Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:102

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
2200366616
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het financieren van terrorisme tot een taakstraf voor de duur van 220 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003666-16

Parketnummer: 10-996521-15

Datum uitspraak: 24 januari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1982,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 september 2018, 20 december 2018 en 10 januari 2019 (sluiting van het onderzoek te Den Haag).

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een iPhone 6, is onttrokken aan het verkeer.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Op 17 september 2018 is het namens de verdachte ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Blijkens de appelschriftuur van de officier van justitie richt het hoger beroep van de officier van justitie zich tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde en de strafmaat. Echter, nu het hoger beroep bij akte rechtsmiddel niet beperkt is tot het onder 2 ten laste gelegde zijn thans in hoger beroep ook de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep van 18 september 2018 (cursief weergegeven) - ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 19 september 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland en/of te Adana en/of te Kilis en/of te Hatay en/of (elders) in Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a en/of 289 jo art.83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) alstoen alsdaar (via (een) money transfer(s) (een) (geld)bedrag(en) van:

-(in totaal) 1.350 euro (Doc-010),

althans één of meer (geld)bedrag(en) (aan [broer verdachte] en/of (een) tussenperso(o)n(en) in Turkije) verzonden en/of doen toekomen

terwijl dit/deze geldbedrag(en) (telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, te weten ten behoeve van [broer verdachte], zijnde de broer van verdachte en/of een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische organisatie(s) Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the People of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant), althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;


2:

hij,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 2013 tot en met 19 september 2013,

te Arnhem en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

met het oogmerk ter voorbereiding en/of bevordering van de/het (meermalen) te plegen

misdrij(f](ven) omschreven in artikel 157 juncto 176a en/of 289 juncto 83 en/of 288a juncto

287 van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of

levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te] begaan met een terroristisch oogmerk; en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en/of

- doodslag gepleegd met een terroristisch oogmerk,

een ander tracht te bewegen om deze/dit misdrij(f)(ven) te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen; en/of

zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van deze/dit misdrij(f)(ven) heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen; en/of

voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van deze/dit misdrij(f)(ven),

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens)

geldbedragen (te weten: € 5.000,- en/of € 1.000,- en/of € 1.350,-) ingezameld en/of voorhanden gehad en/of (via Western Union) verstuurd en/of ter beschikking gesteld (al dan niet via (een] tussenperso(o)n(en) in Turkije) aan [broer verdachte],

terwijl deze [broer verdachte] zich bevond in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en daar (als strijder) deelnam aan de gewapende jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk;


3:


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 2013 tot en met 19 september 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qa'ida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld door:

aan of ten behoeve van Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant), zijnde (een) groep(en) of entiteit(en) als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(n)

( a) voor en/of aan en/of ten behoeve van Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant) direct of indirect (een) geldbedrag(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld van

-5.000 euro (op 22 april 2013) (Doc-008 1/3) en/of

-1.000 euro (op 5 juli 2013) (Doc-009) en/of

-1.350 euro (op 19 september 2013) (Doc-010),

althans één of meer (geld)bedrag(en)) en/of

( b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

– rekening houdende met een overschrijding van de redelijke termijn - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen iPhone 6 zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Aan de verdachte wordt ter zake van het onder 2 ten laste gelegde thans in hoger beroep – zakelijk weergegeven - verweten dat hij met het oogmerk om misdrijven omschreven in artikel 157 juncto 176a en/of 289 juncto 83 en/of 288a juncto 287 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of het plegen hiervan te bevorderen, de ten laste gelegde geldbedragen heeft overgemaakt aan [broer verdachte] die in Syrië als strijder deelnam aan de gewapende jihadstrijd (artt. 176b, 289a juncto 96 lid 2 Sr).

Artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:

1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2 Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1°.een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°.gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°.voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°.plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°.enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

‘Met het oogmerk’ houdt in dat de verdachte met zijn handelingen de voorbereiding of de bevordering van een der misdrijven omschreven in de artikelen 92-95a van het Wetboek van Strafrecht moet hebben beoogd. Naar algemene opvatting valt onder oogmerk geen voorwaardelijk opzet.

De verdachte heeft op 5 juli en 19 september 2013, door tussenkomst van derden in Turkije, een geldbedrag van respectievelijk € 1.000,= en € 1.350,= overgemaakt naar zijn broer [broer verdachte], die zich toen in Syrië bevond.

In het dossier bevindt zich een op 23 april 2013 inkomend gesprek van het telefoonnummer dat op naam van de broer van de verdachte, [broer verdachte], staat. Uit dit gesprek kan worden opgemaakt dat [broer verdachte] na 22 april 2013 in Syrië is aangekomen, dat hij de volgende dag naar die villa zou gaan en dat hij lange tijd geen contact met hen kan hebben omdat hij dan aan het trainen is. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven dat “de vrees dat [broer verdachte] ging vechten er misschien was, maar dat ik ervan overtuigd was dat hij het niet zou doen want ik ken hem als geen ander”. Voorts bevindt zich in het dossier een schermafdruk uit de telefoon van

[echtgenote verdachte] (de echtgenote van de verdachte), welke op 24 april 2013 door haar is ontvangen, van een WhatsApp gesprek met [broer verdachte] van het telefoonnummer in gebruik bij de verdachte waarin door [broer verdachte] op lovende wijze wordt gesproken over Jabhat al-Nusra.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte op 5 juli en 19 september 2013 ervan kennis droeg dat [broer verdachte] deelnam aan de gewapende strijd in Syrië. Hij moet daarmee wel ernstig rekening hebben gehouden.

Deze vaststellingen laten de reële mogelijkheid open dat de verdachte met het sturen van geld beoogde [broer verdachte] te hulp te schieten bij het voorzien in zijn levensonderhoud, zoals de verdachte al vanaf de inbewaringstelling heeft aangevoerd.

De verdachte heeft door aldus te willen helpen wel de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze betalingen direct dan wel indirect aan Jabhat al-Nusra ten goede zouden komen en dat hij daarmee geldelijke steun verleende aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Hierop zien de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 3 en de verdachte heeft in deze bewezenverklaringen berust. Daarmee kan echter niet zonder meer worden gezegd dat de verdachte met dezelfde overboekingen tevens terroristische misdrijven voorbereidde of bevorderde. Bewijs dat dit het oogmerk van de verdachte was bij het doen van de betalingen ontbreekt.

Gelet op het vorenstaande is, naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op of omstreeks 19 september 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland en/of te Adana en/of te Kilis en/of te Hatay en/of (elders) in Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a en/of 289 jo art.83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht)(te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) alstoen alsdaar (via (een) money transfer(s) (een) (geld)bedrag(en) van:

-(in totaal) 1.350 euro (Doc-010),

althans één of meer (geld)bedrag(en) (aan [broer verdachte] en/of (een) tussenperso(o)n(en) in Turkije) verzonden en/of doen toekomen

terwijl dit/deze geldbedrag(en) (telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, te weten ten behoeve van [broer verdachte], zijnde de broer van verdachte en/of een strijder van de gewapende Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische organisatie(s) Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the People of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant), althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;

3:


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 5 juli 2013 tot en met 19 september 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qa'ida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld door:

aan of ten behoeve van Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusra Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant), zijnde (een) groep(en) of entiteit(en) als bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie) behorende lijst(en) en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij en/of zijn medeverdachte(n)

(a) voor en/of aan en/often behoeve van Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant) direct of indirect (een) geldbedrag(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld van

-5.000 euro (op 22 april 2013) (Doc-008 1/3) en/of

-1.000 euro (op 5 juli 2013) (Doc-009) en/of

-1.350 euro (op 19 september 2013) (Doc-010),

althans één of meer (geld)bedrag(en)) en/of

(b) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft/hebben gesteld aan Jabhat al-Nusra en/of Jabhet al-Nusra en/of Al-Nusrah Front en/of Al-Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qa'ida (in Irak) en/of ISIS en/of Islamic State (of Iraq en/of in Iraq and the Levant).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

financieren van terrorisme.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof – met de rechtbank - in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft geldbedragen vanuit Nederland overgemaakt door tussenkomst van personen in Turkije, welke geldbedragen bestemd waren voor de broer van de verdachte die zich in het strijdgebied van Syrië bevond.

De verdachte heeft door het overmaken van de geldbedragen zowel de Europese regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neergelegd. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid, alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door deze verboden te overtreden heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen in Syrië zich indertijd op grote schaal schuldig maakten aan grove mensenrechtenschendingen. De verdachte heeft zich door zijn handelwijze dan ook schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven. Deze misdrijven zijn op zichzelf genomen van een zodanige ernst dat zij een gevangenisstraf rechtvaardigen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2018 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Tevens heeft het hof bij de hierna op te leggen straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2018 is gebleken. De verdachte heeft lang last gehad van de negatieve gevolgen sinds het vertrek van zijn broer naar Syrië, zoals weergegeven in het reclasseringsrapport d.d. 18 december 2015. Zo heeft de verdachte op de terechtzitting van 20 december 2018 verklaard dat hij pas sinds een half jaar zijn deurbel weer heeft aangesloten. Eerder durfde hij dat niet. Verder heeft hij een baan en de zorg over zijn gezin, bestaande uit zijn vrouw en drie kinderen. Deze omstandigheden brengen mee dat in plaats van een op zichzelf passend geachte gevangenisstraf een taakstraf zal worden opgelegd. Een deel van deze taakstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw op enigerlei wijze een op terroristische wijze gevoerde strijd te ondersteunen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat bij de berechting in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In deze geconstateerde schending ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te verminderen. In plaats van de overwogen taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, acht het hof een deels voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Beslag

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een iPhone 6.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, en 421 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, aanhef en onder 1°, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 en de artikelen 2 en 2a van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot

40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een iPhone 6.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2019.