Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:116

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
22-004482-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op basis van genoemde verklaringen en de filmbeelden concludeert het hof dat de aangever, nadat hij uit zijn auto was gestapt, de verdachte op een agressieve wijze heeft benaderd. Hierbij heeft aangever ook een slaande beweging gemaakt.

Het hof is voorts van oordeel dat de reactie van de verdachte op het gedrag van aangever binnen de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit is gebleven. Dat alles maakt dat het beroep op noodweer slaagt.

Het hof ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004482-17

Parketnummer: 10-077476-17

Datum uitspraak: 18 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1998,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 4 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, waarvan negentig uren, subsidiair vijfenveertig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2017 te Rotterdam openlijk, te weten, op/aan de Strevelsweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door meermalen, althans eenmaal

- op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan/stompen en/of

- op/tegen/in de buik, althans op/tegen het lichaam te trappen/schoppen en/of

- te duwen en/of trekken en/of een knietje tegen het lichaam te geven;

subsidiair:

hij op of omstreeks 18 april 2017 te Rotterdam

[aangever] heeft mishandeld door deze op/tegen het gezicht althans hoofd en/of lichaam te slaan en/of een knietje tegen het lichaam te geven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,-, subsidiair acht dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan

–overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 18 april 2017 te Rotterdam [aangever] heeft mishandeld door deze op/tegen het gezicht althans hoofd en/of lichaam te slaan en/of een knietje tegen het lichaam te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte is aangevoerd dat aan hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt omdat hij zich moest verdedigen tegen de door de aangever jegens hem ingezette aanval.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De feitelijkheden, aangevoerd door de verdediging ter onderbouwing van het verweer, zijn voldoende aannemelijk geworden.

Het hof baseert dit oordeel op de inhoud van het strafdossier, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. In het bijzonder wordt gewezen op de inhoud van verschillende getuigenverklaringen, ook die in hoger beroep zijn afgelegd en de camerabeelden, opgenomen door getuige [getuige] met zijn mobiele telefoon, die ter terechtzitting in hoger beroep zijn afgespeeld.

Op basis van genoemde verklaringen en de filmbeelden concludeert het hof dat de aangever, nadat hij uit zijn auto was gestapt, de verdachte op een agressieve wijze heeft benaderd. Hierbij heeft aangever ook een slaande beweging gemaakt.

Gelet hierop was er voor de verdachte op dat moment sprake van een noodweersituatie waartegen hij zich mocht verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment geen andere optie zag dan zichzelf te verdedigen en heeft aangever een klap gegeven en zijn knie opgetrokken om de aanval af te weren.

Het incident heeft zich afgespeeld op een middenberm van twee drukke wegen waar auto’s reden. Het hof is van oordeel dat gelet hierop van de verdachte op dat moment niet gevergd kon worden zich aan de situatie te onttrekken.

Het hof is voorts van oordeel dat de reactie van de verdachte op het gedrag van aangever binnen de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit is gebleven.

Dat alles maakt dat het beroep op noodweer slaagt.

De verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 528,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 528,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Verklaart de benadeelde partij [aangever]

niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. O.E.M. Leinarts en mr. F.W. van Lottum, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2019.