Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1156

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
200.247.123/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot leggen conservatoire beslagen deels toegewezen op grond van summierlijk blijken van vorderingsrecht gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.247.123/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/558194/KG RK 18-1180

beschikking van 14 mei 2019

inzake

DB Vertrieb GmbH,

gevestigd te Frankfurt, Duitsland,

appellante,

nader te noemen: DB,

advocaat: mr. M.G.J. Smit te Rotterdam,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te Delft,

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd te Delft,

3. [geïntimeerde 3],

gevestigd te Delft,

geïntimeerden,

hierna te noemen respectievelijk: [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3], en samen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.L. Pit te Wassenaar.

Het geding

Bij beroepsschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 22 oktober 2018, is DB, onder aanvoering van vijf grieven, in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2018, waarbij het verzoek tot het verlenen van verlof om een aantal conservatoire beslagen op diverse zaken en onder verscheidene derden te leggen, is afgewezen (hierna: de bestreden beschikking). [geïntimeerden] hebben een verweerschrift met producties ingediend. Op 1 april 2019 is de zaak mondeling behandeld. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Op de mondelinge behandeling is een datum voor de beschikking bepaald.


Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

DB heeft in 2010 een charterovereenkomst gesloten met Euro-Express-Treincharter B.V. (hierna: EETC) in het kader waarvan DB voor EETC in Duitsland verrichte diensten in rekening heeft gebracht. EETC exploiteerde tot 2014 autoslaaptreinen naar Slovenië en Italië en tot maart 2015 twee ‘Alpen Express’-treinen naar Oostenrijk. DB leverde de zogenoemde tractie (het trekken van de door EETC gebruikte reisvoertuigen door locomotieven van DB).

1.2

DB en EETC hadden een geschil met elkaar over de betaling van openstaande facturen van DB en de door EETC, volgens haar ten onrechte, betaalde BTW over de al betaalde facturen van DB. EETC heeft vanaf augustus 2013 de van DB ontvangen facturen voor de verleende diensten niet betaald. DB heeft de overeenkomst met EETC eind december 2013 opgezegd. Op 6 maart 2015, gerectificeerd op 18 maart 2015, heeft het Landgericht Frankfurt am Main (hierna: het Landgericht) vonnis gewezen en DB in conventie veroordeeld tot betaling van € 366.277,59, vermeerderd met rente aan EETC,

en EETC in reconventie veroordeeld tot betaling van € 420.958,91, vermeerderd met rente aan DB. Aan dat vonnis ligt het oordeel ten grondslag dat DB gehouden is haar facturen aan EETC zonder BTW te belasten, zodat zij de door EETC aan haar betaalde BTW terug moet betalen, en dat EETC de facturen van DB die zij onbetaald heeft gelaten, alsnog moet betalen.
DB heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. EETC is vervolgens bij vonnis van het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hierna: het OBG) van 2 februari 2016 veroordeeld tot betaling aan DB van € 500.941,09, vermeerderd met rente. Aan dat vonnis ligt het oordeel ten grondslag dat de facturen van DB aan EETC juist waren omdat zij daarbij terecht de BTW in rekening heeft gebracht. Naar aanleiding van dit vonnis is EETC op 24 mei 2016 en 23 juni 2016 door het Landgericht veroordeeld in de kosten van respectievelijk € 18.491,27 en € 13.428,-.

1.3

EETC is de veroordeling van het OBG en de kostenveroordelingen van het Landgericht niet nagekomen, zulks met uitzondering van een bedrag van € 114,94 dat is betaald in het kader van een executoriaal beslag dat tot dat bedrag doel heeft getroffen.

1.4

De aandelen van [geïntimeerde 2] zijn in 2004 gecertificeerd en worden gehouden door [geïntimeerde 3]. [geïntimeerde 1] is de enige certificaathouder en enig bestuurder van [geïntimeerde 3]. [geïntimeerde 2] hield tot 21 oktober 2014 alle aandelen in EETC en was daarvan ook (enig) bestuurder. Op genoemde datum heeft [geïntimeerde 2] 1% van haar aandelen in EETC overgedragen aan [geïntimeerde 1] en is [geïntimeerde 1] in de plaats van [geïntimeerde 2] (enig) bestuurder van EETC geworden. [geïntimeerde 1] is verder (enig) bestuurder van [geïntimeerde 2]

1.5

DB heeft zich bij nagenoeg gelijkluidende verzoekschriften van respectievelijk 30 oktober 2017 en 12 april 2018 gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag met het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerden] DB heeft daaraan, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] uit hoofde van bestuurders- dan wel aandeelhoudersaansprakelijkheid aansprakelijk zijn voor de door DB geleden schade veroorzaakt doordat EETC de veroordeling door het OBG en de kostenveroordelingen (vrijwel geheel) niet is nagekomen.

De voorzieningenrechter heeft bij beschikkingen van respectievelijk 7 november 2017 en 1 mei 2018 de verzoeken afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in beide beschikkingen overwogen, kort gezegd, dat DB niet aannemelijk heeft gemaakt dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor de door DB geleden schade.

1.6

Bij kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 20 september 2018 tussen DB enerzijds en EETC en [geïntimeerden] anderzijds heeft de voorzieningenrechter geoordeeld, kort gezegd, dat DB er een rechtmatig belang bij heeft om te kunnen vaststellen of er mogelijk sprake is geweest van selectieve betaling en op die grond zijn EETC, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onder andere veroordeeld aan DB bankafschriften van EETC over de periode vanaf medio 2013 tot medio 2016 te verstrekken.


2. Bij verzoekschrift van 10 augustus 2018 heeft DB opnieuw aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag. Zij heeft daarin verzocht beslag te mogen leggen ten laste van [geïntimeerde 1] op roerende zaken, op een onroerende zaak en op aandelen en onder derden en ten laste van [geïntimeerde 2] op een onroerende zaak, op aandelen en onder derden en ten laste van [geïntimeerde 3] op aandelen en onder een derde.

2.1

Bij de bestreden beschikking heeft de voorzieningenrechter overwogen, kort gezegd, dat hij geen aanleiding ziet voor een ander oordeel op het verzoek dan in de eerdere beschikkingen van 7 november 2017 en 1 mei 2018. De voorzieningenrechter heeft daartoe verwezen naar wat in die eerder beschikkingen is overwogen. Verder is geoordeeld dat DB de (volgens haar) nieuwe stelling, dat zij sterke aanwijzingen heeft dat zij als enige schuldeiser van EETC bewust wordt achtergesteld, niet nader heeft geconcretiseerd en niet meer heeft aangevoerd dan in de eerdere verzoekschriften. Het door DB aanhangig gemaakte kort geding, met als doel inzicht in en afschrift te krijgen van bepaalde stukken om haar stelling nader te kunnen onderbouwen, kwalificeert naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid op grond waarvan de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] aannemelijk is te achten.

2.2

DB kan zich niet vinden in de afwijzing van het verzoek in de bestreden beschikking en komt daartegen in hoger beroep op. DB vordert in dit hoger beroep dat de verzochte toestemming voor conservatoire beslagen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

2.3

[geïntimeerden] concluderen tot bekrachtiging van de bestreden beschikking dan wel tot afwijzing van de verzoeken van DB.

3. Het hof stelt voorop dat de voorzieningenrechter bij de bestreden beschikking het verzoek van DB heeft afgewezen (mede) met verwijzing naar de gronden die bij de eerdere beschikkingen aan de afwijzing van de verzoeken van DB ten grondslag zijn gelegd (r.o. 3.2 en 3.3 van de bestreden beschikking). Dit betekent dat ook bedoelde afwijzingsgronden door dit hoger beroep worden bestreken.

4. In grief I stelt DB aan de orde dat volgens haar stelling de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als (indirect) bestuurders van EETC erop is gebaseerd dat zij actief hebben gehandeld om de verhaalsmogelijkheden voor DB op EETC te beperken, onder meer doordat zij hebben toegelaten dat schuldeisers van EETC ongelijk zijn behandeld. In haar toelichting bij deze grief brengt DB naar voren dat EETC anderen wel heeft betaald. In haar bij brief van 16 maart 2019 toegezonden akte overlegging nadere producties heeft DB in dat verband, onder verwijzing naar de door haar bij de griffie van het hof gedeponeerde bankafschriften van EETC over de jaren 2013 tot en met 2015, die zij heeft verkregen naar aanleiding van het hiervoor genoemde kortgedingvonnis van 20 september 2018, in het bijzonder gesteld dat EETC in de periode 2013-2015 in totaal € 4.312.730,60 aan [geïntimeerde 2] heeft betaald.

4.1

Op grond van het vonnis van het OBG van 2 februari 2016 staat vast dat EETC aan DB een bedrag is verschuldigd van € 500.941,09, te vermeerderen met rente. Op grond van de vonnissen van het Landgericht van 24 mei 2016 en 23 juni 2016 is EETC daarnaast bedragen van € 18.491,27 respectievelijk € 13.428,- aan proceskosten aan DB verschuldigd. Ook staat vast dat EETC tot op heden de verschuldigde bedragen (vrijwel geheel) niet aan DB heeft betaald. Het gaat in dit geval dus om benadeling van een schuldeiser (DB) van een vennootschap (EETC) door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Uitgangspunt is dat enkel de vennootschap zelf door de schuldeiser wordt aangesproken voor het onbetaald laten van een vordering; het is immers een vordering op de vennootschap. Naast de aansprakelijkheid van de vennootschap zal bij uitzondering mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (1) namens de vennootschap heeft gehandeld of (2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. In de onder (2) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als vast komt te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).
Naar het oordeel van het hof is in dit geval inmiddels summierlijk gebleken van een situatie zoals hiervoor onder (2) bedoeld. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.1.1

Desgevraagd is namens [geïntimeerden] ter zitting toegelicht dat (a) [geïntimeerde 2] in 2008-2009 leningen heeft verstrekt aan EETC in verband met exploitatieverliezen, (b) het concern in 2004-2005 al verliesgevend was, (c) de schuldeisers dit niet wisten en gewoon zijn betaald, en (d) EETC haar activiteiten in de periode 2013-2015 stapsgewijs volledig heeft afgebouwd. Niet weersproken is verder dat EETC al haar schuldeisers met uitzondering van DB had voldaan op het moment dat de bedrijfsactiviteiten volledig waren afgebouwd, EETC vanaf 2015 geen betalingen meer heeft verricht en EETC onvoldoende middelen heeft om DB te betalen.

4.1.2

De verschuldigdheid van BTW over de facturen van DB was vanaf 2013 tot 2 februari 2016 onderwerp van een gerechtelijke procedure waarbij EETC partij was. In die periode was eerst [geïntimeerde 2] en later [geïntimeerde 1] (statutair) bestuurder van EETC. [geïntimeerde 1] is daarnaast ook enig bestuurder van [geïntimeerde 2]. In die hoedanigheid hadden [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] als (indirect) bestuurders inzicht en zeggenschap in het beleid en de financiën van EETC en waren zij intensief betrokken bij de besluitvorming binnen EETC. In de periode dat de gerechtelijke procedure liep, zijn de bedrijfsactiviteiten van EETC volledig afgebouwd. Het afbouwen van de bedrijfsactiviteiten bracht mee dat de bestuurders zich de belangen van de schuldeisers van EETC in gelijke mate dienden aan te trekken. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] hebben van een dergelijke evenwichtige belangenbehartiging echter geen blijk gegeven. Niet in geschil is dat van alle schuldeisers van EETC alleen DB niet is voldaan. Evenmin zijn de door DB voor haar dienstverlening bij EETC in rekening gebrachte bedragen betwist. Ook is niet in geschil dat DB zich tegenover EETC op het standpunt stelde dat EETC de BTW over de facturen van DB niet onbetaald mocht laten en dat daarom geen verrekening door EETC kon plaatsvinden in verband met haar vermeende vordering tot terugbetaling van de BTW die zij reeds aan DB had betaald. Over de vraag of verrekening wel of niet mocht plaatsvinden, werd vervolgens geprocedeerd. Zolang op dat geschil nog niet onherroepelijk was beslist, hadden [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] er rekening mee moeten houden dat EETC wat haar standpunt met betrekking tot de BTW betreft in het ongelijk zou worden gesteld en zou worden veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen van DB.
In plaats daarvan hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bewerkstelligd of toegelaten dat EETC in de periode 2013-2015 alle overige schuldeisers heeft betaald en daarnaast aanzienlijke bedragen, tot een totaal bedrag van € 4.312.730,60, aan [geïntimeerde 2] heeft betaald. Anders dan [geïntimeerden] bij pleidooi hebben aangevoerd, gaat het niet om betalingen tot en met januari 2014, maar zijn ook na die datum nog zeer aanzienlijke bedragen van de bankrekeningen van EETC aan [geïntimeerde 2] betaald (zie prod. 18 akte overlegging nadere producties van DB), terwijl niet is gebleken van een grondslag voor die betalingen aan [geïntimeerde 2]. Immers, naar eigen zeggen van [geïntimeerden] heeft [geïntimeerde 2] in de periode voorafgaand aan 2013 die bedragen aan EETC geleend in verband met verliescompensatie. Van betalingen van [geïntimeerde 2] aan EETC, ter zake van een door [geïntimeerden] gestelde overeenkomst van geldlening en uit dien hoofde bestaande terugbetalingsplicht van EETC, op grond waarvan EETC de betalingen aan [geïntimeerde 2] in de periode 2013-2015 heeft verricht, is niet gebleken.

4.1.3

Uit het voorgaande volgt dat, terwijl sprake was van een situatie dat de bedrijfsactiviteiten van EETC werden afgebouwd en uiteindelijk zijn beëindigd, de andere schuldeisers van EETC dan DB zijn voldaan zonder dat een voorziening werd getroffen voor de mogelijke vordering van DB op EETC en zonder dat voor een voorkeursbehandeling van [geïntimeerde 2] boven DB een rechtvaardigingsgrond bestond (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:829). [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben aldus bewerkstelligd of toegelaten dat EETC haar verplichtingen jegens DB niet kon nakomen. Daarmee is in het kader van artikel 700 Rv het hof voldoende gebleken dat zij zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat hen daarvan als (indirect) bestuurders van EETC een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2

Het voorgaande betekent dat summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van DB op zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2]. Grief I slaagt daarom.

5. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of DB een vorderingsrecht op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft vanwege een of meer van de andere door haar aangevoerde gronden geen beoordeling. Het hof komt daarom niet toe aan een bespreking van de grieven II en IV.

6. In grief III stelt DB de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 3] aan de orde. De aansprakelijkheid van [geïntimeerde 3] bestaat er volgens DB uit dat [geïntimeerde 3], door het nemen van de beslissing om bestuurder van [geïntimeerde 2] te worden en/of de aandelen van [geïntimeerde 2] over te nemen, de keuze heeft gemaakt om verhaalsmogelijkheden op EETC te onttrekken.

6.1

Het hof is van oordeel dat DB onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit summierlijk blijkt van een vorderingsrecht van DB op [geïntimeerde 3]. Er kan geen aansprakelijkheid van [geïntimeerde 3] als bestuurder worden aangenomen, nu [geïntimeerde 3] geen (indirect) bestuurder van [geïntimeerde 2] of EETC is (geweest). Voor zover DB [geïntimeerde 3] betrokkenheid verwijt bij het door haar bedoelde ‘verhangen van aandelen’ van [geïntimeerde 2] naar [geïntimeerde 3] is het hof niet duidelijk geworden waar DB op doelt en is deze stelling in elk geval niet (deugdelijk) onderbouwd. Als gedoeld wordt op het feit dat de aandelen in [geïntimeerde 2] in 2004 zijn gecertificeerd levert dit in elk geval geen grond op voor aandeelhouders- dan wel bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde 3]. Grief III faalt derhalve.

7. Grief V heeft geen zelfstandige betekenis.

8. Omdat grief III faalt, wordt de bestreden beschikking bekrachtigd, voor zover daarin het verzoek van DB om conservatoir beslag te mogen leggen ten laste van [geïntimeerde 3] is afgewezen.

9. Ter zitting hebben [geïntimeerden] nog het verweer gevoerd dat geen sprake is van een vrees voor verduistering en dat de gevraagde beslagen disproportioneel zijn.
Het hof is van oordeel dat DB voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de vrees is gerechtvaardigd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zaken, meer in het bijzonder onroerende zaken, onder meer in het kader van een boedelscheiding, aan het vermogen en daarmee voor verhaal zullen onttrekken en zonder dat daaruit de vordering van DB zal worden voldaan. Daarnaast acht het hof de verzochte beslagen, mede gelet op de omvang van de vordering van DB, niet dermate omvangrijk dat een afweging van de betrokken belangen zou moeten leiden tot afwijzing van het gevraagde verlof dan wel een beperking in het aantal beslagobjecten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat eerst na het verkrijgen van een executoriale titel door DB blijkt wat de beslagen werkelijk waard zijn geweest. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben ten slotte ook geen bijzondere belangen aan hun kant naar voren gebracht die zwaarder dienen te wegen dan het belang van DB om zekerheid te verkrijgen tot voldoening van haar vordering.

10. De bestreden beschikking, voor zover gegeven tussen DB enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds, zal dan ook worden vernietigd en de verzoeken zullen ten laste van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden toegewezen.

10.1

De aanstelling van een gerechtelijk bewaarder zal worden toegewezen als verzocht.

10.2

De vordering zal worden begroot op € 669.432,43. Er moest rekening mee worden gehouden dat EETC uiteindelijk zou worden veroordeeld tot betaling van € 500.941,09 (zie r.o. 4.1.2). De kostenveroordelingen bij vonnissen van het Landgericht van 24 mei 206 en 23 juni 2016 van respectievelijk € 18.491,27 en € 13.428,- zijn verder niet betwist. De hoofdsom komt daarmee op € 532.860,36. De rente en kosten worden conform het in de beslagsyllabus te lezen besluit van het LOVC van 13 juni 2008 begroot op € 136.572,07.

10.3

De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak zal worden bepaald op veertien dagen na het eerst gelegde beslag. DB heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding geven een langere termijn te bepalen. Dat DB in het buitenland is gevestigd, levert daartoe onvoldoende grond op. Gelet op de mogelijkheid om ingevolge de tweede zin van artikel 700 lid 3 Rv verlenging van de termijn te verzoeken, is ook onvoldoende dat het beslag mogelijk tot een minnelijke regeling leidt.

10.4

Het verzoek om het beslagverlof meerdere malen te gebruiken, zal worden toegewezen als in het dictum bepaald.

10.5

Het verzoek om het gevraagde verlof uitvoerbaar te verklaren op de minuut zal worden afgewezen. Op grond van artikel 290 lid 3 Rv wordt van een beschikking een afschrift of een afschrift in executoriale vorm (grosse) afgegeven. Met de afgegeven grosse kan DB tot beslaglegging overgaan.

10.6

Het verzoek om het gevraagde verlof uitvoerbaar te verklaren op alle dagen en uren zal ook worden afgewezen, omdat DB dat verzoek niet heeft onderbouwd.

11. In de hoofdzaak kan worden beslist over de gevorderde beslagkosten (artikel 706 Rv).

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2018 voor zover tussen DB enerzijds en [geïntimeerde 3] anderzijds gegeven en vernietigt deze beschikking voor zover gegeven tussen DB enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir beslag roerende zaken ten laste van [geïntimeerde 1] op:

( a) de zwarte Mercedes Benz type S500 met kenteken [kenteken 1];

( b) de grijze Citroën type DE 1 BC DS 23 INJ met kenteken [kenteken 2];

en beveelt de gerechtelijke bewaring van deze roerende zaken, met benoeming van een van de gerechtsdeurwaarders van Gerechtsdeurwaarderskantoor Van Beest, Knol & Vermeulen te Delft tot gerechtelijk bewaarder;

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir beslag onroerende zaken ten laste van [geïntimeerde 1] op:

( a) het onverdeelde aandeel van de aan [geïntimeerde 1] in eigendom toebehorende onroerende zaak, gelegen te ([adres 1]);

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van [geïntimeerde 1] onder:

( a) de Ontvanger van de Belastingdienst onder meer gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag, aan de Prinses Beatrixlaan 512 op eventuele teruggave uit hoofde van Omzetbelasting (BTW), Dividendbelasting, Sociale premies, Loonbelasting, Inkomstenbelasting, Premies Volksverzekering, Vennootschapsbelasting, Heffingskorting, enzovoorts;

( b) de besloten vennootschap [geïntimeerde 2] statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op [geïntimeerde 2] heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of onder

die onder [geïntimeerde 2] berusten;

( c) de besloten vennootschap Euro-Express-Treincharter B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op EETC heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of order

die onder EETC berusten;

( d) [geïntimeerde 3] Stichting Administratiekantoor [geïntimeerde 1], statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op [geïntimeerde 3] heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of order die onder [geïntimeerde 3] berusten;

( e) de besloten vennootschap Train Logistics Amsterdam B.V. (hierna: TLA), statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op TLA heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of order die onder TLA berusten;

( f) de besloten vennootschap Rail Rolling Stock B.V. (hierna: RRS), statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op RRS heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of order die onder RRS berusten;

( g) de besloten vennootschap EETC Vakantietreinen B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op EETC Vakantietreinen heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan

toonder en/of order die onder EETC Vakantietreinen berusten;

( h) de besloten vennootschap Fit in Shape Delft B.V. statutair gevestigd aan de [adres 1] op alle vorderingen die [geïntimeerde 1] op Fit in Shape Delft heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 1] toebehorende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of order die onder Fit in Shape Delft berusten;

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir beslag aandelen ten laste van [geïntimeerde 1] op:

( a) de thans door [geïntimeerde 1] gehouden aandelen in het kapitaal van Euro-Express-Treincharter B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], en de daaruit voortvloeiende baten;

( b) de door [geïntimeerde 1] gehouden aandelen in het kapitaal van Fit in Shape Delft B.V., statutair gevestigd aan de [adres 1] en de daaruit voortvloeiende baten;

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir beslag onroerende zaken ten laste van [geïntimeerde 2] op:

( a) het onverdeelde aandeel van de aan [geïntimeerde 2] in eigendom toebehorende onroerende zaak, gelegen te ([adres 3], inclusief bijbehorende parkeerplaats gelegen te [adres 3];

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van [geïntimeerde 2] onder:

( a) de Ontvanger van de Belastingdienst onder meer gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag, aan de Prinses Beatrixlaan 512 op eventuele teruggave uit hoofde van Omzetbelasting (BTW), Dividendbelasting, Sociale premies, Loonbelasting, Inkomstenbelasting, Premies Volksverzekering, Vennootschapsbelasting, Heffingskorting, enzovoorts;

( b) de besloten vennootschap Train Logistics Amsterdam B.V. (hierna: TLA), statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 2] op TLA heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 2] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of Order die onder TLA berusten;

( c) de besloten vennootschap Rail Rolling Stock B.V. (hierna: RRS), statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 2] op RRS heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 2] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan toonder en/of order die onder RRS berusten;

( d) de besloten vennootschap EETC Vakantietreinen B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], op alle vorderingen die [geïntimeerde 2] op EETC Vakantietreinen heeft en ook uit de reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, en/of op alle aan [geïntimeerde 2] toebehorende roerende zaken en niet-registergoederen en rechten aan

toonder en/of order die onder EETC Vakantietreinen berusten;

- verleent DB verlof tot het leggen van conservatoir beslag aandelen ten laste van [geïntimeerde 2] op:

( a) de thans door [geïntimeerde 2] gehouden aandelen in het kapitaal van Train Logistics Amsterdam B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], en de daaruit voortvloeiende baten;

( b) de thans door [geïntimeerde 2] gehouden aandelen in het kapitaal van Rail Rolling Stock B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], en de daaruit voortvloeiende baten;

( c) de thans door [geïntimeerde 2] gehouden aandelen in het kapitaal van EETC Vakantietreinen B.V., statutair gevestigd aan de [adres 2], en de daaruit voortvloeiende baten;

- bepaalt dat het ten deze verleende verlof voor wat betreft de derdenbeslagen (artikel 718 Rv) ten hoogste drie keer voor elk derdenbeslag mag worden gebruikt en beperkt de termijn waarbinnen dat mag gebeuren tot dertig dagen na het op basis van deze beschikking eerst gelegde beslag;

- begroot de vordering waarvoor het beslagverlof wordt verleend, met inbegrip van rente en kosten, op € 669.432,43;

- bepaalt dat de eis in de hoofdzaak moet zijn ingesteld binnen veertien dagen na het op basis van deze beschikking eerst gelegde beslag;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.M.E. Arpeau, J. van der Kluit en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.