Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:937

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
22-004001-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag op politieagent door meermalen met kracht met een hamer richting het hoofd van die agent te slaan. Voorwaardelijk opzet op de dood van de politieagent. Bewezenverklaring poging tot inbraak na vrijspraak van geweldscomponenten levert naar het oordeel van het hof geen grondslagverlating op. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004001-14

Parketnummer: 10-700279-14

Datum uitspraak: 6 april 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst te Sittard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens zijn beslissingen genomen ten aanzien van het beslag en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij 1], hoofdagent van politie, zijnde een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een (vuist/klauw)hamer/moker op/tegen en/of in de richting van het hoofd, van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 3], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of om

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of te dele toebehorende aan (die) [benadeelde partij 2] en/of (die) [benadeelde partij 3], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3], één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

heeft gehandeld als volgt:

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of (een) mededader(s)

- bij de woning van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] aangebeld en/of

- ( via een container/kliko) het dak van die woning van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] opgeklommen en/of

- doende geweest een ruit van die woning en/of bijbehorende garage in te slaan/forceren,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten diefstal door middel van geweld in vereniging gepleegd en/of een afpersing in vereniging gepleegd, opzettelijk een (klauw/vuist)hamer en/of twee, althans een vuurwapen(s) (waaronder een revolver) en/of een pruik en/of een breekijzer en/of een sporttas met inbrekerswerktuigen en/of handschoenen kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

3:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, model 10, kaliber .38 Special, voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, eerste en tweede cumulatief, en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij 1], hoofdagent van politie, zijnde een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een (vuist/klauw)hamer/moker op/tegen en/of in de richting van het hoofd, van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 3], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of om

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan (die) [benadeelde partij 2] en/of (die) [benadeelde partij 3], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3], één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

heeft gehandeld als volgt:

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of (een) mededader(s)

- bij de woning van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] aangebeld en/of

- ( via een container/kliko) het dak van die woning van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] opgeklommen en/of

- doende geweest een ruit van die woning en/of bijbehorende garage in te slaan/forceren,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

3:
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, model 10, kaliber .38 Special, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1

De raadsman van de verdachte heeft primair - en samengevat - aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met de hamer op en/of richting het hoofd van [benadeelde partij 1] heeft geslagen. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het doden van dan wel zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan [benadeelde partij 1]. Ook de verdachte heeft gesteld dat hij niet de intentie had [benadeelde partij 1] van het leven te beroven of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Meer subsidiair is – kort gezegd - betoogd dat het opzet van de verdachte niet gericht is geweest op de omstandigheid dat [benadeelde partij 1] een politieagent was, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt op grond van de – met de nodige behoedzaamheid voor het bewijs gebezigde - verklaringen van de verbalisanten [benadeelde partij 1] en [verbalisant] vast dat de verdachte tot tweemaal toe met een vuisthamer/moker in de richting van het hoofd van [benadeelde partij 1] heeft geslagen. Dat de verdachte daarbij zijn arm heeft gedraaid om te voorkomen dat de verbalisant werd geraakt door de kop van de hamer blijkt niet uit de overige bewijsmiddelen en wordt door het hof ook niet aannemelijk geacht. De verdachte heeft bij de eerste slag ook daadwerkelijk het hoofd van [benadeelde partij 1] geraakt, terwijl in ieder geval ten aanzien van de tweede slag op grond van de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [verbalisant] en het geconstateerde letsel kan worden vastgesteld dat het slaan met kracht plaatsvond. [benadeelde partij 1] heeft dit immers verklaard en het letsel aan de arm (waarmee [benadeelde partij 1] bij de tweede slag zijn hoofd heeft getracht te beschermen) past naar het oordeel van het hof – anders dan de verdediging heeft betoogd – wel degelijk bij een krachtige slag met de hamer, waarbij het hof in aanmerking neemt dat niet is uitgesloten dat de hamer de arm waarmee [benadeelde partij 1] de tweede klap afweerde slechts heeft geschampt.

In verband met het subsidiaire verweer ziet het hof zich gesteld voor de vraag of er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel, en zo ja, of de verdachte dat bewust heeft aanvaard. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van het hof levert het met een vuisthamer/moker (met kracht) op de hiervoor vastgestelde wijze slaan in de richting van het hoofd, zijnde het hoofd een vitaal lichaamsdeel, naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood op. Voorts dienen de gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk hoofdletsel, dat de verdachte door deze gedragingen de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken. Er is aldus sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij 1]. Dat het handelen van de verdachte erop was gericht zich een vluchtweg te verschaffen, doet daar niet aan af.

Het meer subsidiair gevoerde verweer zal wel worden gehonoreerd. Naar het oordeel van het hof kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het de verdachte reeds voorafgaand aan het slaan met de hamer duidelijk was dat de verbalisanten [benadeelde partij 1] en [verbalisant] politieagenten waren, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van dat onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 2

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is het hof – met de verdediging – van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte niet slechts van plan was in te breken in de woning van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], maar dat hij (ook) voornemens was de bewoners van de woning aan de [adres] te overvallen. Ook is het hof - met de verdediging – van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte dit feit met een of meer anderen heeft gepleegd.

Het hof zal daarom alleen de poging tot diefstal bewezen verklaren en de verdachte vrijspreken van de geweldscomponenten en van het medeplegen van dit feit. Gelet op de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke uitwerking van het handelen van de verdachte volgt het hof de verdediging niet, voor zover is betoogd dat het onder 2 primair tenlastegelegde ‘specifiek is toegespitst op de geweldscomponent’ en (zo begrijpt het hof) een bewezenverklaring van een poging tot diefstal (zonder geweld) zou leiden tot grondslagverlating.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door een politieagent die trachtte te voorkomen dat de verdachte zou vluchten tot tweemaal toe te slaan met een hamer. Kort daarvoor heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een brutale poging tot diefstal uit een woning, op klaarlichte dag en terwijl de bewoners thuis waren. Dergelijke feiten leiden in de samenleving en bij de slachtoffers van die feiten in het bijzonder tot gevoelens van angst en onveiligheid. Dat dat laatste hier ook het geval is blijkt wel uit de onderbouwing van de van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]. Dat [benadeelde partij 1] uiteindelijk slechts lichtgewond is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die niet te danken is aan het handelen van de verdachte.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het bezit van een verboden vuurwapen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden reeds vele malen is veroordeeld, ook wegens soortgelijke feiten.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt het hof anderzijds rekening met het feit dat het gebeurde grote gevolgen voor de verdachte heeft gehad. De verdachte is immers – zij het wel omdat hij op de vlucht was geslagen – door de politie in zijn been geschoten als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen.

Gelet op dit alles is een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar naar het oordeel van het hof in beginsel een passende straf.

Met de advocaat-generaal en verdediging is het hof echter van oordeel dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Dat dient te leiden tot strafvermindering. Gelet op de omvang van de genoemde overschrijding zal het hof de eerdergenoemde straf met 6 maanden verlagen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het hof beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de voorwerpen zoals onder 2 en 3 vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst (te weten: revolver met bijbehorende munitie, 6 stuks).

Het hof gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de voorwerpen zoals onder 1 en 4 vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst (te weten: pistool met bijbehorende munitie, 6 stuks).

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: het voorwerp zoals onder 2 en 3 vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst (te weten: revolver met bijbehorende munitie, 6 stuks).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de voorwerpen zoals onder 1 en 4 vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst (te weten: pistool met bijbehorende munitie, 6 stuks).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. E. van Die en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. W. Jansen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 april 2018.