Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1078

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
200.229.422/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in hoger beroep. Bestaan van vof eindigt niet door haar ontbinding. Geen sprake van betaling zonder rechtsgrond abi art. 6:203 BW. Onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor aansprakelijkheid uhv onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2019-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.229.422/01

Rolnummer rechtbank : C/10/518835 / HA ZA 17-71

arrest van 7 mei 2019

in de zaak van

v.o.f. [appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. P.J. van den Hoogen te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.K. Tsui te Rotterdam.

Het geding

1.1

Bij appeldagvaarding van 4 mei 2017 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het op 15 februari 2017 tussen [appellante] als eiseres en [Y] (h.o.d.n. [naam van bedrijf] ) en [geïntimeerde] als gedaagden gewezen (verstek)vonnis van de rechtbank Rotterdam.

1.2

Bij arrest van 23 januari 2018 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.3

Bij memorie van grieven, met producties, heeft [appellante] één grief aangevoerd.

1.4

[geïntimeerde] heeft de grief bij memorie van antwoord bestreden.

1.5

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is een datum voor uitspraak arrest bepaald.

De ontvankelijkheid en de beoordeling van het hoger beroep

2.1

Het hof gaat uit van de volgende, als vaststaand aan te merken feiten.

i. i) [appellante] heeft op 17 februari 2015 een overeenkomst gesloten met een persoon h.o.d.n. [naam van bedrijf] (hierna: [naam van bedrijf] ). Volgens de inleidende dagvaarding betrof deze persoon mevrouw [X] . In hoger beroep is gebleken dat deze persoon de heer [Y] is. [Y] is de ex-partner van [X] en de zoon van [geïntimeerde] .

ii) De overeenkomst strekt tot levering van Heineken Laagse bier (hierna: het bier) door [naam van bedrijf] aan [appellante] , tegen betaling door [appellante] van een koopsom van in totaal € 52.300,80. De bijbehorende factuur houdt met betrekking tot de betaling het volgende in:

‘Bedrag incl. BTW € 52300.80

Bankrekening nr. [rekeningnummer] naam: [geïntimeerde]

AANBETALING 50% RESTBETALING NA INSPECTIE

[Y] heeft [naam toenmalig vennoot] van [appellante] , desgevraagd verteld dat het in de factuur vermelde rekeningnummer het bankrekeningnummer van zijn moeder ( [geïntimeerde] ) was.

iii) Op 18 februari 2015 heeft [appellante] € 26.150,40 (aan)betaald door overmaking op de bankrekening van [geïntimeerde] .

iv) De mondeling overeengekomen leveringstermijn van twaalf dagen heeft [naam van bedrijf] laten verstrijken zonder het bier aan [appellante] af te leveren.

v) Bij brief van 21 maart 2016, gericht aan ‘ [Y] ’, heeft de advocaat van [appellante] [naam van bedrijf] in gebreke gesteld en de overeenkomst voorwaardelijk ontbonden. [naam van bedrijf] heeft het bier niet alsnog afgeleverd. De advocaat van [appellante] heeft vervolgens bij brief van 31 maart 2016, wederom gericht aan ‘ [Y] ’, bevestigd dat de overeenkomst is ontbonden en verzocht het door [appellante] betaalde bedrag van € 26.150,40 over te maken op zijn derdengeldrekening. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven.

vi) Bij brief van 24 oktober 2016 heeft de advocaat van [appellante] een soortgelijk verzoek gericht aan [geïntimeerde] en bij brief van 9 december 2016 aan ‘ [X] ’. Aan deze verzoeken is evenmin gevolg gegeven.

vii) Op 31 december 2016 is [appellante] ontbonden.

2.2

In eerste aanleg heeft [appellante] zowel [X] (h.o.d.n. [naam van bedrijf] ) als [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd, kort weergegeven, dat

I) [X] wordt veroordeeld tot betaling van € 26.150,40 op grond van een ongedaanmakingsverbintenis, subsidiair tot schadevergoeding op grond van toerekenbare niet-nakoming;

II) meer subsidiair, [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 26.150,40 op grond van onverschuldigde betaling;

III) ‘meer meer subsidiair’, [X] en [geïntimeerde] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 26.150,40 op grond van onrechtmatige daad.

2.3

Bij het verstekvonnis waarvan beroep is de primaire, tegen [X] gerichte vordering toegewezen. Voor zover de vordering van [appellante] was gericht tegen [geïntimeerde] , is zij afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aangezien de primaire vordering toewijsbaar is, zij niet meer toekomt aan de beoordeling van de vordering op [geïntimeerde] .

2.4

In een verzetprocedure tussen [X] en [naam toenmalig vennoot] , in zijn hoedanigheid van voormalig vennoot van [appellante] , heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 4 oktober 2017 het verstekvonnis van 15 februari 2017 – naar het hof begrijpt: voor zover gewezen tussen [appellante] en [X] – vernietigd en, opnieuw beslissend, de vorderingen van [appellante] (voor zover gericht tegen [X] ) afgewezen.

3.1

Onder aanvoering van twee gronden betoogt [geïntimeerde] dat [appellante] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. De eerste grond houdt kort weergegeven in dat [appellante] door de wijze waarop zij haar eis in eerste aanleg heeft geformuleerd, het procesrisico heeft genomen dat de rechtbank niet is toegekomen aan de beoordeling van haar (subsidiaire) vordering op [geïntimeerde] , met als gevolg dat er geen (veroordelend) vonnis tegen [geïntimeerde] is gewezen waarvan [appellante] in hoger beroep zou kunnen komen. Dit standpunt miskent echter dat het vonnis van 15 januari 2017 wel degelijk ook betrekking heeft op [geïntimeerde] . Het is immers gewezen tussen [appellante] als eiseres en [Y] (h.o.d.n. [naam van bedrijf] ) en [geïntimeerde] als gedaagden en de tegen [geïntimeerde] gerichte vordering is daarbij afgewezen. Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat voor de ontvankelijkheid van [appellante] in hoger beroep is vereist dat de vordering tegen [geïntimeerde] in eerste aanleg inhoudelijk zou zijn beoordeeld en/of dat (ook) [geïntimeerde] zou zijn veroordeeld, vindt dat betoog geen steun in het recht.

3.2

Als tweede grond voor niet-ontvankelijkverklaring voert [geïntimeerde] aan dat [appellante] sinds 31 december 2016 is opgehouden te bestaan en dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat [appellante] in hoger beroep is gegaan of nog belang daarbij heeft, dat mr. Van den Hoogen daartoe door [appellante] was gemachtigd en dat de heer [naam toenmalig vennoot] (of: [naam toenmalig vennoot] ) als rechtsopvolger van [appellante] optreedt. Dit betoog gaat evenmin op. Het verliest uit het oog dat het bestaan van een vennootschap onder firma (als [appellante] ) niet eindigt door haar ontbinding; zij blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van het vennootschappelijk vermogen nodig is en zij kan daarom als zodanig in rechte blijven optreden. [appellante] heeft tegen [geïntimeerde] een vordering ingesteld die bij het vonnis waarvan beroep is afgewezen. Daarmee pretendeert [appellante] een bate en heeft zij in verband met de vereffening van haar vermogen belang bij dit (blijkens de appeldagvaarding:) door haar ingestelde hoger beroep. Dat de vereffening zou zijn voltooid, is door [geïntimeerde] niet gesteld en evenmin gebleken. Uit de inhoud van het dossier blijkt verder dat mr. Van den Hoogen zich in hoger beroep voor [appellante] heeft gesteld en dat [naam toenmalig vennoot] voormalig vennoot van [appellante] is. [geïntimeerde] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat [naam toenmalig vennoot] als rechtsopvolger van [appellante] kan optreden, maar niet dat [naam toenmalig vennoot] de bevoegdheid zou missen om, zoals hij heeft gedaan, met het oog op deze procedure (ter comparitie) op te treden namens [appellante] .

3.3

Naar het oordeel van het hof is [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep.

4.1

[appellante] beoogt met het door haar ingestelde hoger beroep de zaak in volle omvang ter beoordeling van het hof voor te leggen. Zij concludeert tot vernietiging van het (tussen haar en [geïntimeerde] gewezen) vonnis van 15 februari 2017 en tot veroordeling (alsnog) van [geïntimeerde] tot betaling van € 26.150,40, met rente en kosten. Het hoger beroep faalt echter. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.2

[appellante] legt aan haar vordering op [geïntimeerde] in de eerste plaats ten grondslag dat zij de geldsom van € 26.150,40 zonder rechtsgrond aan [geïntimeerde] heeft betaald. Van een betaling zonder rechtsgrond in de zin van art. 6:203 BW is echter geen sprake. [appellante] heeft immers het bedrag bij wijze van aanbetaling overgemaakt op de bankrekening van [geïntimeerde] zoals [appellante] met [Y] was overeengekomen. De overeenkomst tussen [appellante] en [Y] rechtvaardigt de betaling aan [geïntimeerde] . Uit de overeenkomst volgt dat tussen [appellante] en [geïntimeerde] een rechtsverhouding bestond, in die zin dat [appellante] door betaling aan [geïntimeerde] gekweten zou zijn van haar schuld aan [Y] . De vordering uit onverschuldigde betaling is daarom niet toewijsbaar.

4.3

Voor het geval de vordering uit onverschuldigde betaling niet kan worden toegewezen, stelt [appellante] zich op het standpunt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Daartoe voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] willens en wetens een risico heeft genomen doordat zij, zonder kennis te hebben genomen van haar bankrekening(saldo), haar bankpas ter beschikking heeft gesteld aan haar zoon ( [Y] ). Deze omstandigheid als zodanig kan echter niet tot het oordeel leiden dat [geïntimeerde] jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is uit hoofde van art. 6:162 BW. De in de inleidende dagvaarding (nr. 13) betrokken stelling dat [X] en [geïntimeerde] onrechtmatig hebben gehandeld door [appellante] een factuur te sturen op naam van het bedrijf van [X] , [appellante] een bedrag te laten storten op de aangegeven bankrekening van [geïntimeerde] en vervolgens het bier niet te leveren, waarbij [X] en [geïntimeerde] hebben samengespannen, kan evenmin tot dat oordeel leiden, ook al omdat deze stelling wat betreft het samenspannen niet is onderbouwd (ook niet als voor [X] [Y] wordt gelezen). Dat het saldo van de bankrekening van [geïntimeerde] is toegenomen en/of dat [geïntimeerde] voordeel heeft genoten als gevolg van de wanprestatie door [Y] – het hof begrijpt: het niet-nakomen van de verbintenis tot levering van het bier – valt niet zonder meer in te zien. Daarvan kan immers niet de wanprestatie door [Y] als oorzaak worden aangemerkt, maar de afspraak tussen [appellante] en [Y] om de aanbetaling op de bankrekening van [geïntimeerde] over te maken. Bovendien kan niet van een door [geïntimeerde] genoten voordeel worden gesproken als het bedrag waarmee het bankrekeningsaldo is toegenomen vervolgens is opgenomen door [Y] (of in ieder geval niet door [geïntimeerde] zelf), zoals [geïntimeerde] ter comparitie heeft verklaard en [appellante] niet gemotiveerd heeft weersproken. Ook verder heeft [appellante] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door te profiteren van de wanprestatie van [Y] . Het hof gaat ervan uit dat hiermee tevens [appellante] ’s beroep op de door haar zo genoemde paardensprongtheorie is verworpen.

4.4

Het voorgaande wordt niet anders indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de heer […] op 26 september 2016 met [geïntimeerde] de situatie heeft besproken, de situatie heeft uitgelegd en om teruggave heeft gevraagd. Het bewijsaanbod om hem als getuige hierover te horen wordt daarom gepasseerd.

4.5

Nu het hoger beroep faalt, zal het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen tussen [appellante] en [geïntimeerde] , worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen [appellante] en [geïntimeerde] gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2017;

veroordeelt [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,-- aan verschotten, € 2.782,-- (= 2 punten x € 1.391 (tarief III)) aan salaris voor de advocaat en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, D.A. Schreuder en F.R. Salomons, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.