Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:822

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
200.214.214/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vernietiging van erkenning minderjarige door niet-biologische vader, ingesteld door de biologische vader. Biologische vader heeft verzoekschrift pas ingediend negen maanden nadat zijn advocaat aan de moeder schriftelijk om toestemming tot erkenning had gevraagd. Toepassing van 'minder strikte maatstaf'?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/54.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak: 11 april 2018

Zaaknummer : 200.214.214/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-188

Zaaknummer rechtbank : C/09/503292

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T. Venneman te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.E. van Hoeve te Amsterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de bijzondere curator] ,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,

kantoorhoudende te [plaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

2. [de juridische vader] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: [de juridische vader] .

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 14 april 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2017 (hierna: de bestreden beschikking).

De moeder heeft op 13 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

De bijzondere curator heeft op 13 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

Voorts is bij het hof van de zijde van de man op 7 juni 2017 een journaalbericht van 24 mei 2017 ingekomen.

De zaak is op 8 maart 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De moeder en [de juridische vader] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 1 september 2016.

Bij de tussenbeschikking van 1 september 2016 van de rechtbank Den Haag heeft de rechtbank het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, afgewezen en een DNA-onderzoek gelast naar de vraag of de man de verwekker van de hierna te noemen minderjarige is. Verder heeft de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de vervangende toestemming erkenning, de vernietiging van de erkenning, de kosten van het deskundigenonderzoek, het gezag, de omgang en de proceskosten aangehouden.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken ter zake van de vervangende toestemming tot erkenning en het gezag over de minderjarige. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    Uit de affectieve relatie van de moeder en de man is geboren: [de minderjarige] [in] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige.

  • -

    De minderjarige is op 14 december 2015 door [de juridische vader] erkend bij notariële akte, van welke erkenning door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding is gemaakt op de geboorteakte van de minderjarige op 17 december 2015.

  • -

    Uit een uittreksel gezagsregister blijkt dat de moeder en [de juridische vader] vanaf 8 februari 2016 gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast.

  • -

    De man, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2016 is [de bijzondere curator] voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek te vertegenwoordigen.

  • -

    Na DNA-onderzoek is gebleken dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verwekker is van de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verkrijging van de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige en het gezag over de minderjarige door de man.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man te ontvangen in zijn verzoek tot erkenning en gezag, de erkenning door de erkenner ( [de juridische vader] ) te vernietigen, vervangende toestemming tot erkenning aan de man te verlenen en hem samen met de vrouw mede met het gezag over de minderjarige te belasten.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden te bekrachtigen en het verzoek van de man te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen. Ter zitting is zij hiervan teruggekomen en heeft zij te kennen gegeven dat zij vernietiging van de erkenning door [de juridische vader] wenst.

4. De bijzondere curator bestrijdt het hoger beroep van de man en verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking, voor zoveel nodig met aanvulling/verbetering van de gronden, te bekrachtigen met compensatie van de kosten. Ter zitting heeft de bijzondere curator aangegeven een verzoek tot vernietiging van de erkenning door [de juridische vader] namens de minderjarige te overwegen.

Bijzondere curator

5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen andere bijzondere curator heeft benoemd om deze zaak opnieuw te bestuderen en eventueel namens de minderjarige de vernietiging van de erkenning te vragen. De man wijst erop dat hij een duidelijke rol in het leven van de minderjarige heeft en regelmatig omgang met hem heeft. Volgens de man heeft de bijzondere curator verzuimd deze informatie bij de zaak te betrekken.

6. De bijzondere curator en de moeder zijn van mening dat de rechtbank het verzoek van de man terecht heeft afgewezen.

7. Het hof passeert de stellingen van de man met betrekking tot de benoeming van een andere bijzondere curator. Niet gebleken is dat het onderzoek van de bijzondere curator in eerste aanleg ondeugdelijk was, evenmin is gebleken dat er geen sprake was van een eerlijk proces. Bovendien is de man in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt nogmaals toe te lichten. Het hof zal het verzoek van de man – hoewel (kennelijk abusievelijk) niet in het petitum opgenomen – om een nieuwe bijzondere curator te benoemen dan ook afwijzen.

Vernietiging van de erkenning

8. De man stelt dat hij, althans zijn advocaat, de moeder bij brief van 1 april 2015 heeft verzocht om mee te werken aan de erkenning door hem van de minderjarige. Op 30 april 2015 is die toestemming geweigerd. Nadien heeft de man nog regelmatig contact met de moeder gezocht om te proberen in minnelijk overleg tot erkenning en een omgangsregeling te komen. Op een gegeven moment is de man – mede door uitlatingen van de zijde van de moeder – gaan twijfelen of hij wel de biologische vader van de minderjarige was. Dat reeds een akte van erkenning (opgemaakt op 14 december 2015 en ingeschreven op 17 december 2015 in de registers van de gemeente [plaats] ) was opgemaakt, bleek pas na de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg. Gelet op het voorgaande is de man van mening dat de rechtbank een minder strikte maatstaf had moeten hanteren. De man was immers door de moeder bewust op het verkeerde been gezet. Door de uitlatingen van de moeder was het hem niet bekend dat hij daadwerkelijk de verwekker van de minderjarige was. Hem kan derhalve niet verweten worden dat hij zijn verzoek niet eerder, namelijk binnen drie maanden na de brief van 1 april 2015, heeft ingediend. Ter zitting heeft de man er nog op gewezen dat de situatie tussen hem en de moeder inmiddels is gewijzigd. De man en de moeder hebben tussentijds opnieuw een relatie met elkaar gehad en de man ziet de minderjarige op regelmatige basis.

9. In het verweerschrift stelt de moeder dat er geen grond bestaat om de erkenning door [de juridische vader] te vernietigen. Volgens de moeder is geen sprake geweest van onzekerheid bij de man. Hij wist dat de moeder niet wilde dat de minderjarige door hem zou worden erkend. Ook heeft zij de man niet bewust op het verkeerde been gezet. De man heeft geruime tijd de gelegenheid gehad om zich met een verzoek om vervangende toestemming tot de rechtbank te wenden, voordat [de juridische vader] de minderjarige erkende om op deze manier – samen met het later geboren halfbroertje van de minderjarige – een gezin te vormen. De man heeft deze gelegenheid onbenut gelaten. Na de erkenning heeft [de juridische vader] wel degelijk een rol in het leven van de minderjarige gespeeld. De moeder heeft dit echter uit angst voor de man verzwegen. Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat de man inmiddels op regelmatige basis contact heeft met de minderjarige en dat haar relatie met [de juridische vader] is verbroken. Hij speelt geen enkele rol meer in het leven van de minderjarige en zij wenst dat de erkenning door [de juridische vader] van de minderjarige ongedaan wordt gemaakt.

10. De bijzondere curator heeft in zijn hoger beroepschrift gesteld dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot erkenning van de minderjarige. De man heeft ver na de ingangsdatum van de driemaandstermijn – zijnde 1 april 2015 – zijn verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Het verzoekschrift is op 8 januari 2016 ingediend: ruim negen maanden na voornoemde brief. De man had bijstand van zijn advocaat en wist, althans behoorde te weten, dat hij binnen drie maanden na 1 april 2015, derhalve uiterlijk op 1 juli 2015, een verzoekschrift tot erkenning had behoren in te dienen. Dat de man dit niet heeft gedaan behoort naar de mening van de bijzondere curator tot zijn risicosfeer. Volgens de bijzondere curator heeft de moeder recht en belang bij duidelijkheid. In een zo prangende vraag als erkenning behoort zij niet al te lang in onzekerheid verkeren. Zij mocht – nu zij niets meer hoorde van de man c.q. zijn advocaat – in de zomer van 2015 erop vertrouwen dat de man niet volhardde in zijn vraag tot erkenning van de minderjarige. Het is de bijzondere curator niet gebleken dat de moeder slechte bedoelingen heeft gehad met de erkenning van de minderjarige door [de juridische vader] of dat zij de man bewust wilde benadelen. Van misbruik van bevoegdheid is niet gebleken, aldus de bijzondere curator.

11. Ter zitting van het hof heeft de bijzondere curator verklaard dat in de afgelopen maanden veel is gebeurd. De relatie tussen de moeder en [de juridische vader] is beëindigd. Zij hebben uiteindelijk nooit samen een gezin gevormd. Wel hebben de moeder en [de juridische vader] samen een kind gekregen. Over het gezag en omgang van dat kind wordt thans geprocedeerd. De bijzondere curator wijst erop dat [de juridische vader] inmiddels een inreisverbod van tien jaar heeft gekregen in verband met zijn strafrechtelijke verleden. [de juridische vader] heeft daartegen hoger beroep ingediend. De moeder is er achter gekomen dat [de juridische vader] alleen een relatie met haar wilde om een Nederlandse verblijfsvergunning te verkrijgen. Onder deze omstandigheden is de bijzondere curator van mening dat nagegaan moet worden of het in het belang van de minderjarige is dat de man ook de juridische vader van de minderjarige wordt. De bijzondere curator overweegt daarom namens de minderjarige om een verzoek tot vernietiging van de erkenning door [de juridische vader] te doen. Hij wil echter eerst afwachten of het inreisverbod van [de juridische vader] in hoger beroep in stand blijft. Indien dat zo is, kan laatstgenoemde immers feitelijk niet voor de minderjarige zorgen, aldus de bijzondere curator.

12. De raad heeft er ter zitting voor gepleit om de vernietiging van de erkenning van de minderjarige door [de juridische vader] al te laten plaatsvinden. Ook als nog niet duidelijk is hoe de zaken tussen de moeder en [de juridische vader] zullen verlopen. Tussen de man en de minderjarige vindt op dit moment omgang plaats. De raad wijst erop dat het normaliter de bedoeling is dat de biologische vader ook de juridische vader van een kind is.

13. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft bepaald dat de erkenning van de minderjarige door [de juridische vader] niet door de man kan worden aangetast. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat onweersproken vast is komen te staan dat de man op 1 april 2015 door middel van een brief van zijn advocaat de vrouw om toestemming tot erkenning van de minderjarige heeft gevraagd en het verzoekschrift van de man tot vervangende toestemming pas op 8 januari 2016 bij de rechtbank is ingediend. Nu het verzoekschrift van de man bij de rechtbank (ruim) buiten de in de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde termijn van drie maanden is ingediend, is de door de moeder aan [de juridische vader] verleende toestemming onvoorwaardelijk geworden. Verder ziet het hof in deze kwestie – ondanks dat tussen de man en de minderjarige inmiddels omgang is gerealiseerd, de verhouding tussen de man en de moeder lijkt te zijn genormaliseerd en [de juridische vader] een inreisverbod heeft gekregen, waardoor hij Nederland niet meer in kan en geen enkele band met de minderjarige heeft – geen aanleiding om de zogenoemde “minder strikte” maatstaf uit de rechtspraak van de Hoge Raad te hanteren. Dat de vrouw twijfel heeft gezaaid over de vraag of de minderjarige het kind van de man was, leidt – mede gelet op het feit dat de man uitdrukkelijk heeft verklaard er desondanks altijd vanuit te zijn gegaan dat hij de biologische vader van de minderjarige was – niet tot een andere conclusie. Ook is het hof niet gebleken dat de moeder de toestemming aan [de juridische vader] om de minderjarige te erkennen slechts heeft gegeven met het oogmerk de belangen van de man te schaden, nu de moeder en [de juridische vader] ten tijde van die erkenning een affectieve relatie met elkaar hadden, de moeder zwanger van hem was en zij voornemens waren een gezin te vormen. De advocaat van de moeder heeft dit ter zitting nog bevestigd.

14. Gezien het voorgaande komt het hof niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de man tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige en – nu de man niet de juridische vader van de minderjarige is – het verzoek van de man om hem mede met het gezag over de minderjarige te belasten. Het hof ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden en zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.

Proceskosten

15. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

16. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, A.E. Sutorius-van Hees en I. Obbink-Reijngoud, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2018.