Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:1071

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
BK-18/00947
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:9329, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:2012
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil, net als bij de Rechtbank, of erflaatster € 414.490 aan andere schulden had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-05-2019
V-N Vandaag 2019/1144
FutD 2019-1370
V-N 2019/36.1.3
Viditax (FutD), 20-12-2019
NTFR 2019/1393
NLF 2019/1205 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00947

Uitspraak van 3 mei 2019

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 24 juli 2018, nr. SGR 17/8109.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende is wegens het overlijden op 24 februari 2016 van haar moeder mevrouw [Y] een aanslag in de erfbelasting naar een belaste verkrijging van € 89.893 opgelegd en is bij beschikking € 196 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 126 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 22 maart 2019. Partijen zijn verschenen.

1.8.

Op de zitting is ook het hoger beroep in de zaak van belanghebbende met nummer BK-18/00946 behandeld. Wat in de ene zaak is aangevoerd en ingebracht geldt ook voor de andere zaak.

Feiten

2.1.

Erflaatster mevrouw [Y] , overleden op [in] 2016, heeft belanghebbende, haar dochter mevrouw [X] , bij testament benoemd tot enig en algeheel erfgenaam. Tot haar overlijden heeft erflaatster Stichting [A] te [B] als bewindvoerder. Executeur-testamentair is [C] , de echtgenoot van belanghebbende.

2.2.

[C] heeft in de aangifte voor de erfbelasting een zuiver saldo van de nalatenschap van € 304.449 negatief vermeld, onder meer bestaande uit € 129.367 aan bank- en spaarrekeningen en contante gelden en € 414.490 aan andere schulden.

2.3.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de andere schulden niet in aanmerking genomen en de aanslag, na toepassing van een vrijstelling van € 20.148, berekend naar een belaste verkrijging van € 89.893 (-/- € 304.449 + € 414.490 -/- € 20.148).

De Rechtbank:

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

5. In geschil is of de aanslag naar een juist bedrag is vastgesteld. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken.

6. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast voor het bestaan en de hoogte van de andere schulden bij [belanghebbende] ligt. In haar schrifturen en ter zitting heeft [belanghebbende] het bestaan en de hoogte van de andere schulden niet nader onderbouwd en daarvoor geen enkel bewijsstuk overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] dan ook niet in haar bewijs geslaagd. Haar weigering gegevens aan de belastingdienst te verstrekken omdat zij die, naar zij stelt, al in 2003 en 2013 zou hebben verstrekt, komt voor haar rekening. [Belanghebbende] kan geen beroep doen op een (door haar zo genoemde) door [de Inspecteur] te hanteren bestendige gedragslijn; de bewijslast rust nu eenmaal op haar. Het door [belanghebbende] in haar stukken gedane bewijsaanbod wijst de rechtbank af. De rechtbank geeft [belanghebbende] geen termijn om alsnog stukken over te leggen. [Belanghebbende] is ruimschoots in de gelegenheid geweest bewijsstukken te overleggen en heeft dat doelbewust niet gedaan. Het zou in strijd zijn met de goede procesorde haar in deze fase van de procedure alsnog die gelegenheid te geven.

7. Indien sprake is van een beroep op een legitieme portie, kan de aanslag ingevolge artikel 53 van de Successiewet worden verminderd. Ook van een beroep op de legitieme portie heeft [belanghebbende] geen stukken overgelegd zodat hiermee geen rekening kan worden gehouden.

8. Aangaande de stelling van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] zou hebben geweigerd schriftelijk te communiceren en een hoorgesprek misbruikt om druk uit te oefenen, overweegt de rechtbank dat [de Inspecteur] wettelijk de verplichting heeft [belanghebbende] in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Uit de stukken en uit hetgeen [belanghebbende] dienaangaande zelf heeft verklaard komt duidelijk naar voren dat [de Inspecteur] deze verplichting is nagekomen. Ook verder is niet gebleken dat [de Inspecteur], tegenover de soms uiterst grievende uitlatingen van [belanghebbende] en haar gemachtigde, op enig moment heeft gehandeld in strijd met enige regel van behoorlijk bestuur. Ook deze beroepsgrond van [belanghebbende] faalt dus.

9. Op grond van het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is in geschil, net als bij de Rechtbank, of erflaatster € 414.490 aan andere schulden had.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Beoordeling

5.1.

De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gelijk ten volle aan de zijde van de Inspecteur is. Het Hof neemt in aanmerking dat belanghebbende, ook in hoger beroep, geen feiten en omstandigheden heeft gesteld dan wel, tegenover de betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat erflaatster meer schulden heeft dan bij de vaststelling van de aanslag door de Inspecteur in aanmerking zijn genomen. Opmerking verdient dat ter onderbouwing van de gepretendeerde schulden niet - ook in het licht van de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur, die herhaaldelijk doch tevergeefs heeft verzocht bewijsstukken te overleggen - kan worden volstaan met het enkel stellen van het bestaan van de schulden.

5.2.

Het hoger beroep is ongegrond. Het Hof ziet geen reden aan te nemen dat de belastingrente, waartegen geen afzonderlijke grief is ingebracht, tot een onjuist bedrag is berekend.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is 3 mei 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.