig bestuurder. [Y] is voorts enig aandeelhouder van [E] B.V.

2.2.

[Y] is gehuwd met M.Y. [F] ( [F] ). In [… 1] respectievelijk [… 1] zijn uit dit huwelijk twee kinderen geboren: [G] en [H] . In de onderhavige jaren woonde [Y] met zijn gezin in Nederland.

2.3.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [I] B.V. ( [I] ). [I] hield zich in de onderhavige jaren bezig met de verkoop van en meer in het algemeen de handel in homeopathische, fysiotherapeutische geneesmiddelen, voedingssupplementen en cosmetica.

2.4.

Belanghebbende was sinds 3 december 2008 100% aandeelhouder van [J] B.V. Op 23 februari 2009 heeft belanghebbende alle aandelen in [J] B.V. verkocht aan [F] . [J] B.V. exploiteerde in de onderhavige jaren een winkel met exclusieve damesmode aan de [K] te [L] . Op 8 november 2011 is [J] B.V. failliet verklaard.

2.5.

Op 5 september 2012 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2008 tot en met 2010. Van het boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt, waarin onder meer het volgende vermeld staat:

"(…)

4.1.1

Huisvestingskosten

Dit betreft één uitgave in het boekjaar 2009, namelijk op basis van een factuur d.d. 25 mei 2009 van [M] Makelaardij inzake een taxatie van een woon- / winkelpand aan de [K] te [L] ad € 656,25. Genoemd bedrag is verwerkt op grootboekrekening 4190 overige huisvestingskst. Boekstuk 20900013 maakt verder melding van een BTW-bedrag van € 124,69. Op het adres [N] te [L] was [J] BV gevestigd, een detailhandel in exclusieve damesmode.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft een uitgave ten behoeve van [J] B.V. die bij de lening(en) gevoegd had kunnen, wellicht moeten worden. Vanwege het faillissement van [J] B.V. is hiervan afgezien, en zijn de kosten direct genomen in plaats van bij de afwaardering van de leningen'.

[J] BV werd op 8 november 2011 failliet verklaard. Voor [X] is er in verband met deze uitgave geen sprake van zakelijk gebruik waardoor er geen recht op verrekening van voorbelasting bestaat. Van huisvestingskosten voor [X] is al helemaal geen sprake. Van een viertal leningen tussen [X] en [J] BV zijn schriftelijke overeenkomsten overgelegd; respectievelijk gedateerd op 29 april, 30 juni, 2 en 23 augustus 2010; tweemaal € 10.000 en tweemaal € 15.000). De redenering van de adviseur treft geen doel; de uitgave vond plaats nog voor er van leningen met [J] BV sprake was.

In onderdeel 5.1.2 van dit rapport ga ik verder in op de leningen aan [J] BV.

Kosten 2009 € 656

(…)

4.1.2 Relatiegeschenken

Het saldo van grootboekrekening '4382 relatiegesch. < 50, = 75%' bedraagt voor het boekjaar 2010 € 8.957,87 en is opgebouwd uit een vijftal mutaties. Drie hiervan betreffen de reeds genoemde detailhandel in exclusieve damesmode [J] BV tot een bedrag van € 6.634,87. (…) De onderliggende facturen maken melding van geleverde relatiegeschenken, relatiegeschenken en alleen de factuur d.d. 29 september 2010 (boekstuk 21000019) heeft een specificatie waaruit blijkt dat de levering louter kleding betreft. Bij een eerder boekenonderzoek werden afspraken gemaakt over de registratie van 'namen en aanleiding' in verband met dergelijke uitgaven. Gebleken is dat deze afspraak niet werd nagekomen.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'De post 1.14 betreft

relatiegeschenken aangeschaft bij [J] B.V.'

De over deze uitgaven gestelde vragen, onder andere met betrekking tot de zakelijkheid voor [X] , zijn slechts oppervlakkig beantwoord. Niet aangetoond of aannemelijk gemaakt is dat de uitgaven als bedrijfskosten voor [X] kwalificeren. (…) [X] genereert uitsluitend

managementfee op basis van schriftelijke contracten. Het aantal zakelijke relaties waarvoor een zakelijk belang tot fêteren aanwezig is, is gering. Bovendien ontbeert de sfeer waarin met deze relaties wordt omgegaan een belang tot fêteren. De managementovereenkomst voorziet in een mogelijkheid om gemaakte kosten te declareren bij de betreffende werkmaatschappij.

Kosten 2010 € 6.634

(…)

Verder bevat deze rubriek de gegevens van twee uitgaven bij Restaurant [V] te Maarssen.

  • -

    De eerste uitgave ad € 671 berust op een kassabon d.d. 23 april 2010 en een bankafschrift d.d. 7 juni 2010. De betaling vond plaats 'op factuur' en het bankafschrift vermeldt als omschrijving relatiegeschenken. Dit betreft een uitgave die omschreven wordt als 1 wijn doorverkoop.

  • -

    De tweede uitgave ad € 1.652 berust op een gedeeltelijk leesbare kassabon d.d. 26 juli 2010 en een bankafschrift d.d. 6 september 2010. De betaling vond plaats 'op factuur' en het bankafschrift vermeldt als omschrijving relatiegeschenken. Tot een bedrag van € 1.071 betreft dit een uitgave die omschreven wordt als 1 wijn doorverkoop. De andere twee regels van de kassabon zijn niet te lezen.

De eerder afgesproken registratie van namen en aanleiding vond niet plaats. In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Deze uitgaven hebben betrekking op zakelijk relatiegeschenken (wijn e.d.). Het betreft de zakelijke relaties [O] (Griekenland) (...) en personeel /management van [P] SA'. Men heeft niet aannemelijk kunnen maken dat bedoelde uitgaven als bedrijfskosten voor [X] kwalificeren. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat [X] de uitgaven niet bij de betreffende werkmaatschappijen kon declareren.

Kosten 2010 € 2.323

(…)

4.1.4 Representatiekosten

2008

Grootboekrekening 4380 representatiekosten heeft één mutatie ad € 960,40. Boekstuk 20800016 is een factuur van [I] d.d. 21 oktober 2008 waarop genoemd bedrag in rekening gebracht wordt o.v.v. Restaurant de [Q]. Aan de factuur is een kopie gehecht van de restaurant- en pinbon. Het betreft een uitgave d.d. 30 september 2008. De restaurantbon draagt een niet-leesbare notitie. Overigens vond de afgesproken registratie van namen en aanleiding niet plaats.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft een zakendiner met de Noorse importeur en hun medewerkers'

Het zakelijk belang voor [X] is hiermee nog niet gebleken noch de onmogelijkheid om de kosten bij de betreffende werkmaatschappij te declareren.

Kosten € 960

(…)

2009

Het grootboektotaal is € 14.797,69 en bestaat voor € 7.000 uit een doorbelasting van [I] BV d.d. 20 juli 2009 inzake juni 2009.

Verder betreft dit uitgaven bij [R] te [S] inzake de verzorging van een receptie op 3 september 2009 en tenslotte de reservering van een tafel voor 10 personen tijdens het vierde gala van de Stichting [T] op zaterdag 10 oktober 2009 ad € 2.250.

2009 - [I] BV

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft zakelijke

doorbelasting van kosten door [I] aan [X] B.V. terzake algemene kosten, kosten ten aanzien van de boekhouding en ondersteuning'.

Kosten 2009 € 7.000

(…)

2009 - [R]

De betalingen aan [R] vonden plaats door middel van een voorschot en een eindafrekening. De kostenboeking betreft gedeeltelijk het totaal van een netto bedrag, het lage BTW-bedrag en een bedrag wegens kredietbeperking. In de [… 2] courant van De Weekkrant werd op 9 september 2009 een artikel geplaatst Luxe rust bij [J] : Damesmodezaak [J] geopend in de [N] . In het artikel wordt verder melding gemaakt van het feit dat [J] sinds 4 september is geopend aan de [N] .

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft een uitgave ten behoeve van [J] B. V, die bij de lening(en) gevoegd had moeten worden. Vanwege het faillissement van [J] B. V. is hiervan afgezien, en zijn de kosten direct genomen in plaats van bij de afwaardering van de leningen'.

De offerte dateert van 28 mei 2009 en is gericht aan

[J]

t.a.v. mevrouw M.Y. [Y] .

[U] te Ameide.

De factuur In kwestie is gericht aan

[X] BV

t.a.v. mevrouw [F] ,

[U] te [Z] .

Kennelijk heeft men bij Hutten opgegeven dat de factuur aan [X] BV gericht dient te worden.

[J] BV werd op 8 november 2011 failliet verklaard; tussen de factuur- en faillissementsdatum liggen twee jaren; het argument dat vanwege het faillissement afgezien werd van het toevoegen aan de leningen treft daarmee geen doel. Voor [X] is geen sprake van zakelijk gebruik waardoor geen recht op verrekening van voorbelasting bestaat. In verband met voorbelasting kwalificeert catering ter plaatse als een horeca-besteding waarvan de voorbelasting niet verrekenbaar is. Van representatiekosten ten behoeve van [X] is al helemaal geen sprake.

(…)

Kosten 2009 € 5.547

(…)

2009 - [T]

De factuur van 25 september 2009 noemt de reservering van een tafel voor 10 personen tijdens een gala. De afgesproken vastlegging van namen en aanleiding vond niet plaats.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft een zakelijke uitgave ter zake sponsoring van goede doelen'. Uit de media blijkt dat het goede doel de

sportvereniging zelf is: 'De opbrengst wil [T] vooral steken in de verdere ontwikkeling van de club'. Hoogtepunten van de avond waren een optreden van [… 2] en een veiling van ondermeer een kookworkshop bij De [Q] .

Onbekend is gebleven welke personen gefêteerd werden en daarmee ook het zakelijk belang voor [X] .

Kosten 2009 € 2.250

2010

In het boekjaar 2010 is er sprake van een tweetal mutaties met een totaal van € 2.252,50. In de eerste plaats betreft dit het al eerder genoemde restaurant [V] en in de tweede plaats het onder 2008 hiervóór genoemde restaurant De [Q] . De bedragen zijn respectievelijk € 1.902,50 (mutatiedatum 31 mei 2010) en € 350 (mutatiedatum 28 juni 2010. In het eerste geval berust de mutatie louter op een bankafschrift d.d. 7 juni 2010; de omschrijving op de grootboekkaart luidt: 'Diner T5'. In het tweede geval is er een factuur d.d. 28 juni 2010 geadministreerd. Deze factuur maakt melding van 2x diner d.d. 24 juni 2010 ad € 350. De afgesproken vastlegging van namen en aanleiding vond niet plaats.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Deze uitgaven hebben betrekking op zakelijk relatiegeschenken (wijn e.d.). Het betreft de zakelijke relaties [O] (Griekenland) (...) en personeel/management van [P] SA'.

Niet aannemelijk werd gemaakt dat de uitgaven als bedrijfsuitgaven van [X] kwalificeren noch dat het niet mogelijk was de uitgaven bij de betreffende werkmaatschappij te declareren. De geringe informatie die uit de administratie blijkt duidt op diners en niet op relatiegeschenken (wijn e.d.) zoals verklaard werd.

Kosten 2010 € 2.252

(…)

4.1.7 Kosten merkregistratie

Met dagtekening 29 oktober 2008 werd een vijftal facturen ontvangen van Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom te Den Haag. Op elke factuur wordt € 240 in rekening gebracht onder vermelding van Basisrecht individueel merk. In mijn brief van 11 september 2012 vroeg ik om een toelichting op '1.200 Benelux-Bureau v.d. intellectuele'.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft een uitgave inzake het vastleggen van de merknaam [W] '.

Het betreft echter rechten van de merknamen [A1] , [H] , [B1] , [Y] en [J] . Een zakelijk belang voor [X] is niet gesteld of gebleken.

Kosten 2008 € 1.200

(…)

4.1.8 Drukwerk

Op factuur d.d. 16 november 2009 wordt voor een bedrag van € 4.401 divers drukwerk geleverd door drukkerij [C1] te [D1] , althans volgens de geadministreerde factuur. De factuur werd administratief verwerkt ais een bedrijfslast van [X] . Uit een derdenonderzoek is gebleken dat terzake ook een andere factuur opgemaakt werd. De gegevens van deze facturen zijn de volgende.

uit administratie van een derde

geadministreerd

datum

3-11-2009

16-11-2009

afnemer

[J] exclusieve damesmode

[X] B.V.

t.a.v. mevr. [F]

[N]

[U]

[L]

[Z]

factuurnummer

822745

822904

omschrijving

C5 dienstenvelop ' [J] '

geleverd divers drukwerk

kaarten " [J]

folder " [J] "

Verwerken kaart en folder in envelop

Subtotaal

4.401,00

4.401,00

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

De orderzak draagt tevens de notitie: "intern credit 822903 ivm foutieve naam debet [Y] 822904" en "Nieuw factuurnummer 822745". Verder is een memo op de orderzak geplakt met de aantekeningen:

[X] BV

[U]

[Z]

en:

geleverd divers drukwerk. Proef- of voorbeeldexemplaren van het vervaardigde drukwerk in de betreffende orderzakken, betreffen alleen " [J] " exclusieve damesmode.

(…)

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in: 'Dit betreft uitgaven betreft ten behoeve van [X] B. V. en [E] B.V., geleverd drukwerk. Activering van een deel van deze uitgaven op balansdatum is niet overwogen."

(…)

Kosten 2009 € 4.401

4.1.9 Overige algemene kosten

Uit de administratie van belastingplichtige blijkt de volgende specificatie.

2008 2009 2010

4070 opleidingskosten 48.000 52.000 30.000

(…)

Ingaande het boekjaar 2008 worden uitgaven als opleidingskosten verantwoord. Als onderbouwing van deze uitgaven zijn twee facturen geadministreerd d.d. 17 september 2008 welke afkomstig zijn van Instituut [E1] aan de [F1] te [G1] . De facturen zijn gericht aan De heer [Y]. De helft van het genoemde bedrag betreft opleidingskosten voor de leerling [G] (geboren [in] 1994) en de andere helft [H] (geboren [in] 1995). Het genoten onderwijs is te kwalificeren als particulier, voortgezet onderwijs (VWO, HAVO en VMBO). Genoemd instituut presenteert zich niet anders dan met onderwijs basisschool, onderbouw en bovenbouw MAVO, HAVO en VWO.

In het boekjaar 2009 zijn de bedragen respectievelijk € 27.500 en € 24.500. De geadministreerde facturen zijn ook in dit geval gericht aan De heer [Y].

In het boekjaar 2010 berusten de uitgaven op een bankafschrift d.d. 5 oktober 2010 met daarop twee betalingen d.d. 29 september 2010 van elk € 15.000. Facturen werden niet aangetroffen terwijl de betalingskenmerken refereren aan een factuurnummer.

In zijn brief van 7 december 2012 gaat de adviseur op deze uitgave in; 'Dit betreffen opleidingskosten ten behoeve van het personeel in het kader van een traineeship in 2008, 2009 en 2010. De opleiding betreft een internationale school, ter voorbereiding op het invulling en uitvoering geven aan de internationale businessactiviteiten van de onderneming. Het betreft derhalve zakelijke uitgaven'.

In een brief d.d. 11 december 2012 stelde ik bovengenoemde vragen nogmaals terwijl ik navolgende vragen toevoegde:

- op welke wijze is het antwoord uit uw brief d.d. 7 december 2012 tot stand gekomen? Indien hier e-mailverkeer of andere correspondentie aan ten grondslag ligt, verzoek ik u mij daar prints of kopieën van te verstrekken.

Per faxbericht van 1 februari 2013 werd een reactie van de adviseur ontvangen:

'Zoals eerder vermeld betreft dit opleidingskosten ten behoeve van het personeel in het kader van een traineeship in 2008, 2009 en 2010. De opleiding betreft een internationale school, ter voorbereiding op het invulling en uitvoering geven aan de internationale businessactiviteiten van de onderneming. Het betreft derhalve zakelijke uitgaven.

De codering en boeking van de betreffende uitgaven heeft plaatsgevonden door de directie op basis van bovenvermelde kwalificatie. Het zakelijk karakter van de uitgave is door ondergetekende (Mr. [A] ) destijds besproken met de directie. (Aanstaande) bedrijfsopvolging in verband met het ziektebeeld van de heer [Y] , en gedegen voorbereiding van beoogde bedrijfsopvolgers waren hierbij een overweging'.

Het betreft onderwijs aan kinderen van (voormalig) werknemers. Het betreft algemeen onderwijs. Men heeft bij de beantwoording van vragen gepoogd een andere, onjuiste voorstelling van de werkelijkheid te geven. De uitgaven staan in een te ver verwijderd verband van [X] om tot aftrek te leiden c.q. als onbelaste kostenvergoeding gekwalificeerd te kunnen worden.

Correctie 2008 € 48.000

Correctie 2009 € 52.000

Correctie 2010 € 30.000

(…)

5.1.2 Aansluiting

Voor de jaren 2008 en 2010 sloten de bedrijfsresultaten volgens verstrekte administratie niet aan op die volgens de aangiften vennootschapsbelasting, in een brief d.d. 4 mei 2012 vroeg ik de adviseur de verschillen te verklaren. Uit zijn reactie van 30 mei 2012 blijkt het verschil voor 2010 te bestaan uit het afwaarderen van de vordering op [J] B.V. voor € 62.235. De correctie was (nog) niet verwerkt in de financiële administratie van 2010. Tijdens werkzaamheden voor de jaarrekening 2011 is een correctie beginbalans verwerkt van € 62.235.

Het grootboekoverzicht (1265 Lening u/g [J] BV) kent de volgende opbouw:

beginsaldo 0

29-4-2010 Lening [J] 10.000

30-6-2010 [J] , lening 10.000

31-8-2010 [J] , lening 15.000

31-8-2010 [J] , lening 15.000

31-8-2010 [J] , r/c-lening 12.235

62.235

afwaardering -62.235

0

Exemplaren van leningovereenkomsten werden ter beschikking gesteld: d.d. 29 april 2010, d.d. 30 juni 2010, d.d. 2 augustus 2010 en d.d. 23 augustus 2010. De overeengekomen rente is steeds 5%; er is geen aflossing van toepassing. Geldnemer geeft pandrecht als zekerheid. Uit verslagen van de curator blijkt dat ING Bank NV reeds pandhouder was. Inzake de mutatie r/c-lening is geen schriftelijke overeenkomst aanwezig gebleken.

[J] BV failleerde in 2011; goed koopmansgebruik verzet zich tegen afboeking in het boekjaar 2010. De aanhoudende financieringsbehoefte die blijkt uit de kort opeenvolgende geldverstrekkingen, geeft blijk van een verhoogd risico met betrekking tot bedragen die onder de noemer van lening ter beschikking gesteld werden. Gezien de bestaande kredieten zou een niet-verbonden derde nimmer op dezelfde condities geld uitgeleend hebben. De ter beschikkingstelling van geldbedragen vond op onzakelijke basis plaats en louter vanwege verbondenheid van wederzijdse (middellijk) aandeelhouders. Er is sprake een zogenaamde onzakelijke lening; (...)

Correctie minder bijzondere waardevermindering 2010 € 62.235

(…)"

2.6.

De naar aanleiding van het boekenonderzoek aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen zijn als volgt berekend:

Jaar 2008 2009 2010

4.1.1

Huisvestingskosten 656

4.1.2

Relatiegeschenken (o.a. kleding [J] ) 6.634

4.1.2

Relatiegeschenken (wijn) 2.323

4.1.4

De [Q] / [R] Horeca 960 5.547

4.1.4

[T] / [V] en De [Q] 2.250 2.252

4.1.6

Accountant/belastingadvies 500 500

4.1.7

Depot merknamen [Y] en [J] 1.200

4.1.8

Drukwerk [J] 4.401

4.1.9

Instituut [E1] 48.000 52.000 30.000

5.1.1

Correctie giften 227

5.1.2

Aansluitingsverschil 62.235

Totaal van de correcties per jaar 50.887 64.854 103.944

aangegeven belastbare winst 199.201 149.134 103.275

Belastbaar bedrag van de navorderingaanslag 250.088 213.988 207.219

2.7.

De in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar betreffende de jaren 2008 en 2009 zijn gedagtekend 7 september 2017. Op 6 september 2017 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende een e-mail gezonden, waarin onder meer staat:

"Geachte heer [A] ,

(…)

Ik heb tevens vandaag ter post aangeboden:

• De uitspraak Vpb 2008 & 2009 voor [X] , tevens is hierbij opgenomen de definitieve versie van het hoorverslag.

• De motivering van uitspraak op bezwaar Vpb 2010 voor [X]

• De uitspraak Vpb 2008 & 2010 voor [E]

• De motivering van uitspraak op bezwaar OB 2009 & 2010 voor [X]

• De motivering van uitspraak op bezwaar OB 2010 voor [E]

(…)"

2.8.

Op 31 oktober 2017 heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur de volgende mailwisseling plaatsgevonden:

(1)

"Geachte heer [C] ,

Ik ben even aan het inventariseren i.v.m. het instellen van beroep. Van uw onderstaande opsomming van zaken die door u ter post aangeboden zouden zijn, is echter tot nu toe alleen de motivering van uitspraak op bezwaar Vpb 2010 [X] B.V. met dagtekening 23 september 2017, ontvangen.

Zijn er zo u weet nog stukken met de post onderweg, of heb ik iets gemist ?

Inzake de IB van de heer [Y] heb ik tot nu toe alleen een uitspraak op bezwaar IB 2009 en IB 2010, beiden met dagtekening 26 september 2017 ontvangen (met een daaraan voorafgaande motivering d.d.11 september 2017 van mevrouw [H1] ). Er is nog geen uitspraak op bezwaar IB 2011 ontvangen.

Deze week zou beroep moeten worden aangetekend tegen de beschikkingen d.d. 23 en 26 september 2017. Het zou wenselijk zijn e.e.a. te kunnen voegen, vanwege de onderlinge samenhang. Maar omdat er nu geen beschikkingen voorliggen - althans vzv mij bekend -, betreffende de Vpb 2008 en 2009 van [X] BV, de Vpb 2008 en 2010 van [E] B.V. de OB 2009 en 2010 van [X] B.V. en de OB 2010 van [E] B.V., gaat dit nu mogelijk langs elkaar lopen.

Wellicht dat u gelegenheid ziet, even na te zien of er nog stukken onderweg zijn.

Met vriendelijke groet / Kind regards,

mr. [A] "

(2)

" Geachte heer [A] ,

Zoals in mijn voorgaande e-mail ook is aangegeven heb ik al op 6 september 2017 in vijf verschillende enveloppen onderstaande brieven ter post aangeboden. De brieven zijn gericht aan het adres dat u hebt doorgegeven aan mevr. [H1] en waar u ook al eerder post op hebt ontvangen van mevr. [H1] (zie bijv. de voorgenomen beslissing van 21 juni 2017). Het bevreemdt mij dan ook dat u deze brieven niet hebt ontvangen. Voor de volledigheid stuur ik u in pdf nogmaals alle brieven die op 6 september 2017 ook per post zijn verzonden.

(...)

(Zie het bijgevoegde bestand: 009264620 [X] BV2008-2009 Uitspraak, afwijzing tijdig.pdf)(…)

(…)

Met vriendelijke groet,

mr. [C]

Oordeel van de Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft in de zaken SGR 17/481 en SGR 17/482 (BK-18/00664 en BK-18/00/665) betreffende de jaren 2008 en 2009 het volgende overwogen:

"Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaar- of beroepschrift ook nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. De dagtekening van de bestreden uitspraken op bezwaar is 7 september 2017. [De Inspecteur] heeft gemotiveerd gesteld dat deze besluiten op 6 september 2017 aan de gemachtigde van [belanghebbende] zijn verzonden, onder gebruikmaking van het juiste adres. [Belanghebbende] heeft de door [de Inspecteur] gestelde verzending niet, althans niet voldoende concreet, betwist. Mede in aanmerking nemend hetgeen [de Inspecteur] over de verzending heeft aangevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat de bestreden uitspraken op bezwaar op 6 september 2017 door [de Inspecteur] naar het juiste adres zijn verzonden en daarmee op juiste wijze bekend gemaakt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de Inspecteur] de uitspraken op bezwaar niet retour heeft ontvangen en dat hij onweersproken heeft aangevoerd dat de gemachtigde andere poststukken heeft ontvangen die op identieke wijze door [de Inspecteur] naar het zelfde adres zijn verzonden. Gelet hierop eindigde de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 19 oktober 2017. Het beroepschrift is op 3 november 2017 bij de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus, gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

3. Het ligt vervolgens op de weg van [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank overweegt in dat verband dat [belanghebbende] niet kan volstaan met de stelling dat zij de uitspraken op bezwaar niet heeft ontvangen. Voor het overige heeft [belanghebbende] niets aangevoerd op grond waarvan verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zou kunnen worden aangenomen. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat [de Inspecteur], naar hij onweersproken heeft gesteld, op 6 september 2017 nádat de uitspraken voor verzending waren aangeboden, een e-mail aan de gemachtigde van [belanghebbende] heeft gestuurd waarin hij de gemachtigde heeft meegedeeld welke brieven en besluiten – daaronder begrepen de uitspraken op bezwaar – op die dag aan hem zijn verzonden. Een afschrift van deze e-mail behoort tot de gedingstukken. Uit die e-mail had gemachtigde moeten begrijpen dat de uitspraken op bezwaar waren gedaan en ook reeds waren verzonden. Naar aanleiding van de email heeft de gemachtigde geen actie ondernomen. Voor zover de gemachtigde stelt dat hij die e-mail niet heeft gezien of gelezen, overweegt de rechtbank, dat dit een omstandigheid is die voor risico van de gemachtigde en daarmee van [belanghebbende] komt.

4. Nu overigens ook anderszins geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding geven, is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard."

3.2.

De Rechtbank heeft in de zaak SGR 17/7483 (BK-18/00666) betreffende het jaar 2010 het volgende overwogen:

"Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Nadat [belanghebbende] voor het jaar 2010 aangifte voor de vennootschapsbelasting heeft gedaan naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 103.275 en aan haar conform die aangifte de primitieve aanslag Vpb 2010 is opgelegd, is door [de Inspecteur] bij [belanghebbende] een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb over de jaren 2008 tot en met 2010 met betrekking tot de bedrijfskosten, met uitzondering van de loon- en afschrijvingskosten.

2. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek zijn – onder meer – de navorderingsaanslag en vergrijpboete aan [belanghebbende] opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 207.219.

3. In geschil is of de navorderingsaanslag en de vergrijpboete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

4. De navorderingsaanslag heeft betrekking op de volgende door [belanghebbende] in aanmerking genomen (bedrijfs)kosten, welke volgens [de Inspecteur] ten onrechte ten laste van de winst zijn gebracht.

  • -

    - Kosten voor relatiegeschenken € 8.957

  • -

    - Kosten voor representatiekosten € 2.252

  • -

    - Accountantskosten € 500

  • -

    - Afwaardering vordering op [J] B.V. € 62.235

  • -

    - Scholingskosten Instituut [E1] € 30.000

€ 103.944

5. Van de bevindingen van het bij [belanghebbende] ingestelde onderzoek is een rapport opgemaakt, waarin de verschillende correcties puntsgewijs zijn weergegeven en gemotiveerd. Verder heeft [de Inspecteur] in zijn verweerschrift uitgebreid gemotiveerd en ook ter zitting toegelicht waarom de gecorrigeerde posten ten onrechte ten laste van de winst zijn gebracht en dat sprake is van onttrekkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] daartegenover met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven wel zakelijk zijn en daarom ten onrechte zijn gecorrigeerd. De enkele stelling dat het allemaal zakelijke (en daarmee aftrekbare) kosten betreffen, is daartoe, gegeven de gemotiveerde betwisting door [de Inspecteur], onvoldoende. [Belanghebbende], op wie in dit verband de bewijslast rust, heeft ter ondersteuning van haar stellingen geen, althans niet afdoende onderbouwing gegeven die de stellingen kunnen dragen.

6. Met betrekking tot de ‘Afwaardering vordering op [J] B.V.’ overweegt de rechtbank nog het volgende. Dit betreft de afwaardering van een vordering op [J] B.V, een vennootschap waarvan [belanghebbende] tot 23 februari 2009 100% aandeelhouder was. Op 23 februari 2009 zijn deze aandelen verkocht aan de echtgenote van [Y] . Laatstgenoemde is de enig aandeelhouder en bestuurder van [belanghebbende] (de dga). De leningen die aan de afgewaardeerde vordering ten grondslag liggen, zijn verstrekt in de periode april 2010 tot en met augustus 2010. Met [de Inspecteur] is de rechtbank van oordeel dat nergens uit is gebleken dat zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de leningen kunnen worden afgewaardeerd. Het enkele feit dat [J] B.V. in november 2011 failliet is verklaard, is daartoe onvoldoende, omdat dit feit zich pas heeft voorgedaan in 2011 en dit, zonder nadere toelichting die [belanghebbende] in dit verband niet heeft gegeven, onvoldoende licht werpt op feiten en omstandigheden die zich in 2010 hebben voorgedaan.

7. Met betrekking tot de ‘Scholingskosten Instituut [E1] ’ overweegt de rechtbank nog het volgende. Dit betreffen uitgaven voor een particuliere middelbare school in [G1] voor beide kinderen van de dga. [De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat het hierbij gaat om algemeen vormend middelbaar onderwijs. Dat deze uitgaven wel zakelijk zouden zijn, heeft [belanghebbende] met wat zij daartoe heeft aangevoerd, tegenover de gemotiveerde betwisting door [de Inspecteur], geenszins aannemelijk gemaakt. Zo heeft [belanghebbende] gesteld dat de beide kinderen in 2010 een loonbetrekking dan wel arbeidsverhouding hadden met [belanghebbende]. [De Inspecteur] heeft bij gebrek aan bewijs die arbeidsverhouding betwist en acht die ook niet goed voorstelbaar gegeven de jonge leeftijd van de kinderen. Wat daarvan zij, naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom de uitgaven voor algemeen vormend middelbaar onderwijs – waarvoor ook een leerplicht bestaat – zakelijke kosten voor [belanghebbende] zouden vormen. Het argument dat de kinderen in de toekomst hun vader in het bedrijf zouden kunnen opvolgen acht de rechtbank niet steekhoudend. De facturen van de school waren ook geadresseerd aan de dga en niet aan [belanghebbende]. [De Inspecteur] heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het gaat om uitgaven in de privésfeer en dat daarom sprake is van een onttrekking in de vorm van een uitdeling.

8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [de Inspecteur] terecht de vijf posten als genoemd onder 4 heeft gecorrigeerd nu niet aannemelijk is geworden dat het zakelijke kosten betreffen. De navorderingsaanslag is dan ook terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld. Dit betekent ook dat de heffingsrente tot een juist bedrag in rekening is gebracht. [Belanghebbende] heeft daartegen ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd en de rechtbank is ook overigens niet is gebleken dat deze onjuist is berekend.

9. De vergrijpboete van 50% is gebaseerd op artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en is door [de Inspecteur] opgelegd met inachtneming van de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De rechtbank acht door [de Inspecteur] bewezen dat het aan (voorwaardelijk) opzet van [belanghebbende] is te wijten dat de (primitieve) aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. [De Inspecteur] heeft terecht de aftrek van de ‘Scholingskosten Instituut [E1] ’ ten grondslag gelegd aan de vergrijpboete, omdat er in dit geval bij [belanghebbende] geen onduidelijkheid heeft kunnen bestaan dat het ging om uitgaven in de privésfeer en dat [belanghebbende] deze uitgaven desondanks ten laste heeft willen brengen van belastbare winst. Gelet op de motivering die [belanghebbende] heeft gegeven voor het in aftrek brengen van die uitgaven (zie onder 7), is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een pleitbaar standpunt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en acht deze ook passend en uit een oogpunt van normhandhaving geboden. Omstandigheden die een matiging van de boete rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. Sinds de kennisgeving van de boete bij brief van 28 april 2016 en het moment waarop deze uitspraak wordt gedaan, zijn nog geen twee jaar verstreken, zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn op grond waarvan de boete in aanmerking zou komen voor matiging.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de beroepen betreffende de jaren 2008 en 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts is tussen partijen in geschil of de navorderingsaanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend. De correcties betreffende de accountantskosten en de giften zijn tussen partijen niet in geschil.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de navorderingsaanslag over het jaar 2009, vermindering van de navorderingsaanslag over het jaar 2008 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 199.928, vermindering van de navorderingsaanslag over het jaar 2010 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 103.775 en telkens dienovereenkomstige vermindering van de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid beroep 2008 en 2009

5.1.1.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat in afwijking van artikel 6:8 Awb de termijn voor het instellen van beroep aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:9, lid 1, Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post, gelet op lid 2 van artikel 6:9 Awb, het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

5.1.2.

De uitspraak op de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2008 en 2009 en de daarbij gegeven beschikkingen is gedagtekend 7 september 2017 (de uitspraak op bezwaar). Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar op 31 oktober 2017 aan haar bekend is gemaakt, zodat de termijn voor het indienen van de beroepschriften pas op deze dag is aangevangen.

5.1.3.

Bij de beantwoording van de vraag of de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ontvankelijk zijn, wordt het volgende vooropgesteld. De in artikel 26c AWR neergelegde regel geldt alleen indien een uitspraak op bezwaar uiterlijk op de datum van dagtekening op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Indien een uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, vangt de beroepstermijn van zes weken pas aan op de dag waarop (de gemachtigde van de) belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen (zie HR 17 april 2015, nr. 14/05377, ECLI:NL:HR:2015:960, BNB 2015/132).

5.1.4.

Ingevolge artikel 7:12, lid 2, Awb wordt de beslissing op bezwaar bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Onder toezending wordt verstaan: verzending per post (zie HR 25 mei 2018, nr. 17/02663, ECLI:NL:HR:2018:758, BNB 2018/154). Bij niet-aangetekende verzending per post is het in beginsel aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat een uitspraak op bezwaar op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de uitspraak op bezwaar op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Om dit vermoeden te ontzenuwen, is voldoende dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert, ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van het stuk slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112).

5.1.5.

De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de uitspraak op bezwaar naar het juiste adres is verzonden, het volgende aangevoerd:

- de uitspraak op bezwaar is, tezamen met een viertal andere enveloppen, reeds op 6 september 2017 in het postvak gelegd van waaruit de post wordt verstuurd;

- aan de gemachtigde van belanghebbende is op 6 september 2017 een e-mail verzonden waarin aan haar is meegedeeld dat de uitspraak op bezwaar op die dag zijn verstuurd, waarmee aan het vereiste van een deugdelijke verzendadministratie is voldaan;

- tussen partijen is niet in geschil dat het adres dat op de uitspraak op bezwaar vermeld staat, het juiste adres van de gemachtigde van belanghebbende is;

- de andere brieven die in exact hetzelfde postvak zijn gelegd en dus op eenzelfde wijze zijn verstuurd, zijn door de gemachtigde van belanghebbende ontvangen;

- de uitspraak op bezwaar is niet retour ontvangen.

5.1.6.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende is verzonden. Weliswaar kan aan de hand van bijvoorbeeld een deugdelijke verzendadministratie het bewijs van daadwerkelijke verzending van de uitspraak op bezwaar worden geleverd, maar anders dan de Inspecteur stelt, wordt onder een deugdelijke verzendadministratie niet begrepen de verzending van de in 5.1.5 genoemde e-mail aan de gemachtigde van belanghebbende. Uit een dergelijke e-mail kan immers niet worden afgeleid dat de brief met de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk ter post is bezorgd.

5.1.7.

Het in 5.1.6 overwogene leidt tot de conclusie dat ervan moet worden uitgegaan dat de uitspraak op bezwaar door de Inspecteur niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Aangezien vaststaat dat de gemachtigde van belanghebbende (een pdf-versie van) de uitspraak op bezwaar op 31 oktober 2017 onder ogen heeft gekregen, is op deze dag de beroepstermijn van zes weken aangevangen. Het (pro forma) beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar is door de Rechtbank ontvangen op 3 november 2017. Het beroepschrift is derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 6:9 Awb, tijdig ingediend. De Rechtbank heeft de beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

BK-18/00666: de navorderingsaanslag 2010

5.2

De Rechtbank heeft in overweging 8 van haar uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur terecht de hiervoor weergegeven correcties heeft aangebracht nu niet aannemelijk is geworden dat het zakelijke kosten betreffen. De Rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat de navorderingsaanslag over het jaar 2010 terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel dan dat van de Rechtbank leiden. Derhalve sluit het Hof zich aan bij deze beslissing en maakt haar, evenals de gronden waarop zij berust, tot de zijne. In aanvulling hierop merkt het Hof op dat de Rechtbank wat betreft de aan het Instituut [E1] betaalde scholingskosten kon volstaan met de overweging dat uitgaven voor algemeen vormend middelbaar onderwijs niet als zakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. De Rechtbank behoefde dus niet afzonderlijk in te gaan op de stelling van belanghebbende dat [Y] lijdt aan een chronische ziekte en dat zijn kinderen door het volgen van onderwijs op het Instituut [E1] in een versneld tempo konden worden voorbereid op de opvolging van hun vader in de onderneming.

BK-18/00664 en BK-18/00665: de navorderingsaanslagen 2008 en 2009

5.3.1.

Aangezien het Hof tot het oordeel is gekomen dat de beroepschriften betreffende de navorderingsaanslagen over de jaren 2008 en 2009 ontvankelijk zijn en belanghebbende niet heeft verzocht om de zaken terug te wijzen naar de Rechtbank, zal het Hof de zaken inhoudelijk beoordelen.

5.3.2.

De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de in onderdeel 2.6 van deze uitspraak opgesomde uitgaven een zakelijk karakter hebben. Op belanghebbende rust dan de last aannemelijk te maken dat de kosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van haar onderneming. Belanghebbende is niet in haar bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de uitgaven zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming van belanghebbende. De navorderingsaanslagen 2008 en 2009 zijn derhalve terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld.

Boeten

5.4.

De aan belanghebbende opgelegde vergrijpboeten voor de jaren 2009 en 2010 zijn opgelegd conform hetgeen is bepaald in artikel 67e AWR en de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat de boeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Het Hof acht deze ook passend en uit een oogpunt van normhandhaving geboden. In de omstandigheid dat belanghebbende in 2016 failliet is verklaard, ziet Hof geen aanleiding om de boete te matigen.

Proceskosten en griffierecht

6. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het hoger beroep in de zaken BK-18/00664 en BK-18/00665 betreffende de navorderingsaanslagen 2008 en 2009 gegrond is en belanghebbende in haar beroep alsnog ontvankelijk moet worden verklaard. Nu het Hof de uitspraak op bezwaar in die zaken bevestigt, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Wel ziet het Hof hierin aanleiding te bepalen dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

In de zaken BK-18/00664 en BK-18/00665: de navorderingsaanslagen 2008 en 2009

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt de Inspecteur op het betaalde griffierecht voor het Hof ten bedrage van € 508 aan belanghebbende te vergoeden;

in de zaak BK-18/00666: de navorderingsaanslag 2010

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, I. Obbink-Reijngoud en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 20 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.