Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:836

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
22-001937-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mensensmokkel van 6 pp (waaronder 2 kinderen en een zwangere vrouw) in een bestelbus in een beperkt vrijgemaakte ruimte. Mensonwaardige omstandigheden. Alternatief scenario. Nadere bewijsoverweging wetenschap verdachte. Partiële vrijspraak van bestanddeel ‘terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of meer ander(en) te duchten was. Veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001937-17

Parketnummer: 10-750394-16

Datum uitspraak: 19 april 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortejaar] 1997,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 april 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 tot en met 30 september 2016 te Amsterdam en/of Heemskerk en/of Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander of anderen, te weten zes, althans één of meer personen met de Iraakse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft

en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft

door

  • -

    een busje te (laten) huren (met kenteken [kentekennummer])

  • -

    bovengenoemde personen in (de laadruimte van) genoemd busje (tussen autobanden) te (laten) vervoeren door Nederland richting Hoek van Holland om vervolgens de boot naar Groot-Brittannië te nemen en/of

  • -

    een ticket aan te schaffen voor de ferry (Stena Line) van Hoek van Holland naar Groot-Brittannië

en (aldus) de doorreis en/of het transport en/of toegang door/naar en/of het verblijf in Nederland en/of Groot-Brittannië georganiseerd en/of gefaciliteerd en/of gecoördineerd

terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis of dat verblijf wederrechtelijk was,

en terwijl daarvan levensgevaar voor een of meer ander(en), te weten genoemde zes personen van Iraakse, althans buitenlandse afkomst te duchten was.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak van het bestanddeel ‘terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of meer ander(en) te duchten was’

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het op de strafverzwarende omstandigheid van het in het vijfde lid van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht toegespitste onderdeel van de tenlastelegging, te weten 'terwijl daarvan levensgevaar voor een of meer ander(en) te duchten was’. Het hof overweegt daartoe dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het dossier het levensgevaar ten tijde van de smokkel, naar algemene ervaringsregels was te voorzien.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 tot en met 30 september 2016 te Amsterdam en/of Heemskerk en/of Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander of anderen, te weten zes, althans één of meer personen met de Iraakse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft

en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië en/of genoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft

door

  • -

    een busje te (laten) huren (met kenteken [kentekennummer])

  • -

    bovengenoemde personen in (de laadruimte van) genoemd busje (tussen autobanden) te (laten) vervoeren door Nederland richting Hoek van Holland om vervolgens de boot naar Groot-Brittannië te nemen en/of

  • -

    een ticket aan te schaffen voor de ferry (Stena Line) van Hoek van Holland naar Groot-Brittannië

en (aldus) de doorreis en/of het transport door en/of de toegang tot door/naar en/of het verblijf in Nederland en/of Groot-Brittannië georganiseerd en/of gefaciliteerd en/of gecoördineerd

terwijl hij, verdachte en haar mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis of dat verblijf wederrechtelijk was,

en terwijl daarvan levensgevaar voor een of meer ander(en), te weten genoemde zes personen van Iraakse, althans buitenlandse afkomst te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking van het verweer van de verdachte inzake het alternatief scenario

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De verdediging heeft daartoe het alternatief scenario geschetst dat de verdachte samen met een vriend, genaamd [persoon], autobanden in Nederland heeft gekocht en samen met hem in het huurbusje heeft geladen om deze autobanden vervolgens in Groot-Brittannië te verkopen. Na het laden heeft de verdachte de sleutels van het busje aan zijn vriend [persoon] gegeven. [persoon] heeft vervolgens buiten de aanwezigheid en zonder medeweten van de verdachte de zes personen, die illegaal in Nederland verbleven, in het busje achter de autobanden verstopt.

Het hof verwerpt dat verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft meerdere keren verklaard dat hij ten tijde van zijn aanhouding in het bezit was van een Samsung telefoon. Deze Samsung telefoon zou volgens de verklaringen van de verdachte de gegevens van [persoon] bevatten: de persoon die hij verantwoordelijk houdt voor het mensensmokkelincident waarvoor de verdachte is aangehouden.

In de periode van 1 oktober 2016 tot en met 24 november 2016 werd onderzoek gedaan naar deze ontbrekende Samsung telefoon. Uit dit onderzoek is gebleken dat er onder de verdachte nimmer een Samsung-telefoon is aangetroffen noch in het inbeslaggenomen voertuig. De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte alleen in het bezit was van een iPhone. Bovendien is de simkaart van het door verdachte verstrekte telefoonnummer [mobielnummer], welke volgens zijn eigen verklaring zou behoren bij de verdwenen Samsung, ten tijde van het smokkelincident wel gebruikt in een telefoon van het merk Motorola, terwijl uit onderzoek niet is gebleken dat de simkaart toen ook is gebruikt in een telefoon van het merk Samsung (proces-verbaal van bevindingen met nummer 16102808001910.BOB op p. 366 e.v.).

De verklaring van de verdachte met betrekking tot het bezit van een telefoon van het merk Samsung vindt derhalve op geen enkele wijze bevestiging in de in het dossier vervatte bewijsmiddelen en wordt zelfs ontkracht door de verklaring van zijn moeder en het verrichte onderzoek met betrekking tot het door de verdachte verstrekte telefoonnummer dat bij de telefoon van het merk Samsung zou horen.

Voorts is onderzoek gedaan naar de identiteit van [persoon]. Uit een vergelijking van de naam ‘[persoon]’, op verschillende schrijfwijzen, met de geregistreerde gegevens in het Basis Register Personen is gebleken dat er geen personen zijn geregistreerd welke in relatie zijn te brengen met het onderzoek. Ook uit de gegevens van de Kamer van koophandel en reeds geregistreerde politiegegevens blijkt dat de door de verdachte aangewezen garage aan de [adres] te Vijfhuizen, waar [persoon] volgens de verdachte eigenaar van zou zijn, geen relaties heeft met een persoon genaamd ‘[persoon]’ of een daarop gelijkende naam. De politie heeft meerdere pogingen gedaan om achter de identiteit van ‘[persoon]’ te komen. Het is echter gebleken dat deze persoon niet te traceren is (proces-verbaal van bevindingen met nummer 16102808001910.BOB, p. 445).

Het hof concludeert dat er geen enkel aanknopingspunt is voor het bestaan van de persoon ‘[persoon]’ en de juistheid van het door de verdachte gestelde scenario. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het door de verdediging geschetste alternatief scenario niet aannemelijk is geworden.

Bewijsoverweging

Dat de verdachte persoonlijk bij het in het busje verbergen van de vreemdelingen betrokken is geweest of daarvan anderszins wetenschap heeft gehad, kan uit de stukken in het dossier niet zondermeer worden opgemaakt.

Desalniettemin acht het hof ook bewezen dat de verdachte wist dat de verdachte vreemdelingen vervoerde en dat dit ook de opzet van de reis was. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Een bedrijfseconomisch motief dat was gelegen in de verkoop van autobanden en de aankoop van motoren die vervolgens weer verkocht moesten worden, acht het hof onder de door de verdachte geschetste omstandigheden volstrekt ongeloofwaardig. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven dat hij verstand van zaken heeft. Voorts heeft de verdachte wisselend en weinig concreet verklaard over deze reis en is het bestaan van [persoon], zoals hiervoor reeds is overwogen, niet aannemelijk geworden.

Er is daarmee geen ander doel gebleken dan dat het busje bestemd was voor mensensmokkel nu daarin, verborgen achter autobanden, zes vreemdelingen zijn aangetroffen.

Aangezien de verdachte heeft verklaard dat hij het busje heeft geregeld waarmee de vreemdelingen in zijn aanwezigheid zijn vervoerd, banden heeft verzameld waarachter de vreemdelingen verborgen zaten en de tickets voor de Ferry naar Engeland heeft gekocht, is het hof van oordeel dat deze handelingen in de gegeven context niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan in dienst te staan van mensensmokkel. Het kan daarom niet anders dan dat de verdachte willens en wetens het transport van de vreemdelingen heeft georganiseerd en gefaciliteerd op de bewezenverklaarde wijze.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mensensmokkel, meermalen gepleegd

en

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smokkel van een echtpaar, waarvan de vrouw zwanger was, en een gezin, bestaande uit een man, een vrouw en hun twee minderjarige kinderen. Hij heeft voor deze zes personen de wederrechtelijke doorreis door Nederland georganiseerd en gefaciliteerd, door hen te vervoeren in de laadruimte van een bestelbus en door een ticket aan te schaffen voor de overtocht van deze bestelbus met Stena Line B.V. van Hoek van Holland naar Groot-Brittannië.

Mensensmokkel doorkruist het overheidsbeleid aangaande bestrijding van wederrechtelijke doorreis door Nederland en draagt bij aan het in stand houden van een illegaal circuit dat allerhande maatschappelijke ongewenste effecten met zich brengt.

De personen zijn voorts vervoerd onder gevaarlijke omstandigheden die grote risico’s voor de gesmokkelde personen, met name de zwangere vrouw en een nog jong kind, met zich mee hebben meegebracht. Deze personen stonden tussen opgestapelde en niet gezekerde autobanden. Er waren geen veiligheidsvoorzieningen. Het hof neemt het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat de zes personen zijn vervoerd in een beperkt vrijgemaakte ruimte in een bestelbus, waarbij zij vele uren in een rijtje in het pikkedonker naast elkaar hebben moeten staan. Het hof acht deze omstandigheden mensonwaardig.

Gelet op de ernst van het feit is het hof dan ook van oordeel dat niet anders gereageerd kan worden dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2018.

Tot slot heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het door Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 4 april 2017.

Het hof ziet – anders dan door de verdediging is bepleit - geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht overeenkomstig artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, nu de verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde 18 jaar was en het hof ook in de persoonlijkheid van de verdachte daar geen reden voor ziet. Wel zal het hof bij de strafoplegging rekening houden met de nog jonge leeftijd waarop de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. R.J. de Bruijn,

in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het

hof van 5 april 2018.

Mr. S.A.J. van 't Hul is buiten staat dit arrest te ondertekenen.