Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:947

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
200.208.665/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad? Erkenning aansprakelijkheid in een brief of schrijffout? Beslissing tot niet-vervolging (van een derde) onrechtmatig? Gesloten stelsel van rechtsmiddelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.208.665/01

Rolnummer rechtbank : C/09/508918/HA ZA 16-423

arrest van 10 april 2018

inzake

[appellant],

wonende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 27 januari 2017 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen op 18 januari 2017 gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel. Bij memorie van grieven (met productie) heeft [appellant] 8 grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de Staat de grieven bestreden. Tot slot is op verzoek van partijen arrest bepaald.

Nadien is op 9 maart 2018 een brief van [appellant] (zonder tussenkomst van diens advocaat en zonder cc aan de wederpartij), gedateerd op 9 maart 2018 en voorzien van bijlagen, binnengekomen bij het hof. Het hof heeft conform artikel 5.5. van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven geen acht geslagen op deze stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.

1.1

[appellant] heeft in 1998 een bankrekening laten openen bij de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO Bank). Op dat moment verkeerde [appellant] in staat van faillissement. Op deze bankrekening is een debetsaldo van ongeveer fl. 97.000,00 ontstaan.

1.2

Namens ABN AMRO Bank heeft een medewerker van deze bank in 1999 aangifte gedaan tegen [appellant] ter zake van oplichting. [appellant] is naar aanleiding van deze aangifte in januari 2002 veroordeeld door de rechtbank ’s-Gravenhage voor oplichting. In december 2002 is [appellant] in hoger beroep vrijgesproken.

1.3

In 2000 heeft [appellant] bij de politie aangifte gedaan, eerst tegen de onder 1.2. bedoelde medewerker en later tegen de ABN AMRO Bank zelf wegens het doen van een valse aangifte. Eind 2000 respectievelijk begin 2001 heeft de officier van justitie [appellant] bericht dat geen strafvervolging tegen de ABN AMRO Bank of haar medewerker zal worden ingesteld.

1.4

Tegen deze beslissingen om geen strafvervolging in te stellen heeft [appellant] op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beklag gedaan bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. Bij beschikking van 11 juli 2001 heeft dit gerechtshof het beklag afgewezen.

1.5

Eind 2003 en begin 2004 heeft [appellant] bij de politie aangifte gedaan tegen ABN AMRO Bank, de onder 1.2. bedoelde bankmedewerker en tegen een andere medewerker van de bank, ter zake van meineed, valse aangifte en smaad. In mei 2004 heeft de officier van justitie aan [appellant] bericht dat geen strafvervolging tegen ABN AMRO Bank en voornoemde personen zal worden ingesteld.

1.6

Ook hiertegen heeft [appellant] op de voet van artikel 12 Sv beklag gedaan bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 23 februari 2005 heeft dit gerechtshof [appellant] niet ontvankelijk verklaard in zijn beklag voor zover dit betrekking heeft op het doen van valse aangifte en het beklag voor het overige afgewezen.

1.7

In januari 2008 heeft [appellant] opnieuw aangifte gedaan tegen ABN AMRO Bank ter zake van valse aangifte en smaad. In mei 2008 heeft de officier van justitie besloten dat geen strafvervolging tegen ABN AMRO Bank zal worden ingesteld.

1.8

Ook tegen deze beslissing heeft [appellant] beklag gedaan bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 15 juni 2012 heeft dit gerechtshof het beklag afgewezen.

1.9

Bij brief van 27 maart 2009 heeft het College van procureurs-generaal (hierna: het College) [appellant] bericht naar aanleiding van zijn in december 2008, januari 2009 en maart 2009 geschreven brieven (zeven brieven in totaal). Het College schrijft in deze brief dat het Openbaar Ministerie niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat de door [appellant] gestelde schade niet het gevolg is van het handelen van het Openbaar Ministerie. Het College wijst elke aansprakelijkheid van het Openbaar Ministerie c.q. de Staat van de hand.

1.10

Bij brief van 19 april 2012 heeft het College [appellant] bericht naar aanleiding van zijn brieven uit januari 2012 en maart 2012. Ook in deze brief wordt betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen en wordt elke aansprakelijkheid van de Staat van de hand gewezen.

1.11

Bij brief van 26 juni 2012 heeft het College [appellant] bericht naar aanleiding van zijn brieven uit april 2012, mei 2012 en juni 2012. Het College schrijft in deze brief dat de brieven van [appellant] geen ander standpunt of nieuwe gezichtspunten bevatten en daarom het College geen aanleiding geven om zijn standpunt te herzien. Het College handhaaft zijn afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

1.12

In oktober en november 2012 heeft [appellant] opnieuw aangifte gedaan tegen onder meer de ABN AMRO Bank en (enkele van) haar medewerkers, en wel ter zake van valse aangifte, meineed en verduistering van een dossier. Bij brief van 21 december 2012 heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag aan [appellant] bericht dat geen strafvervolging tegen de ABN AMRO Bank en haar medewerkers zal worden ingesteld.

1.13

[appellant] heeft vervolgens ook tegen deze beslissing een klacht ingediend als bedoeld in artikel 12 Sv. Deze klacht is op 28 november 2013 afgewezen.

1.14

Op 6 januari 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] enerzijds en de heren [medewerker College 1] en [medewerker College 2] namens het College anderzijds in het Paleis van Justitie te Den Haag. De door laatstgenoemden vervaardigde, zakelijke weergave van dat gesprek luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

De heer [appellant] is van mening dat de echte hoofdrolspelers niet met hem om tafel durven zitten. Zij hebben, aldus de heer [appellant], een gebrek aan moreel besef. De heer [appellant] stelt dat de hoofdrolspelers uiterlijk a.s. donderdag met hem om tafel moeten zitten; zij kunnen knopen doorhakken. Hij wil donderdag een antwoord op alles en een eventueel aanbod.

De heer [medewerker College 1] geeft aan dat hij de woede en het ongeduld begrijpt, maar geeft aan niet onder druk gezet te willen worden. In het verleden is onderzoek gedaan en zijn reeds antwoorden gegeven, maar die bevallen de heer [appellant] niet. De heer [medewerker College 1] geeft aan geen enkele grond te zien om met een voorstel te komen.

De heer [appellant] geeft aan dat de heer [medewerker College 1] zich kapot moet schamen. Het OM is kennelijk niet bereid een fout goed te maken. Dat houdt dus in dat rechtspraak in Nederland niet bestaat. Hij zal ons kapot gaan procederen. Dat is verdrietig omdat het OM zijn werk niet doet. (…)”.

1.15

Bij brief van 23 januari 2015 heeft het College [appellant] naar aanleiding van zijn klacht tegen de hoofdofficier van justitie van het parket Den Haag (zie hierboven 1.12.) onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Wat betreft uw verzoek om ‘een voorstel’, waarbij u doelt op een schadevergoeding en een bedrag heeft genoemd dat is opgelopen tot 300 miljoen euro, merkt het College het volgende op. Uit uw brief van 15 maart 2012 blijkt dat deze vergoeding met name ziet op de 96 uur hechtenis die u heeft ondergaan, alsmede op de zakelijke en sociale schade die u elke dag stelt te lijden.

Om te beoordelen of u recht heeft op schadevergoeding dient vastgesteld te worden of de Staat onrechtmatig jegens u heeft gehandeld, bijvoorbeeld door de toepassing van dwangmiddelen.

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 29 april 1994, NJ 1995, 727) is de toepassing van een dwangmiddel onrechtmatig indien zij is toegepast in strijd met de wettelijke voorschriften dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Buiten deze gevallen is de toepassing van een dwangmiddel in beginsel rechtmatig omdat zij wordt gerechtvaardigd door het bestaan van een verdenking. Zulks is slechts anders indien achteraf uit het strafdossier - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan. Deze vaste rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de zogenaamde ‘gebleken onschuld’ is nog eens bevestigd in een arrest van 13 oktober 2006, NJ 2007, 432 (Begaclaim), waarin de Hoge Raad heeft herhaald dat de onschuld van de verdachte en het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte, moeten blijken uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken. Buiten deze gevallen is de Staat niet aansprakelijk voor mogelijke schade ten gevolge van de toepassing van dwangmiddelen of een ingestelde vervolging.

Ten aanzien het zogenaamde gebleken onschuldcriterium, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het enkele feit dat de verdachte is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten onvoldoende om aan te nemen dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan. Alsdan blijkt in de regel immers niet, aldus de Hoge Raad, dat de gewezen verdachte het feit niet heeft begaan, maar slechts dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij het feit heeft begaan. De grondslag onder de ingestelde vervolging en de toegepaste dwangmiddelen - een redelijk vermoeden van schuld - is dan ook niet achteraf onjuist gebleken.

Naar het oordeel van het College blijkt uit het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 24 december 2002 niet van uw onschuld, maar alleen dat het Hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat u de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Op grond van het bovenstaande is het College van oordeel dat niet onrechtmatig is gehandeld door de Staat. Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u [onderstreping hof, op deze zin wordt hieronder teruggekomen].

(…)

Het College is van oordeel dat uw zaak uitputtend is behandeld en ziet dan ook geen aanleiding om inhoudelijk te reageren op eventuele toekomstige correspondentie van uw zijde. Alleen indien uw brieven betrekking hebben op nieuwe feiten of omstandigheden zullen die brieven nog in behandeling worden genomen.

(…)”

2. [appellant] vordert in dit geding de veroordeling van de Staat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, tot betaling aan hem van € 300.000.000,-, plus rente, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, met rente daarover.

[appellant] baseert deze vorderingen primair op (nakoming van) een overeenkomst. Volgens hem blijkt uit de brief van 23 januari 2015 (zie hierboven onder 1.15) dat tussen hem en de Staat overeenstemming is bereikt over de aansprakelijkheid van de Staat, de hoogte van de schadevergoeding en de verschuldigdheid van wettelijke rente. [appellant] leest namelijk in deze brief (in het bijzonder in de zin “Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u”, hierboven onderstreept) een erkenning door de Staat van aansprakelijkheid. Subsidiair voert [appellant] aan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door niet (tijdig) over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van de ABN AMRO Bank en/of personen in dienst van deze bank wegens het doen van een valse aangifte. Dit nalaten is onrechtmatig omdat [appellant] door deze valse aangifte ten onrechte strafrechtelijk is vervolgd. Hoewel hij in hoger beroep is vrijgesproken, is hij voor het leven gebrandmerkt en maatschappelijk geruïneerd, aldus [appellant].

3. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat de verklaring van de Staat in de brief van 23 januari 2015 (“Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u”) niet overeenstemt met de wil van de Staat en dat [appellant] dit redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Evenmin heeft de Staat onrechtmatig gehandeld. Uitgangspunt in dit verband, zo overweegt de rechtbank, is dat de in artikel 12 Sv voorziene rechtsgang in het algemeen met voldoende waarborgen omgeven is en de gang naar de burgerlijke rechter uitsluit. Verder heeft de rechtbank verwezen naar het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Nu tegen de beklagbeschikkingen van 11 juli 2001, 23 februari 2005 en 15 juni 2012 geen cassatieberoep openstaat, hebben deze uitspraken rechtskracht tussen partijen. Dit betekent de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van de beslissing(en) tot het niet-vervolgen van ABN AMRO Bank en de betrokken medewerkers van die bank. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien bij de voorbereiding van deze beklagbeschikkingen zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaken niet meer kan worden gesproken, maar dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. Tot slot kan de ter zitting aangevoerde grondslag, inhoudende dat ondanks de formele rechtskracht van de beklagbeschikkingen “het onrechtmatig is om deze zaak te laten voortduren zonder de schade van [appellant] aan hem te vergoeden”, volgens de rechtbank niet tot een toewijzing van de vordering leiden, nu daaraan niet een (voldoende) duidelijke feitelijke onderbouwing is gegeven.

4. In appel vordert [appellant] de vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering.

5. Grieven 1 tot en met 4 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een overeenkomst tussen de Staat en [appellant]. Deze grieven falen.

6. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW). De partij die zich op de totstandkoming van een overeenkomst beroept dient aan te tonen dat de wederpartij een met toepassing van de wilsvertrouwensleer (artikelen 3:33-35 BW) als aanbod te kwalificeren verklaring heeft geuit en dat dit aanbod door hem is aanvaard. Volgens [appellant] mocht hij de hierboven (zie alinea 1.15) onderstreepte zin in de brief van 23 januari 2015 (hierna ook wel kortweg aan te duiden als “de zin”) opvatten als een aanbod tot het betalen van schadevergoeding en blijkt uit het feit dat hij hierna rekeningen heeft ingestuurd dat [appellant] dit aanbod heeft aanvaard. Het hof volgt [appellant] hierin niet. De verklaring van de Staat, neergelegd in de gewraakte zin, komt evident niet overeen met de wil van de Staat en [appellant] kon in redelijkheid niet menen dat dit wel het geval is. Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank (4.3. tot en met 4.7.) en maakt die tot de zijne. Er is onmiskenbaar sprake van een verschrijving, in die zin dat het woordje “geen” is weggevallen. Dit blijkt reeds uit de woorden “dan ook” in dezelfde zin, waaruit volgt dat de zin terugslaat op de zin(nen) daarvóór waarin de Staat concludeert dat door hem niet onrechtmatig is gehandeld. Bovendien spoort dit met alle eerdere brieven, waarin de Staat consequent en duidelijk het standpunt heeft ingenomen dat er geen aanleiding is om een schadevergoeding te betalen.

7. [appellant] kan evenmin in redelijkheid volhouden dat hij mocht denken dat de Staat “uit coulance” bereid zou zijn een schadevergoeding te betalen. Dit is niet te rijmen met de tekst van de brief van 23 januari 2015, noch met het verslag van het gesprek van 6 januari 2015 of met de eerdere brieven van de Staat. Ook uit het uitblijven van een reactie op de door [appellant] na 23 januari 2015 aan de Staat toegestuurde facturen en aanmaningen kon [appellant] redelijkerwijs niet afleiden dat de Staat aansprakelijkheid erkende dan wel bereid was uit coulance een schadevergoeding te betalen, reeds niet omdat aan het eind van de brief van 23 januari 2015 expliciet is medegedeeld dat niet meer zal worden gereageerd op correspondentie van [appellant].

8. Volgens de Staat heeft hij al in een brief van 26 februari 2015 laten weten aan [appellant] dat in de hier besproken zin in de brief van 23 januari 2015 het woordje “geen” was weggevallen. [appellant] betwist dit. Het hof laat deze kwestie geheel buiten beschouwing. Niet juist is de kennelijke (veronder)stelling van [appellant] dat de Staat verplicht was om binnen een bepaalde termijn erop te wijzen dat het woord “geen” was weggevallen, dit op straffe van verlies van het recht van een beroep op een schrijffout. Ook als de Staat niet eerder iets heeft gezegd over het wegvallen van een woord, zou het hem vrijstaan zich daar in deze procedure op te beroepen.

9. Met grieven 5 en 6 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden geconcludeerd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de ABN AMRO Bank en/of enkele van haar medewerkers niet strafrechtelijk te vervolgen. Ook deze grieven falen. Daargelaten dat [appellant] niet duidelijk maakt langs welke weg het achterwege laten van een vervolging van deze bank(medewerkers) heeft kunnen leiden tot de door hem gestelde schade (causaal verband), is het hof met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen. Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank, hierboven in alinea 3 samengevat, en maakt die tot de zijne. Het hof volgt [appellant] niet in diens stelling dat in dit geval een uitzondering op de leer van het gesloten stelsel op zijn plaats is omdat bij de voorbereiding van de beklagbeschikkingen zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken. [appellant] verwijst in dit verband naar de hierboven in alinea 8 vermelde brief van 26 februari en de latere brieven van het Arrondissementsparket van 8 augustus 2016 en 14 februari 2017. Niet valt echter in te zien wat deze brieven te maken hebben met de wijze van totstandkoming van de reeds daarvóór gegeven beklagbeschikkingen. Ook het hof gaat dan ook uit van de juistheid van deze beklagbeschikkingen. Het niet strafrechtelijk vervolgen van de ABN AMRO Bank en/of haar medewerkers moet (reeds) daarom voor rechtmatig worden gehouden.

10. [appellant] heeft ook nog aangevoerd dat “het onrechtmatig is om deze zaak te laten voortduren zonder de schade van [appellant] aan hem te vergoeden”. Het enkele feit dat [appellant] al lang probeert de Staat te bewegen hem een vergoeding te betalen, betekent echter niet dat daardoor een betalingsverplichting van de Staat is ontstaan. Voor het overige verwijst het hof naar het hierboven overwogene.

11. Grief 7 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de akte van de Staat van 22 november 2016, waarbij de Staat een brief als productie 18 in het geding heeft gebracht, geen verkapte conclusie was en dat de Staat daarom met deze akte niet in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. [appellant] heeft bij een behandeling van deze grief geen belang, reeds niet omdat de Staat de brief in appel opnieuw in het geding heeft gebracht als productie 19 bij memorie van antwoord. Daar komt bij dat de akte ziet op de hierboven in alinea 8 genoemde kwestie, welke kwestie naar het oordeel van het hof niet relevant is voor de uitkomst in deze zaak.

12. Grief 8 houdt in dat de rechtbank ten onrechte het bewijsaanbod van [appellant] heeft gepasseerd. Ook bij een behandeling van deze grief heeft [appellant] geen belang, nu hij in appel opnieuw een bewijsaanbod heeft kunnen doen. Voor zover grief 8 zo moet worden begrepen dat [appellant] het in eerste aanleg gedane bewijsaanbod in appel herhaalt, overweegt het hof dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven geen doel treffen en dat het bestreden vonnis dus zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in appel worden veroordeeld. Conform de vordering van de Staat zal het hof bepalen dat de aan de Staat te betalen proceskosten dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door de Staat is gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 18 januari 2017;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 5.200,- voor griffierecht en € 4.580,- voor salaris van de advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van dit arrest moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag van voldoening;

- verklaart deze procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, G. Dulek-Schermers en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2018, in aanwezigheid van de griffier.