Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1167

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
200.258.327/01
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gratieverzoek afgewezen door de minister na positief advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd is in beginsel leidend. Afwijking advies onvoldoende gemotiveeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.258.327/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/569253/ KG ZA 19/206

mondeling arrest van 6 mei 2019, zoals schriftelijk uitgewerkt op 14 mei 2019

inzake

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

zetelend te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag,

tegen

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.J. Wybenga te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 23 april 2019 is de Staat in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 17 april 2019. In zijn spoedappeldagvaarding heeft de Staat drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 6 mei 2019 de zaak doen bepleiten, de Staat door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en [geïntimeerde] door mr. R.J. Wybenga, advocaat te Rotterdam, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Het hof heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de Staat gelast binnen vier maanden na de uitspraak te beslissen op het op 25 maart 2019 ingediende nieuwe gratieverzoek van [geïntimeerde] . Aangegeven is dat het hof die uitspraak nader zal uitwerken en schriftelijk zal vastleggen, waarbij de schriftelijke vastlegging op ondergeschikte punten kan afwijken van de uitspraak ter zitting en in dat geval zal prevaleren. Het onderhavige arrest bevat de schriftelijke vastlegging en uitwerking van de mondelinge uitspraak. Dit arrest zal – zoals eveneens afgesproken – op 14 mei 2019 aan partijen ter beschikking worden gesteld.

De feiten

1. De door de voorzieningenrechter in het vonnis van 17 april 2019 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

1.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is [geïntimeerde] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café “Het Koetsiertje” te Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. In verband met dat strafbare feit is [geïntimeerde] op 7 april 1983 in detentie genomen.

1.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [geïntimeerde] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de minister van Justitie en [de kliniek] (hierna: de kliniek) heeft geleid tot een memo van de Staat van 9 juli 2001 (hierna samen met de hierna te noemen brief van 20 juli 2001: de 2001-afspraken). Voor zover hier van belang vermeldt het memo:

“Deze kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen “bewaarfunctie”.

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht. Er kunnen zich binnen deze optie twee situaties ontwikkelen, die ieder afzonderlijk de inhoud van het gratieverzoek kunnen beïnvloeden:

1. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) nadert haar voltooiing waarbij het van belang blijft de inbedding in de samenleving zodanig in te richten dat betrokkene de dwang blijft voelen om daaraan maximale medewerking te verlenen.

2. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) is zodanig progressief verlopen dat betrokkene voldoende gemotiveerd is aanwijzingen te volgen die de gewenste inbedding ondersteunen, zonder dat daartoe een dwangkader benodigd is.

Ad 1: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening, gevolgd door het verlenen van gratie voor het resterend gedeelte van de gevangenisstraf onder voorwaarde. Bij het niet volgen van de voorwaarde herleeft de eindige gevangenisstraf.

Ad 2: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening. De aldus omgezette gevangenisstraf dient zodanig aangepast te zijn dat de VI-datum passeert op het moment van ontslag uit de kliniek.

Het aldus in te dienen gratieverzoek zal in de kliniek haar startpunt krijgen, d.w.z. er zal een plan van aanpak rond de afronding van de klinische behandeling worden voorgelegd aan de heer [naam 2] .

Hij zal vervolgens het plan om advies voorleggen aan [de psychiatrisch adviseur] , die zal beoordelen of er voldoende elementen zijn om een ambtshalve gratieverzoek in te dienen vanuit zijn positie als psychiatrisch adviseur. Gelet op de haalbaarheid van een dergelijk verzoek is wederzijdse overeenstemming omtrent het verloop / afloop van de behandeling wenselijk. Indien het gratieverzoek niet wordt gehonoreerd kan betrokkene niet langer in de kliniek verblijven en zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen plaatsvinden.”

1.3.

Op 20 juli 2001 heeft de minister aan [geïntimeerde] bericht dat hij in een tbs-inrichting wordt geplaatst. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de minister aan de kliniek waarin onder meer staat vermeld:

“Tijdens (...) mondeling en schriftelijk contact met uw kliniek, waarbij ook de advocate van de gedetineerde was betrokken, toonde u zich bereid een opname toch in overweging te nemen, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

Dit was aanleiding voor overleg tussen uw kliniek, de advocate van betrokkene en de GGG-commissie. De uitkomsten van dit overleg op 3 mei 2001 werden, na een consultatieronde langs alle deelnemers, vastgelegd in een memo d.d. 9 juli 2001. Deze memo is reeds in uw bezit.

Op basis van de afspraken in de memo verzoek ik u thans betrokkene met voorrang in uw kliniek op te nemen en het behandelingstraject te beginnen met een observatieperiode.

Na afronding van de observatieperiode ontvang ik graag het verslag van uw bevindingen naar aanleiding van deze observatie.

Het verslag zal de eerste aanzet betekenen voor de overige actiepunten zoals vastgelegd in de memo.

Over de voortgang van de gemaakte afspraken in de memo zullen alle deelnemers aan het eerdergenoemde overleg steeds worden geïnformeerd rond het moment dat zich daarbij relevante ontwikkelingen voordoen.”

1.4.

[geïntimeerde] is vervolgens op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.

1.5.

Nadien hebben tussen partijen verschillende procedures plaatsgevonden, onder meer in kort geding over aan [geïntimeerde] toe te kennen verloven en tussen partijen te voeren overleg.

1.6.

Op 3 november 2016 is aan [geïntimeerde] transmuraal verlof toegekend vanaf 11 november 2016. Op 10 maart 2017 heeft [geïntimeerde] een gratieverzoek ingediend (hierna: het gratieverzoek).

1.7.

Op 20 april 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het volgende medegedeeld aan [geïntimeerde] :

“Op 13 maart 2017 heb ik uw gratieverzoek ontvangen. Hierbij informeer ik u over de behandeling van uw gratieverzoek.

Onderzoeken

(…)

Uit de bovenstaande stappen blijkt dat een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek niet opnieuw zal worden uitgevoerd. De reden hiervoor is dat in 2014, bij de behandeling van uw vorige gratieverzoek en in het kader van een aanvraag onbegeleid verlof, reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk dat een nieuw onderzoek thans een ander licht op de zaak zal werpen. Daarom zal het onderzoek uit 2014 in deze procedure worden gebruikt.

Behandelduur

In mijn brief van 16 maart 2017 heb ik u laten weten dat de behandelingsduur van een gratieverzoek gemiddeld zes maanden is. In uw geval zal deze termijn, gezien de genoemde onderzoeken, langer zijn.”

1.8.

Op 18 mei 2018 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) geadviseerd het gratieverzoek af te wijzen. De conclusie van het advies luidt:

“Bij gebrek aan een recent slachtofferonderzoek, een impactanalyse van (voorwaardelijke) gratie van [geïntimeerde] op de maatschappij en een reclasseringsrapport is het niet mogelijk om de vraag of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend goed te beantwoorden, Bij de huidige stand van zaken zie ik mij daarom genoodzaakt om tot afwijzing van het gratieverzoek te adviseren.”

1.9.

Op 6 september 2018 heeft het gerechtshof Den Haag (als gerecht dat de straf heeft opgelegd) zijn advies uitgebracht naar aanleiding van het gratieverzoek (hierna: het hofadvies). Voor zover relevant luidt dit:

“Concluderend komt het hof op grond van het voorgaande tot het oordeel dat ter zake

a. het recidiverisico,

b. de delictgevaarlijkheid van de verzoeker en

c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie,

er thans, na een detentie van ruim 35 jaren, gegeven de door de verzoeker geleverde inzet in het kader van de op zijn resocialisatie gerichte activiteiten - in een resocialisatietraject in relatie tot het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige straf door middel van gratie dat hem bij zijn overplaatsing naar [de kliniek] te [plaats] reeds in 2001 in het vooruitzicht werd gesteld - en gelet op de voortdurende positieve ontwikkeling die hij daarin heeft doorgemaakt en die ertoe heeft geleid dat van een voor het recidiverisico relevante persoonlijkheidsstoornis geen sprake meer is, en welk recidiverisico dermate beperkt is dat thans geen noodzaak bestaat voor begeleiding bij verdere re-integratie in de maatschappij of risicomanagement, geen aanknopingspunten meer zijn te vinden voor de stelling dat met de voortzetting van de detentie, in het onderhavige geval, de met de generale en speciale preventie na te streven doel(en) in redelijkheid (nog) word(en)t gediend.

Vergelding

Ad d) Het hof ziet onder ogen dat de verzoeker als verdachte in zijn strafzaak veroordeeld is voor zeer ernstige misdrijven waarbij zes personen, waaronder een kind, om het leven zijn gekomen. Deze schokkende feiten hebben toenmaals grote beroering veroorzaakt in de maatschappij en een blijvende impact gehad op het leven van de slachtoffers/nabestaanden. Het hof neemt zonder meer aan dat het door deze feiten bij de slachtoffers/nabestaanden veroorzaakte onnoemelijke leed en verdriet nog immer bestaan en dat zij ook thans nog in meerdere of mindere mate negatief zullen staan tegenover het verlenen van gratie aan de verzoeker, zoals eerder is gebleken uit het op 7 mei 2014 uitgebracht rapport “Slachtofferonderzoek [geïntimeerde] ”.

Ook zullen, zo neemt het hof aan, over deze feiten naar hun aard in bredere zin in de samenleving, meer in het bijzonder in de gemeente Delft, nog gevoelens van onbehagen bestaan.

Het hof acht zich ten aanzien van de thans nog bestaande impact van de feiten op de slachtoffers/nabestaanden, op grond van de ingebrachte stukken - en mitsdien zonder de door de advocaat-generaal gewenste nadere informatie - voldoende geïnformeerd om tot een advies te komen. Niet is aan te nemen dat in het relatief korte tijdsverloop ten opzichte van het in 2014 uitgebrachte rapport het gemis, de gevoelens en belevingen over het verlies van de slachtoffers zoals in dat rapport tot uitdrukking gebracht, veel aan betekenis zullen hebben ingeboet. Immers, het meergenoemde rapport is meer dan 30 jaar na de datum van de feiten waarvoor de verzoeker is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, tot stand gekomen en getuigt niet van heling door tijdverloop. Om diezelfde reden is niet aannemelijk dat de impact in de komende jaren nog veel zal veranderen. Tenslotte speelt een rol dat naar het oordeel van het hof van slachtoffers/nabestaanden niet (bij herhaling) kan en mag worden gevraagd of verwacht dat zij bijdragen aan een eventuele gratiëring van de verzoeker door jegens hem ‘bevrijdend’ te verklaren.

De vergeldingsbehoefte die bij slachtoffers/nabestaanden van zulke ernstige misdrijven kan bestaan, en die niet noodzakelijkerwijze vermindert naarmate de tijd verstrijkt, kan niet doorslaggevend zijn voor de afweging in het kader van de gratiëring. Het is een factor, die in de loop van de tijd verbleekt, juist omdat op die concrete vergeldingsbehoefte geen maat staat. De concrete vergeldingsdrang gaat gaandeweg op in de meer abstracte notie van ‘vergelding’ die in essentie in elke vorm van bestraffing besloten ligt.

Voor zover de levenslange gevangenisstraf mede ziet op die vergelding, heeft als uitgangspunt te gelden dat vergelding aan grenzen is gebonden. De vergelding houdt niet slechts in dat op een bepaald vergrijp een sanctie volgt, en wel 'ter verevening' van het aangedane onrecht, ter morele genoegdoening, maar zij geeft ook aan dat aan deze reactie een 'grens' is. Vergelding impliceert niet, en mag niet impliceren, een niet aan enige maat gebonden, feitelijk absolute uitsluiting uit de maatschappij van een dader. Dat is ook de kern van de jurisprudentie van het EHRM: een voor de veroordeelde aanhoudend en langdurig, volstrekt uitzichtloze situatie is strijdig met het verdragsrecht. De maatschappelijke reactie moet in zekere evenredigheid staan tot het begane anti-sociale gedrag. Dat betekent al met al dat de vraag of de - door de misdaden gemaakte - inbreuk op de rechtsorde is geheeld van groot belang is maar dat het antwoord op die vraag niet onder alle omstandigheden de doorslag geeft voor de te nemen beslissing.

De vraag of thans nog in overwegende mate (negatief) gewicht moet/mag worden toegekend aan het strafdoel van vergelding - de impact op slachtoffers/nabestaanden toen, nu en naar het hof aanneemt ook in de toekomst - beantwoordt het hof ontkennend.

Alles afwegende en concluderende bestaat naar het oordeel van het hof thans na verloop van ruim 35 jaren geen ruimte meer voor vergelding en is aannemelijk geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Conclusie

Verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf is naar het oordeel van het hof niet langer gerechtvaardigd.

Dit leidt ertoe dat het hof, met eenparigheid van stemmen, Uwe Majesteit zal adviseren het gratieverzoek toe te wijzen.

E. Advies

Het hof adviseert Uwe Majesteit het verzoek thans toe te wijzen.”

1.10.

De kliniek heeft op 13 september 2018 een evaluatierapport uitgebracht van het aan [geïntimeerde] verleende transmuraal verlof (hierna: het evaluatierapport).

1.11.

Bij brief van 2 november 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming het volgende bericht aan [geïntimeerde] :

“Inmiddels zijn de adviezen van het OM en het Hof Den Haag bestudeerd en heeft daarover overleg plaatsgevonden. Het OM geeft in het gratie-advies aan het wenselijk te achten dat recente informatie met betrekking tot de impact van gratieverlening op de slachtoffers/nabestaanden en de maatschappij als geheel in het dossier wordt gevoegd alsmede dat een reclasseringsrapport wordt opgemaakt betreffende de te stellen voorwaarden in het kader van een eventuele (voorwaardelijke) gratieverlening. Nu deze informatie ontbreekt is het naar de mening van de advocaat-generaal niet mogelijk om de vraag of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend, goed te beantwoorden. Derhalve heeft het OM geadviseerd het gratieverzoek af te wijzen. Voor de te nemen beslissing op het gratieverzoek acht ik het van belang alsnog de mening van het Openbaar Ministerie te vernemen over de vraag of met de tenuitvoerlegging van de straf nog een redelijk doel is gediend en daarmee over de vraag of gratie moet worden verleend. Ik heb daarom besloten de beslissing op het gratieverzoek aan te houden en alsnog een onderzoek te laten doen naar de impact van gratieverlening op slachtoffers, nabestaanden en de maatschappij en een reclasseringsrapport te laten opmaken betreffende de stellen voorwaarden in het kader van een eventuele voorwaardelijke gratieverlening. De resultaten daarvan worden aan het OM voorgelegd met het verzoek om nader advies uit te brengen.

Ik realiseer mij dat ik hiermee terugkom op de eerder gedane mededeling dat geen nieuw slachtofferonderzoek zou worden verricht. Ik realiseer mij voorts dat de genoemde onderzoeken de nodige tijd vergen. Het belang van een nader advies van het OM is naar mijn mening voor de te nemen beslissing op het gratieverzoek echter zo groot dat de genoemde onderzoeken en de daarmee gemoeide tijd gerechtvaardigd zijn.”

1.12.

[geïntimeerde] heeft vervolgens in kort geding gevorderd de Staat te veroordelen binnen tien werkdagen een positieve voordracht tot onvoorwaardelijke gratieverlening in te (doen) dienen bij het Kabinet van de Koning. In een vonnis van 21 december 2018 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de minister voor Rechtsbescherming in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om een nader advies van het OM te vragen waarbij (mede) rekening wordt gehouden met de uitkomsten van een nog te verrichten onderzoek naar de impact van gratieverlening op de (nabestaanden van de) slachtoffers en de maatschappij en een nog uit te laten brengen reclasseringsrapport. De voorzieningenrechter heeft beslist dat binnen een termijn van twee maanden een al dan niet positieve voordracht moet worden gedaan aan de Kroon ter zake van het gratieverzoek.

1.13.

De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2018. In dat hoger beroep is nog geen arrest gewezen.

1.14.

Op 9 januari 2019 heeft de Staat opdracht gegeven aan Reclassering Nederland om een advies uit te brengen. In het daarop volgende reclasseringsadvies van 11 februari 2019 staat onder meer vermeld:

“Inschatting risico’s

Risico op recidive

Het risico op recidive wordt ingeschat als laag.

Risico op letselschade

Het risico op letselschade wordt ingeschat als laag.

Risico op onttrekking

Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.

Toelichting

[de kliniek] komt in hun rapportage d.d. 13-09-2018 tot de inschatting dat het recidiverisico bij voorwaardelijke gratiëring laag is. “Zonder een begeleidend kader wordt de kans op recidive op de lange termijn als laag tot matig ingeschat. Met name valt te denken aan een situatie waarin de heer [geïntimeerde] ervaart dat hijzelf dan wel zijn gezin worden bedreigd, en dat hij zich langdurig zou isoleren van mensen die hem zouden kunnen bijsturen of helpen. De kans dat dit scenario optreedt en zal leiden tot ernstig gewelddadig gedrag, wordt echter op basis van zijn toegenomen vermogen om gebruik te maken van steunende anderen als gering ingeschat”, zo schrijft [de kliniek] .

Uit het gesprek met [de hoofd behandelaar] , hoofd behandelaar van [de kliniek] , blijkt dat deze inschatting actueel is.

(...)

Advies

Op basis van de inschatting van het recidiverisico acht de reclassering geen bijzondere voorwaarden geïndiceerd bij eventuele gratie.”

1.15.

Op 18 februari 2019 is een voordracht voor de gratiebeslissing aan het Kabinet van de Koning toegestuurd. Op 20 februari 2019 is een machtiging verleend conform de voordracht te beslissen.

1.16.

Bij brief van 28 februari 2019 heeft de minister voor Rechtsbescherming aan [geïntimeerde] bericht dat hij het gratieverzoek met Koninklijke machtiging afwijst. De brief (hierna: de afwijzing van het gratieverzoek) vermeldt voorts onder meer:

“Beoordeling

Op grond van het al voorgaande wordt negatief op uw gratieverzoek beslist. Daarbij is allereerst betrokken dat het hof positief heeft geadviseerd. (...) Het advies van het hof weegt zwaar in de beslissing en het is in beginsel leidend. Het advies is echter niet bindend. Bij de beslissing om in afwijking van het positieve advies van het hof geen gratie te verlenen zijn, kort weergegeven, de redenen voor het OM om negatief te adviseren betrokken, het ontbreken van een slachtofferonderzoek, de informatie die wel bekend is over de toestand van de slachtoffers alsmede het gegeven dat u al zeer veel vrijheden hebt en in het kader van transmuraal verlof volledig buiten [de kliniek] verblijft, alsmede dat er nog een kanttekening te plaatsen is bij het recidiverisico. Een en ander is zodanig uitzonderlijk en weegt zodanig zwaar dat ik heb besloten af te wijken van het advies van het hof. De overwegingen worden hierna toegelicht.

Daarbij wordt vooropgesteld dat de levenslange gevangenisstraf de zwaarst denkbare sanctie is voor de meest ernstige feiten. (...)

(...)

Het hof ziet geen grond voor een nieuw slachtofferonderzoek, omdat het niet aanneemt dat het gemis, de gevoelens en belevingen over het verlies van de slachtoffers sinds 2014 veel aan betekenis zullen hebben ingeboet, of dat de impact de komende jaren nog veel zal veranderen. Bovendien mag niet van de slachtoffers worden verwacht dat zij ‘bevrijdend’ jegens de dader verklaren. Hun vergeldingsbehoefte kan volgens het hof niet doorslaggevend zijn voor de afweging in het kader van gratiëring. Op de impact van gratieverlening op de samenleving als geheel gaat het hof niet in.

Ik kan deze overwegingen niet volgen. Bij gratieverlening gaat het niet primair om de vergeldingsbehoefte van slachtoffers en nabestaanden, en hun opvattingen over gratieverlening aan een levenslanggestrafte, zoals het hof kennelijk aanneemt. Het gaat er evenmin om, en zeker niet alleen, dat slachtoffers ‘bevrijdend’ voor de dader zouden moeten verklaren voordat er ruimte kan zijn voor gratie. Het vergeldingsaspect omvat meer dan de opvattingen van slachtoffers en nabestaanden. Het gaat primair om hun situatie en de toestand waarin zij verkeren. Daarnaast gaat het om de impact van gratieverlening op de samenleving als geheel. De toestand van slachtoffers en nabestaanden van uw misdrijven was in 2014 nog zodanig deplorabel, zoals hiervoor beschreven, dat ik dat schrijnend vind: (...) Bij deze situatie past naar mijn oordeel niet dat aan u gratie wordt verleend. Dat geldt te meer waar volgens het hof niet is te verwachten dat de situatie sinds 2014 is verbeterd en de voorzieningenrechter in kort geding daarin grond heeft gezien om een zodanige termijn te stellen voor het indienen van de voordracht dat er geen tijd was voor nieuw onderzoek.

Ik betrek hierbij dat dit niet betekent dat u in het geheel geen vrijheden en perspectief heeft. (...) Er is geen sprake van feitelijke absolute uitsluiting uit de maatschappij en evenmin van een volstrekt uitzichtloze situatie. U verblijft immers buiten [de kliniek] . Het hof kan in deze overwegingen, die de basis vormen voor zijn positieve advies, dus niet worden gevolgd.

Ik betrek tot slot het volgende in mijn overwegingen. Aan het rapport van [de kliniek] dat is opgesteld in het kader van deze gratieprocedure ontleen ik dat de kans op gewelddadig gedrag zonder een begeleidend kader op de lange termijn als laag tot matig wordt ingeschat, “waarbij met name valt te denken aan een situatie waarin de verzoeker ervaart dat hijzelf dan wel zijn gezin worden bedreigd en hij zich langdurig zou isoleren van mensen die hem zouden kunnen bijsturen of helpen.” Het OM heeft daarover in zijn advies overwogen dat professionele begeleiding in het geval van spanningen als gevolg van negatieve berichtgeving over gratiëring niet afhankelijk zou moeten zijn van uw houding.

Het hof besteedt niet specifiek aandacht aan dit aspect en overweegt slechts dat gratiëring negatieve media-aandacht zal genereren, wat volgens het hof in de lijn der verwachting ligt, dat stress zal opleveren bij u en uw gezin, en dat verwacht mag worden dat u dan steun zoekt bij uw netwerk of uw advocaat. (...)

Er is hiermee geen sprake van een situatie waarin deskundigen het risico in alle opzichten op korte en zeker ook de lange(re) termijn als laag inschatten. Gelet hierop en nu het gaat om een levenslange gevangenisstraf, opgelegd voor de meest ernstige misdrijven, meen ik dat gratie niet aan de orde is. Ik vind het te vrijblijvend en niet verantwoord om volledig op uw opstelling te vertrouwen. Dit is reden te meer voor afwijzing van uw gratieverzoek.

Voortzetting van de tenuitvoerlegging waarborgt immers dat uw ontwikkeling kan worden gevolgd en dat kan worden ingegrepen als het risico gaat oplopen.”

1.17.

Op 25 maart 2019 heeft [geïntimeerde] een nieuw gratieverzoek ingediend.

De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft bij dagvaarding in eerste aanleg het volgende gevorderd, voor zover in dit hoger beroep van belang:

primair:

de Staat te veroordelen om binnen vijf werkdagen de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming van 28 februari 2019 tot afwijzing van het gratieverzoek te (doen) herroepen en een nieuwe voordracht te doen aan de Koning naar aanleiding van het gratieverzoek, inhoudende dat gunstig en zonder oplegging van voorwaarden op het gratieverzoek zal worden beschikt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

de Staat te veroordelen binnen vijf werkdagen op de voet van artikel 19 in samenhang met artikel 9 Gratiewet een voordracht te doen aan de Koning, inhoudende dat [geïntimeerde] onvoorwaardelijke gratie zal worden verleend, onder bepaling dat aan het gestelde in artikel 19 Gratiewet moet worden geacht te zijn voldaan voor zover daarin wordt bepaald dat (i) het advies wordt ingewonnen van het OM en (ii) het advies wordt ingewonnen van het in artikel 4 Gratiewet aangewezen gerecht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

meer subsidiair:

de Staat te veroordelen het nieuwe gratieverzoek van [geïntimeerde] in behandeling te nemen, met voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 4 lid 4 aanhef en onder sub b Gratiewet en daarop binnen vier maanden na indiening te (doen) beslissen met inachtneming van de overwegingen in dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

uiterst subsidiair:

De voorziening te treffen die de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde] samengevat ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door in afwijzende zin te beschikken op het gratieverzoek en door de tenuitvoerlegging van de aan [geïntimeerde] opgelegde levenslange gevangenisstraf te laten voortduren. De Gratiewet en de artikelen 3 en 7 EVRM / artikel 1 Wetboek van Strafrecht zijn geschonden, evenals de beginselen van behoorlijk bestuur en de in 2001 met [geïntimeerde] en zijn advocaat gemaakte afspraken. De beslissing tot afwijzing van het gratieverzoek is ook in strijd met de toetsingsmaatstaven van gratieverzoeken zoals die voortvloeien uit de jurisprudentie. De afwijking van het positieve hofadvies mist een draagkrachtige motivering.

4. De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans van belang, het aldus primair gevorderde grotendeels toegewezen, en de Staat veroordeeld om binnen vier weken na de vonnisdatum de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming van 28 februari 2019 tot afwijzing van het gratieverzoek van [geïntimeerde] te (doen) herroepen en opnieuw te (doen) beslissen met inachtneming van het in het vonnis neergelegde oordeel van de voorzieningenrechter over het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek. Voorts is de Staat veroordeeld in de proceskosten, waarover bij gebreke van tijdige betaling wettelijke rente is verschuldigd. De vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van de werkelijke proceskosten is afgewezen.

De vorderingen en de grieven in hoger beroep

5. In hoger beroep vordert de Staat dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na uitspraak van het in dezen te wijzen arrest.

6. De Staat bestrijdt dat de onderhavige zaak geschikt is voor een oordeel in kort geding, en stelt dat gelet op de onomkeerbare gevolgen van de beslissing en de grote maatschappelijke repercussies daarvan, het belang van [geïntimeerde] onvoldoende spoedeisend is om toewijzing van zijn vorderingen te kunnen rechtvaardigen. Voorts heeft de voorzieningenrechter miskend dat de in de afwijzing van het gratieverzoek genoemde gronden voor weigering van het gratieverzoek in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, en dat deze gronden – bezien in onderlinge samenhang – wel degelijk voldoende zijn om van het hofadvies af te wijken. De Staat wijst er in dit verband op dat het oordeel over de vraag of al dan niet gratie wordt verleend, is voorbehouden aan de Kroon, en dat de rechter dit oordeel slechts terughoudend kan toetsen. De voorzieningenrechter heeft de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming (hierna: de minister) ten onrechte vol getoetst.

7. [geïntimeerde] heeft de grieven van de Staat bestreden, geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en veroordeling van de Staat in de reële proceskosten van [geïntimeerde] in beide instanties gevorderd.

Beoordeling van het hoger beroep

Spoedeisend belang

8. In grief 1 stelt de Staat – samengevat – dat de onderhavige zaak niet geschikt is voor een oordeel in kort geding, althans dat gelet op de onomkeerbare gevolgen van de beslissing en de grote maatschappelijke repercussies daarvan, het belang van [geïntimeerde] onvoldoende spoedeisend is om toewijzing van zijn vorderingen te kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt hierover als volgt.

9. De rechter in kort geding kan een voorziening treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn, indien het spoedeisend karakter bij die voorziening aanwezig is en de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door de billijke afweging van de belangen van partijen (HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1036; HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651; HR 8 februari 1946, NJ 1946, 166).

10. Het hof is van oordeel dat het feit dat de aan [geïntimeerde] opgelegde straf nog altijd

– (ook) in de thans bestaande vorm van transmuraal verlof – wordt geëxecuteerd, en dat hij in onzekerheid leeft over de vraag of, en zo ja wanneer die tenuitvoerlegging zal worden beëindigd, meebrengt dat er spoedeisend belang bestaat bij de gevraagde voorziening, en dat dit belang voldoende zwaarwegend is om ook een voorziening te kunnen rechtvaardigen waarvan de gevolgen onherstelbaar zijn.

11. Daarbij is van belang dat de Staat ter bestrijding van het spoedeisend belang weliswaar heeft gesteld dat een beslissing als de onderhavige niet overhaast moet worden genomen, maar niet heeft geconcretiseerd welke feiten of omstandigheden in de onderhavige procedure niet, en in een bodemprocedure wél zouden kunnen worden meegewogen.

12. Het voorgaande betekent dat grief 1 faalt. Het hof zal de vraag in hoeverre de burgerlijke rechter (in kort geding) kan ingrijpen in de bevoegdheid van de minister om al dan niet te komen tot een positieve gratiebeslissing bij de bespreking van grief 3 beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

13. Daarmee komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.

14. Het verlenen van gratie is een bevoegdheid van de Kroon. In artikel 122 van de Grondwet is bepaald dat gratie wordt verleend na advies van een bij wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Die voorschriften zijn neergelegd in de Gratiewet. In artikel 2 van de Gratiewet is – voor zover thans van belang – bepaald dat gratie kan worden verleend, indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

15. Artikel 4 van de Gratiewet bepaalt dat de minister advies moet inwinnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, alvorens over gratieverlening te beslissen. Het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, is bij het nemen van een beslissing omtrent gratieverlening in beginsel leidend (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, bevestigd in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600). Er dient immers voor te worden gewaakt dat het gratierecht op een wijze wordt uitgeoefend waardoor op ongepaste wijze in de rechtspraak zou worden ingegrepen. Het gratie-instrument strekt er niet toe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, doch om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd (Kamerstukken II, 1984-1985, 19 075, nrs. 1-3, p. 14-15). De wetgever heeft voor ogen gestaan dat in de beslissing op het gratieverzoek alleen kan worden afgeweken van het rechterlijk advies als zich bijzondere omstandigheden voordoen (vgl. Gerechtshof Den Haag 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952). Het moet daarbij gaan om (nieuwe) feiten of omstandigheden waarmee het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd in zijn advies over het gratieverzoek geen rekening heeft gehouden. Indien van een ander standpunt wordt uitgegaan, zou de minister immers zijn mening in plaats van die van het adviserend gerecht kunnen stellen en dat is, zoals zojuist overwogen, door de wetgever niet beoogd.

16. Wanneer een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, dient de verzoeker daarvan op grond van artikel 18 lid 2 Gratiewet onder opgaaf van redenen in kennis te worden gesteld. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185).

17. De burgerlijke rechter kan beoordelen of de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie, mede in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de motivering van die beslissing. De burgerlijke rechter dient bij dit oordeel terughoudendheid in acht te nemen.

18. De Staat voert in grief 2 aan dat in het hofadvies weliswaar is geadviseerd om [geïntimeerde] gratie te verlenen, maar dat de in het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek genoemde bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat van het hofadvies wordt afgeweken. Volgens de Staat heeft de voorzieningenrechter miskend dat de in de brief van 28 februari 2019 genoemde gronden voor weigering van het gratieverzoek in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, en dat deze gronden – bezien in onderlinge samenhang – wel degelijk voldoende zwaarwegend zijn om van het hofadvies af te wijken. Het gaat volgens de Staat in de afwijzing van het gratieverzoek in de kern om de situatie van de slachtoffers en nabestaanden, die volgens de laatst beschikbare informatie schrijnend en uitzonderlijk is, de kanttekening die bij het recidiverisico valt te plaatsen, mede op basis van recente informatie van de kliniek, en daartegenover het gegeven dat [geïntimeerde] door het transmurale verlof buiten de kliniek leeft en nog slechts beperkt met beperkingen van zijn vrijheid wordt geconfronteerd, en dat zijn situatie dus bepaald niet zonder perspectief en uitzichtloos is.

19. Naar het voorlopig oordeel van het hof zijn de redenen die in de afwijzing van het gratieverzoek worden gegeven om af te wijken van het hofadvies, niet van dien aard dat zij die afwijking kunnen rechtvaardigen. Zij houden veeleer een andere weging in van de in het hofadvies meegewogen belangen, dan dat zij daaraan (nieuwe) feiten en omstandigheden toevoegen die maken dat een afwijking van dat advies gerechtvaardigd is.

20. Met betrekking tot het recidiverisico voert de Staat aan dat er wel degelijk nieuwe omstandigheden zijn die niet in het hofadvies zijn verdisconteerd. Uit het evaluatierapport, dat dateert van na het hofadvies, volgt immers dat zich in het afgelopen jaar bij het transmuraal verlof meer problemen hebben voorgedaan dan in de eerdere jaren, en dat het zelfs nodig was om [geïntimeerde] tijdelijk terug te plaatsen in de kliniek. Dit is aldus de Staat relevant voor de beoordeling van het recidiverisico. Het hof stelt vast dat dit rapport niet ten grondslag is gelegd aan de afwijzing van het gratieverzoek. De inhoud van dat rapport kan dan ook niet maken dat de motivering van de afwijzing van het gratieverzoek – die het hof als onvoldoende heeft beoordeeld – alsnog aan de daaraan te stellen eisen zou voldoen. Overigens blijkt uit het evaluatierapport dat de tijdelijke terugplaatsing niet was ingegeven door een eventueel oplopend recidiverisico (bladzijde 12, laatste alinea en bladzijde 18, 5.5), en dat er volgens de kliniek “hop geen moment sprake [is] van potentieel risicovol gedrag of verhoging van het recidiverisico” (bladzijde 19, eerste zin). Daarnaast verdient aandacht dat in het evaluatierapport het vrijwillig steunnetwerk van [geïntimeerde] bij voorwaardelijke gratiëring ruimschoots voldoende is geacht. Het evaluatierapport lijkt dus ook inhoudelijk onvoldoende grond te bieden om het recidiverisico anders te beoordelen dan in het hofadvies is gebeurd.

21. Het hof komt tot de slotsom dat grief 2 faalt.

22. In grief 3 voert de Staat ten slotte aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de primaire vordering heeft toegewezen zoals in het dictum geformuleerd en de Staat ten onrechte in de kosten heeft veroordeeld. Het hof ziet zich daarmee gesteld voor de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, de vorderingen van [geïntimeerde] voor toewijzing in aanmerking komen. [geïntimeerde] vordert primair en subsidiair dat de Staat zal worden veroordeeld om op de voet van artikel 9 Gratiewet een voordracht te doen aan de Kroon, inhoudende dat [geïntimeerde] onvoorwaardelijk gratie zal worden verleend.

23. De Staat heeft echter in dit verband terecht aangevoerd dat het verlenen van gratie een bevoegdheid van de Kroon is. De inhoud van de gratiebeslissing kan dan ook niet door de rechter worden voorgeschreven. De primaire en subsidiaire vordering van [geïntimeerde] komen om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. Indien het hof een van die vorderingen zou toewijzen, zou het daarmee immers de Kroon voorschrijven hoe op het gratieverzoek zou moeten worden beslist, hetgeen niet past bij het karakter van het gratie-instrument. Dat geldt ook (zij het in mindere mate) indien het hof de Staat zou gelasten een voordracht te doen met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen. Grief 3 slaagt in zoverre.

24. Het hof zal daarom de Staat veroordelen om het gratieverzoek van [geïntimeerde] van 25 maart 2019 in behandeling te nemen en daarop binnen vier maanden na de onderhavige uitspraak te beslissen. Het hof merkt in dit verband op dat een nieuw advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd op grond van artikel 4 lid 4 aanhef en onder b Gratiewet formeel achterwege kan blijven, nu binnen een jaar voor de indiening van het gratieverzoek van 25 maart 2019 op [geïntimeerde] ’ eerdere gratieverzoek is beslist. Het hof geeft de Staat echter in overweging om het Hof Den Haag, als gerecht dat de straf heeft opgelegd, om een nader advies te vragen waarin het evaluatierapport wordt meegewogen. Voor de toewijzing van dwangsommen bestaat geen grond, omdat de Staat rechterlijke uitspraken pleegt na te komen.

Proceskosten

25. [geïntimeerde] vordert dat de Staat wordt veroordeeld in de reële proceskosten, omdat de Staat als bij uitstek deskundige partij in redelijkheid niet heeft kunnen menen dat de afwijzing van het gratieverzoek de toets der kritiek kon doorstaan. De opstelling van de Staat jegens [geïntimeerde] is volgens [geïntimeerde] als onrechtmatig aan te merken.

26. Deze vordering tot vergoeding van de reële proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake. De afwijzing van het gratieverzoek is uitvoerig gemotiveerd. Niet kan worden gezegd dat op voorhand duidelijk was, dat de kans nihil was dat die afwijzing in rechte stand zou houden, en dat de Staat zich daarom van die afwijzing had moeten onthouden. Ook overigens is het niet onrechtmatig dat de Staat het op de onderhavige procedure heeft laten aankomen of hoger beroep heeft ingesteld van het bestreden vonnis.

27. In het feit dat in hoger beroep een minder verstrekkende vordering is toegewezen dan in eerste aanleg, ziet het hof aanleiding om de kosten in beide instanties te compenseren.

28. Het door partijen geformuleerde bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat er in het kader van dit turbo-spoedappel geen ruimte voor nadere bewijslevering bestaat.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 april 2019 en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de Staat om het gratieverzoek van [geïntimeerde] van 25 maart 2019 in behandeling te nemen en daarop binnen vier maanden na deze uitspraak te beslissen;

- compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.J. van der Helm en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.