Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:999

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
BK-17/00468
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:11321, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzingszaak (HR 15/05350, BNB 2017/162). Grootschalige taxplanningstructuur van bankencon-cern. Partijen hebben na verwijzing overeenstemming bereikt tot welk bedrag de aftrek van de door belanghebbende in het onderhavige jaar (2006) verschuldigde rente wordt verhinderd door toepassing van het leerstuk van fraus legis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/955
Viditax (FutD), 02-05-2018
FutD 2018-1247
V-N 2018/44.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00468

Uitspraak van 17 april 2018

in het geding tussen:

[X3] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: M. Sanders en M. Mees)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: H.P.W. Snijders, F.J. Roodenberg en M.H. de Borst)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) van 6 november 2013, nummer AWB 12/539, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 158.000. Het verlies is vastgesteld op nihil. Bij afzonderlijk gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 8.162 aan heffingsrente in rekening gebracht (de beschikking heffingsrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep, in cassatie en na verwijzing

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam. Bij uitspraak van 8 oktober 2015, kenmerk 13/00780, ECLI:NL:GHAMS:2015:4098, heeft het Gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

2.2.

Tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam heeft zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Staatssecretaris van Financiën heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 21 april 2017, nummer 15/05350, ECLI:NL:HR:2017:638, (het verwijzingsarrest) zowel het principale als het voorwaardelijk incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond verklaard, het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent de navorderingsaanslag, de boetebeschikking, het griffierecht en de proceskosten, de Staatssecretaris van Financiën gelast aan belanghebbende te vergoeden het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal € 1.707,87, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

2.3.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid zowel belanghebbende als de Inspecteur gebruik heeft gemaakt. Belanghebbende heeft tevens een cijfermatige uitwerking van de standpunten na verwijzing ingediend. De Inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op de schriftelijke uitlating van belanghebbende na verwijzing. Bijlage 1 bij deze schriftelijke reactie behelst een overzicht van de cijfermatige gevolgen van de door partijen na verwijzing ingenomen standpunten.

2.4.

Het Hof heeft aan de hand van de onder 2.3 bedoelde, door partijen verstrekte gegevens een cijfermatig overzicht opgesteld en een afschrift daarvan zowel aan belanghebbende als aan de Inspecteur doen toekomen. De Inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het cijfermatig overzicht.

2.5.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

2.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 januari 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van [X1] B.V., kenmerk BK-17/00466, [X2] B.V., kenmerk BK-17/00467, [X4] B.V., kenmerken BK-17/00469 en 17/00470, de rechtsopvolger van [X5] B.V., kenmerken BK-17/00471 en 17/00472, en de rechtsopvolger van [X8] ) B.V., kenmerken BK-17/00473, 17/00475 en 17/00477, alsmede de hoger beroepen van de Inspecteur in de zaken van laatstbedoelde belastingplichtige, kenmerken BK-17/00474, 17/00476 en 17/00478. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing

3.1.

Partijen hebben na verwijzing overeenstemming bereikt tot welk bedrag de aftrek van de door belanghebbende in het jaar 2006 aan [X London Branche] ( [X London Branche] ) verschuldigde rente wordt verhinderd door toepassing van het leerstuk van fraus legis. Dientengevolge moet naar hun gemeenschappelijke oordeel de aanslag Vpb 2006 worden verminderd tot nihil en het verlies van dat jaar worden vastgesteld op € 9.677.000.

3.2.

Het Hof sluit zich aan bij dit eenstemmige oordeel van partijen. In dit oordeel ligt besloten dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand kan blijven en dat moet worden beslist als hierna is vermeld.

3.3.

Ten overvloede merkt het Hof op dat de Inspecteur ter zitting heeft toegezegd dat het onder 3.1 vermelde tevens tot gevolg heeft dat van het verlies van 2006 een bedrag van € 52.860 kan worden teruggewenteld naar het jaar 2005 en dat de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de Vpb dientengevolge zal worden verminderd tot nihil.

Proceskosten en griffierecht

4.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij alle in 2.6 vermelde zaken als samenhangend worden beschouwd.

4.1.1.

Partijen hebben na de zitting van 23 januari 2018 overeenstemming bereikt over de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het geval belanghebbende in het gelijk zou worden gesteld. Bij een met de Inspecteur afgestemde brief van 26 februari 2018 heeft belanghebbende laten weten dat naar eenstemmig oordeel van partijen geldt dat:

- ten aanzien van de kosten van de procedure vóór verwijzing reeds proceskostenvergoedingen zijn toegekend door het Gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad, zodat een eventuele proceskostenvergoeding uitsluitend betrekking heeft op de procedure na verwijzing; en dat

- de proceskosten na verwijzing dienen te worden vastgesteld op: € 3.006 (2 punten met een waarde van € 501 per punt en een wegingsfactor van 2 wegens het gewicht van de zaken en een wegingsfactor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken).

4.1.2.

Het Hof sluit zich bij dit eenstemmige oordeel van partijen aan. In dit oordeel ligt besloten dat, nu drie van de zes onder 2.6 vermelde belastingplichtigen ten minste één gegrond hoger beroep na verwijzing heeft ingesteld, het Hof aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van 1/3 van € 3.006 = € 1.002 zal toekennen.

4.2.

Door belanghebbende zijn in de onderhavige zaak, die ziet op het jaar 2006, voor het beroep en het hoger beroep geen griffierechten betaald, zodat de Inspecteur deze niet hoeft te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot nihil;

  • -

    vernietigt de beschikking heffingsrente;

  • -

    stelt het verlies van 2006 vast op € 9.677.000; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep na verwijzing aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.002.

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, G.J. van Leijenhorst en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 17 april 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.