Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:870

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
22-005508-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in een tuinhuisje, gelegen op een volkstuinencomplex.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts stelt het hof aantal bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005508-16 PROMIS

Parketnummer: 10-690282-16

Datum uitspraak: 6 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortejaar] 1966,

adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

23 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gesteld, is de vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 augustus 2016 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een tuinhuisje ([x]) gelegen op het [adres] aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandbare stof(fen) vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen) en/of (tegen dat) dat tuinhuisje (liggend openhaardhout), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat tuinhuisje en/of een schutting en/of een boom geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) tuinhuisje(s) en/of een schutting en/of een boom en/of goed(eren) op naastgelegen perceel/percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich toen in de nabijheid van dat tuinhuisje bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, alsmede een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair zestig dagen vervangende hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Waardering van de bewijsmiddelen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep betoogd dat op grond van de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen sprake is van opzettelijke brandstichting door de verdachte, waarbij gemeen gevaar voor goederen én levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat niet valt uit te sluiten dat het niet de verdachte maar een ander die aanwezig was op het tuinhuisjescomplex het tuinhuisje in brand heeft gestoken. De verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat óf getuige [getuige 1] óf getuige [getuige 2] de brand heeft gesticht.

Beoordeling door het hof

De getuige [getuige 2] (verder: [getuige 2]) heeft verklaard, dat hij zich met een aantal anderen en de verdachte op 6 augustus 2016 – na middernacht - buiten bij het clubhuis [clubhuis] aan de [adres] te Rotterdam bevond, alwaar zij een biertje dronken. Hij hoorde de verdachte zeggen dat hij het zat was dat hij meer moest betalen dan anderen op de tuinen en dat hij de boel in de fik zou gaan steken. Op gekscherende opmerkingen van anderen antwoordde de verdachte dat hij het echt zou doen.

Rond 01:00 uur zag deze getuige dat de verdachte samen met getuige [getuige 1] richting hun huisjes liep. Later hoorde hij van [getuige 1] dat deze na thuiskomst in het huisje meteen naar bed was gegaan, een harde klap had gehoord, was gaan kijken en had gezien dat het huisje van de verdachte in brand stond. [getuige 2] zelf zag, toen hij bij het brandende huisje aankwam, dat de verdachte op zijn hurken zat te kijken naar zijn brandende huis1.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard, dat hij zich op vrijdagavond 5 augustus 2016 in het clubhuis bevond. De verdachte kwam rond 23:00 uur aan. De getuige hoorde de verdachte een paar keer zeggen dat hij de boel in de fik zou steken. Dat ging over het feit dat de verdachte dacht dat hij meer moest betalen voor de huur dan anderen. Op een gegeven moment is de getuige samen met de verdachte teruggelopen naar hun huisjes. De getuige ging zijn huisje binnen, terwijl de verdachte doorliep naar zijn huisje. Toen de getuige zich in zijn huisje aan het uitkleden was, hoorde hij “Whoop, whoop!”. Hij keek naar buiten en zag meters hoge vlammen. De getuige ging naar buiten en zag dat de verdachte op zijn hurken naar de brand zat te kijken2.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de avond van 5 augustus 2016 in de kantine van het tuinencomplex voor het eerst zijn boosheid tegenover [getuige 2] en [getuige 1] heeft geuit over de door hem te betalen huurprijs voor zijn tuinhuisje. Het geschil was volgens de verdachte niet eerder een punt van discussie geweest tussen de verdachte enerzijds en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] anderzijds.

Uit het proces-verbaal van Forensische Opsporing d.d. 10 augustus 2016 volgt dat de brand zeer waarschijnlijk opzettelijk is aangestoken met behulp van een ontbrandbare stof. Volgens getuigen was de brand zeer snel ontstoken en uitslaand. Dit beeld past bij een brand waarbij een ontbrandbare vloeistof over een object is uitgegoten en tot ontsteking is gebracht3.

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 augustus 2016 blijkt dat in een bij het brandonderzoek genomen monster van brandresten vluchtige stoffen zijn aangetoond die afkomstig zijn van een aardoliedestillaat van subklasse kerosine en een relatief geringere hoeveelheid motorbenzine4.

Het hof acht op grond van het bovenstaande bewezen dat de verdachte de brand in het tuinhuisje op 6 augustus 2016 op het complex van de [x] aan de [adres] te Rotterdam opzettelijk heeft aangestoken. De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben verklaard dat de verdachte in de avond voorafgaand aan die bewuste nacht, boos was en diverse keren heeft gedreigd zijn huisje in brand te steken. Kort nadat de verdachte en de getuige [getuige 1] bij hun tuinhuisjes aankwamen is de brand met een snel ontbrandbare vloeistof aangestoken. [getuige 1] en [getuige 2] hebben de verdachte op zijn hurken bij zijn brandende huisje zien zitten.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde opzettelijke brandstichting heeft begaan.

Het hof acht niet bewezen dat sprake was van levensgevaar voor personen. De brand heeft zich voorgedaan op een tuinhuisjescomplex. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken op welke afstand de andere tuinhuisjes op het complex stonden en of, zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, sprake was van (illegale) permanente bewoning van de tuinhuisjes, zodat ook gedurende de nacht aanwezigheid van personen voorzienbaar was.
De stelling van de advocaat-generaal, dat er een gasfles in de buurt van het tuinhuisje stond en dat sprake was van eventueel rondvliegend vuur waarvoor sprake was van levensgevaar voor personen, is onvoldoende onderbouwd. Een en ander volgt niet uit de inhoud van het dossier. De verdachte zal derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het door de verdediging aangevoerde alternatief scenario overweegt het hof als volgt. Opgemerkt dient te worden dat het alternatief scenario zoals geschetst door de raadsman anders is dan hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte echter niet aannemelijk gemaakt en is ook overigens op geen enkele wijze gebleken dat een ander dan de verdachte, meer in het bijzonder de getuigen [getuige 1] of [getuige 2], de brand zou hebben gesticht. Uit het dossier volgt niet dat sprake was van ruzie of onenigheid tussen [getuige 1], [getuige 2] en de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aanvankelijk verklaard dat hun relatie goed was. Voorts heeft de verdachte volgens eigen zeggen op die bewuste avond voor het eerst zijn boosheid over de huurprijs van het tuinhuisje tegenover voornoemde getuigen kenbaar gemaakt. Het hof vermag niet in te zien dat zij (of enig ander) meteen daarna het plan zouden hebben opgevat om het huisje van de verdachte in brand te steken.

Het hof verwerpt het verweer.

Door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft, indien het hof de verdachte niet zal vrijspreken van het ten laste gelegde, ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de getuigen [getuige 3] en

[getuige 4].

Het hof is van oordeel dat het horen van de getuigen die volgens de verdediging zouden kunnen verklaren over een vermeende ruzie tussen de verdachte en anderen niet noodzakelijk is voor enige door het hof te nemen beslissing in het kader van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het is het hof niet gebleken dat de getuigen aanwezig waren in het clubhuis voorafgaande aan het incident. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij pas op de bewuste avond voor het eerst heeft aangegeven het niet eens te zijn met de huurprijs van het tuinhuisje.

Het hof wijst derhalve het verzoek af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 05 augustus 2016 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een tuinhuisje ([x]) gelegen op het [adres] aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandbare stof(fen)vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen) en/of (tegen dat) dat tuinhuisje (liggend openhaardhout), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat tuinhuisje en/of een schutting en/of een boom geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) tuinhuisje(s) en/of een schutting en/of een boom en/of goed(eren) op naastgelegen perceel/percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich toen in de nabijheid van dat tuinhuisje bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in een tuinhuisje, gelegen op een volkstuinencomplex aan de [adres] te Rotterdam, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door de brand is het tuinhuisje geheel of grotendeels afgebrand en is schade aan een schutting en een boom ontstaan. Feiten als het onderhavige zijn in hoge mate gevaarzettend en brengen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg, terwijl ze doorgaans ook financiële schade veroorzaken.
Het hof heeft acht geslagen op een reclasseringsadvies van Bouman GGZ, gedateerd 4 november 2016. Hierin is aangegeven dat bij de verdachte sprake lijkt te zijn van een relatie tussen alcoholgebruik en delictgedrag. Indien de verdachte schuldig zou worden bevonden, wordt de kans op herhaling van crimineel gedrag gemiddeld geacht, gezien de vermoedelijke alcoholproblematiek en sociaalmaatschappelijke instabiele situatie van de verdachte. Bij succesvolle ambulante behandeling en begeleiding wordt het recidiverisico als laag ingeschat. Vanwege de vermoedelijke alcoholproblematiek, de beperkte copingvaardigheden en de instabiele sociaal-maatschappelijke situatie van de verdachte wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden –kortgezegd- toezicht door en een meldplicht bij de reclassering, een verplichte behandeling bij de forensische polikliniek van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling, waarbij controle zal zijn op het alcoholgebruik van de verdachte, alsmede de verplichting om mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoek.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende en anders dan de advocaat-generaal die bij de bepaling van de straf ook had betrokken het te duchten levensgevaar - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een deels voorwaardelijke gevangenisstraf onder bijzondere voorwaarden zoals hierna weergegeven een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

4 (vier) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van

2 ( twee) jaren of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich te melden bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de kliniek verantwoord vindt, onder behandeling zal stellen van een forensische polikliniek van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen voor alcoholgebruik.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal laten begeleiden bij praktische zaken door het FACT team van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling, gedurende de volledige proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling verantwoord vindt;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek bij de start van de ambulante behandeling;

Geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Van 't Hul, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. H.J.M. Smid-Verhage,

in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 februari 2018.

1 proces-verbaal van verhoor getuige, PL1700-2016256197-9, p.5 en 6

2 proces-verbaal van getuige, PL1700-2016256197-8, p.7

3 proces-verbaal van Forensische Opsporing d.d. 10 augustus 2016 (p. 36)

4 het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 augustus 2016 (p. 4)