Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:933

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
22-002211-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld. Naar het oordeel van het hof handelde aangeefster uit noodweer, te weten ter noodzakelijke verdediging van haar eigendom tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar eigendomsrecht door de verdachte. Als reactie daarop gaf de verdachte aangeefster een klap in haar gezicht. De verdachte verdedigde zich tegen iemand die zelf in noodweer handelde. Een (geslaagd) beroep op noodweer is dan uitgesloten, aangezien het handelen van de aangeefster in die situatie niet als ‘wederrechtelijk’ kan worden beschouwd. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Begrip ‘echtgenoot’ in art. 304 Sr. Indien sprake is van echtgenoten behoeft – anders dan bij het begrip ‘levensgezel’ - niet getoetst te worden of (nog steeds) sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het hof geeft toepassing aan art. 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002211-16

Parketnummers: 09-227046-15 en 09-206140-15 (gevoegd)

Datum uitspraak: 6 april 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortejaar] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

23 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 09-206140-15 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-227046-15 ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is er een beslissing genomen ter zake van de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 09-206140-15 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Gelet op het vorenstaande is de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 5 november 2015 te Waddinxveen zijn echtgenoot, [aangeefster], heeft mishandeld door die [aangeefster] in/op/tegen het gezicht te slaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-227046-15 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 november 2015 te Waddinxveen zijn echtgenoot, [aangeefster], heeft mishandeld door die [aangeefster] in/op/tegen het gezicht te slaan;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie – primair betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat hij heeft gehandeld uit noodweer(exces). De aangeefster viel de verdachte aan door hem op zijn rug te springen en hem daarbij te verwonden, waarna hij haar heeft geslagen. Voorts heeft de raadsman (subsidiair) betoogd dat moet worden vrijgesproken van het bestanddeel echtgenoot. De verdachte en de aangeefster waren ten tijde van het tenlastegelegde feit van tafel en bed gescheiden. Daardoor was geen sprake van de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid, die in het begrip ‘echtgenoot’ tot uitdrukking wordt gebracht.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangeefster, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Uit het dossier, met name uit de verklaring van [getuige], maar ook uit de verklaring van de verdachte, leidt het hof af dat de verdachte, toen hij bemerkte dat de aangeefster hem filmde met haar telefoon, haar telefoon afpakte en vervolgens daarmee wegliep. Zowel de aangeefster als [getuige] hebben hem gevraagd de telefoon terug te geven. De verdachte heeft de telefoon toen in zijn broekzak gestopt en is weggelopen richting zijn auto. Pas toen is de aangeefster op zijn rug gesprongen om zo te beletten dat hij weg zou gaan met haar telefoon. Daarmee handelde de aangeefster uit noodweer, te weten ter noodzakelijke verdediging van haar eigendom tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar eigendomsrecht door de verdachte. Als reactie daarop gaf de verdachte aangeefster een klap in haar gezicht. Naar het oordeel van het hof deed zich hier dan ook de situatie voor waarin de verdachte zich verdedigde tegen iemand die zelf in noodweer handelde als reactie op een daarvóór gepleegde aanranding door de verdachte. Een (geslaagd) beroep op noodweer is dan uitgesloten, aangezien het handelen van de aangeefster in die situatie niet als ‘wederrechtelijk’ kan worden beschouwd.

Nu er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Het begrip ‘echtgenoot’ in art. 304 Sr ziet op de familierechtelijke terminologie van Boek 1 BW. Achtergronden voor de strafverzwaring als het geweld wordt uitgeoefend tegen de echtgenoot zijn mogelijk machtsmisbruik en verschuldigde piëteit. Het criterium waarnaar de raadsman verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat de aangeefster niet kan gelden als echtgenoot, houdt verband met het begrip levensgezel. Met de toevoeging van dat begrip aan artikel 304 Sr is door de wetgever beoogd een uitbreiding te geven aan het toepassingsbereik van de hier aan de orde zijnde strafverzwaringsgrond, zonder daarbij het bereik van deze bepaling voor wat betreft de term ‘echtgenoot’ te beperken. Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Geen straf of maatregel

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. De verdachte heeft de aangeefster – zijn vrouw – een klap in het gezicht gegeven nadat er op die dag ruzie was ontstaan over het filmen van elkaars gedrag in verband met een echtscheidingsprocedure die al tot veel frustraties bij beiden heeft geleid, en waarbij ook de aangeefster zich niet onbetuigd heeft gelaten. Het hof houdt rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Ook heeft het hof gelet op het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 maart 2018 niet is veroordeeld voor het plegen van een ander strafbaar feit.

Alles afwegende acht het hof het raadzaam om te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-206140-15 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. E. van Die en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. W. Jansen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 april 2018.

Mr. B.P. de Boer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.