Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:800

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.184.802/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geënsceneerde aanrijding? Opzet tot misleiding aangenomen door het schadeaangifteformulier en een verklaring ten overstaan van ITEB, waarvan verzekeringnemer de inhoud door ondertekening akkoord heeft bevonden en voor zijn rekening heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.184.802/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/403098 / HA ZA 12-492

arrest van 24 april 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. Ü. Arslan te Den Haag,

tegen

Allianz Benelux N.V.

(rechtsopvolgster van Allianz Nederland Schadeverzekering N.V.),

gevestigd te Brussel, kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: Allianz Benelux,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

Het geding

Het verloop van het geding blijkt uit:

- het tussenarrest van 1 maart 2016 en de daarin vermelde stukken

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 21 april 2016

- het proces-verbaal van de (voortzetting) comparitie/enquête van 28 oktober 2016

- de akte uitlating voortprocederen aan de zijde van [appellant] , met één productie

- de akte uitlating aan de zijde van Allianz Benelux

- de memorie van grieven

- de memorie van antwoord tevens houdende grieven in voorwaardelijk incidenteel appel

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

Vervolgens heeft Allianz de stukken overgelegd en is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 18 december 2013 (hierna: het tussenvonnis) vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om de weigering door Allianz Benelux om dekking te verlenen onder een door [appellant] met haar gesloten motorrijtuigenverzekering voor (casco)schade die [appellant] heeft geleden toen zijn personenauto (een [automerk] met kenteken [nummer 1] ) op 12 september 2011 in Rotterdam werd aangereden door een andere personenauto (een [merk auto] met kenteken [nummer 2] , bestuurd door [bestuurder] ). Verder gaat het in deze zaak om de registratie door Allianz Benelux van gegevens betreffende [appellant] in diverse registers wegens opzettelijke misleiding.

3. [appellant] heeft in conventie onder meer gevorderd Allianz Benelux te veroordelen de tussen hen gesloten motorrijtuigenverzekering na te komen, waaronder het vergoeden van de door [appellant] als gevolg van de aanrijding van 12 september 2011 geleden schade. Allianz Benelux stelt zich op het standpunt dat er sprake is van opzettelijke misleiding door [appellant] met betrekking tot de aanrijding, omdat er sprake zou zijn geweest van een ‘geënsceneerd ongeval’. Allianz Benelux heeft ter onderbouwing daarvan een reeks tegenstrijdigheden en verdachte omstandigheden uit het dossier genoemd (r.o. 4.2 van het tussenvonnis).

4. In reconventie heeft Allianz Benelux van [appellant] vergoeding gevorderd van gemaakte onderzoekskosten voor een bedrag van € 3.555,81. Zij houdt [appellant] hiervoor aansprakelijk op de grond dat [appellant] wanprestatie en/of een onrechtmatige daad heeft gepleegd door aan haar onjuiste informatie te verstrekken.

5. De rechtbank heeft bij het tussenvonnis Allianz Benelux bewijs opgedragen dat sprake is van opzettelijke misleiding aan de zijde van [appellant] . Na bewijsvoering heeft de rechtbank vervolgens bij vonnis van 23 september 2015 (hierna: het eindvonnis) het bewijs geleverd geacht en op grond daarvan de vorderingen in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie.

6. In hoger beroep zijn ter gelegenheid van (de voortzetting van) de comparitie na aanbrengen getuigen gehoord over (de totstandkoming van) de verklaring van 18 oktober 2011 van [appellant] die in eerste aanleg bij antwoordconclusie na enquête in het geding is gebracht en over de situatie rond de verkoop van de [automerk] van [appellant] op 6 december 2011. [appellant] heeft verder een verklaring van mr. D.M. Uithol, zijn advocaat in de eerste aanleg, in het geding gebracht. Vervolgens hebben partijen hun memories gewisseld in het principaal appel en het voorwaardelijk incidenteel appel.

7. Bij memorie van grieven heeft [appellant] slechts grieven aangevoerd tegen het eindvonnis en ook slechts vernietiging van het eindvonnis gevorderd.

8. Met grief 1 in het principaal appel keert [appellant] zich tegen de overwegingen 2.9 en 2.10 van het eindvonnis. Daarin beoordeelt de rechtbank de onder 2.8 geconstateerde discrepantie tussen enerzijds de door de rechtbank vastgestelde omstandigheden met betrekking tot de aanrijding en anderzijds de door [appellant] geuite verklaringen op het schadeaangifteformulier en tegenover de door Allianz Benelux ingeschakelde schade-expert [naam schade-expert] van ITEB. Deze discrepantie betreft onder meer de snelheid van de [merk auto] direct voor de aanrijding, die veel lager is geweest dan de door [appellant] genoemde 50 km per uur, en het feit dat de [automerk] van [appellant] direct voor de aanrijding (nagenoeg) stilstond en niet 40 km per uur reed, zoals is vermeld op het schadeaangifteformulier en de verklaring tegenover ITEB. Daarnaast is de verklaring tegenover ITEB onjuist met betrekking tot de bestemming waarnaar [appellant] op weg was en ontbreekt daarin de door [appellant] in deze procedure benadrukte stelling dat hij direct voor de aanrijding moest remmen voor een fietser.

9. [appellant] heeft in zijn bij antwoordconclusie na enquête overgelegde verklaring erkend dat in zijn verklaring tegenover ITEB diverse zaken staan die onvolledig zijn dan wel niet kloppen. Hij heeft daarover aangevoerd dat dit is veroorzaakt door zijn gebrekkige Nederlands en doordat hij hieraan ten tijde van het gesprek met [naam schade-expert] geen aandacht had besteed omdat hij door een toezegging van [naam schade-expert] in de veronderstelling was dat hij nog aanvullingen en wijzigingen in zijn verklaring kon aanbrengen.

10. Een belangrijk twistpunt tussen partijen vormt derhalve de vraag naar de betekenis van de verklaring van [appellant] die door [naam schade-expert] is opgesteld naar aanleiding van het gesprek met [appellant] op 19 september 2011, op welke verklaring [appellant] onderaan blz. 1, onderaan blz. 2 en op de situatieschets op blz. 3 een handtekening dan wel paraaf heeft geplaatst. Indien een van de grieven van [appellant] zou slagen, moet het hof in het kader van de zogenoemde devolutieve werking van het appel de in eerste aanleg door Allianz Benelux gevoerde verweren die zijn verworpen of niet zijn behandeld opnieuw beoordelen, ongeacht of Allianz Benelux die weren in incidentele grieven opnieuw aan de orde heeft gesteld. Eén van de verweren van Allianz Benelux vormde haar stelling dat [appellant] haar opzettelijk had misleid. Die stelling levert een bevrijdend verweer op tegen de vordering van [appellant] tot het verkrijgen van uitkering krachtens de verzekering, zodat de bewijslast daarvan op Allianz Benelux rust. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Allianz Benelux een beroep gedaan op het schadeaangifteformulier en de verklaring tegenover ITEB. Volgens haar is [appellant] pas nadat hij kennis had genomen van de bevindingen van Allianz Benelux, gaan ‘morrelen’ aan de inhoud en de wijze van ondertekening van die verklaringen. Het hof ziet aanleiding in verband hiermee als volgt te overwegen.

11. [appellant] heeft zowel het schadeaangifteformulier als de verklaring van 19 september 2011 ondertekend, het eerste met zijn handtekening en de tweede met zijn handtekening of paraaf. Ook een geparafeerd geschrift kan gelden als een ondertekend geschrift, indien de paraaf degene die haar plaatst in voldoende mate individualiseert (HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:20102:BV6698, NJ 2012/570). Gesteld noch gebleken is dat de paraaf onder de verklaring van 19 september 2011 [appellant] niet in voldoende mate individualiseert. Daaraan doet niet af – zo volgt uit het arrest van 5 oktober 2012 – dat [appellant] het Nederlands niet goed machtig zou zijn. Evenmin doet daaraan af dat [appellant] slechts zou hebben getekend omdat dit nodig zou zijn voor administratieve doeleinden (inleidende dagvaarding, onder 29), nu dit op geen enkele wijze blijkt uit de verklaring, waarin integendeel direct boven de ondertekening door [appellant] is vermeld:

“Het bovenstaande heeft u mij zojuist geheel voorgelezen. Ik heb daaraan niets toe te voegen en/of in te wijzigen. Ik zal deze verklaring dan ook, na doorlezing per pagina voor akkoord ondertekenen”.

12. Van de zojuist aangehaalde slotverklaring is niet gesteld of gebleken dat [appellant] deze niet heeft begrepen. Dat ligt ook niet voor de hand, nu [appellant] in staat is gebleken de vragen op het schadeaangifteformulier te lezen en te beantwoorden en met betrekking tot de verklaring van 19 september 2011 heeft gesteld dat hij doelbewust afzag van het plaatsen van een handtekening en volstond met een paraaf. Gelet op de slotverklaring, moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] de inhoud van de verklaring van 19 september 2011 akkoord heeft bevonden. In elk geval heeft hij door ondertekening de verklaring voor zijn rekening genomen.

13. Van belang is vervolgens dat [appellant] heeft gesteld dat hij door gebrekkige beheersing van het Nederlands de inhoud van de verklaring van 19 september 2011 niet (goed) begreep en daarom toen aan [naam schade-expert] heeft gezegd dat hij zijn handtekening niet wilde plaatsen. Verder heeft hij verklaard dat [naam schade-expert] hem had toegezegd dat hij de verklaring zou uitwerken en via de verzekeringsmaatschappij aan hem zou opsturen zodat hij deze kon doorlezen en vervolgens kon ondertekenen en retour sturen. Deze stellingen van [appellant] strekken ertoe, zo begrijpt het hof, zijn betwisting te onderbouwen dat uit het schadeaangifteformulier en de verklaring van 19 september 2011 zou kunnen worden afgeleid dat hij Allianz Benelux opzettelijk heeft willen misleiden. Het hof zal derhalve moeten bezien of deze – door Allianz Benelux weersproken – onderbouwing zodanig is dat [appellant] ondanks de ondertekening door hem niet kan worden gehouden aan de inhoud van het schadeaangifteformulier en de verklaring van 19 september 2011.

14. Met betrekking tot de gang van zaken tijdens het gesprek van 19 september 2011 tussen [appellant] en [naam schade-expert] zijn de getuigenverklaringen van [naam schade-expert] en [appellant] van belang, alsmede de (bij antwoordconclusie na enquête overgelegde) verklaring van [appellant] van 18 oktober 2011. Met betrekking tot de mate waarin [appellant] het Nederlands machtig is, zijn getuigenverklaringen voorhanden van [appellant] zelf, zijn echtgenote [echtgenote] en buurman [Y] , terwijl ook [naam schade-expert] daarover als getuige heeft verklaard. Van belang is ten slotte het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 29 juni 2016.

15. [naam schade-expert] heeft als getuige op 17 juni 2014 als volgt verklaard:

“In mijn rapport komt een verklaring voor zoals ik die heb opgetekend uit de mond van de heer [appellant] . Hij sprak goed Nederlands. Daar had ik geen twijfel over. Hij begreep al mijn vragen heel goed. Deze verklaring heeft ook de normale duur gehad van verklaringen die ik afneem van Nederlands sprekende personen. Als ik twijfel had gehad over het vermogen van de heer [appellant] om mijn vragen goed te begrijpen en zijn antwoorden duidelijk te formuleren dan had ik beslist een tolk ingeschakeld. Zoals gezegd, die twijfel had ik helemaal niet. Hij heeft ook niet aangegeven tegenover mij dat hij moeite had met de Nederlandse taal. Ik heb hem zijn antwoorden op mijn vragen één voor één voorgelezen met de vraag of ik het zo goed begrepen had. Dat heeft hij telkens beaamd en uiteindelijk heb ik hem zijn gehele verklaring voorgelezen. Zo heeft hij zijn eigen verklaring twee of drie keer gehoord voordat hij deze heeft ondertekend. Dat ondertekenen vond plaats nadat ik het ter plekke had uitgeprint. Dat doe ik altijd zo zodat ik later geen wijzigingen meer aan kan brengen in de verklaring. Dat verhoogt de betrouwbaarheid ervan. Ik zie overigens dat de heer [appellant] nu ook hier is zonder tolk, zodat het mij vreemd voorkomt dat mij in de procedure verweten wordt dat ik hem zonder tolk heb gehoord. (…)

De verklaring van [appellant] is exact overeenkomstig hetgeen hij mij verklaard heeft, ook met betrekking tot het tijdstip van de aanrijding als met betrekking tot de snelheid waarmee hij zou hebben gereden. (…)

Pas op het moment dat ik zeker weet dat daar niets meer bij hoeft te worden gezet, dan pas wordt de verklaring afgedrukt en waarna de verklaring wordt overhandigd en paraafjes worden gezet op de eerste pagina’s, en een handtekening op de laatste pagina en dat is in dit geval ook gebeurd.”

16. [appellant] heeft in zijn niet ondertekende verklaring van 18 oktober 2011 als volgt verklaard:

“Tijdens het bezoek van de heer [naam schade-expert] aan mij heb ik duidelijk aangegeven dat ik de Nederlandse taal onvoldoende machtig ben. Ik heb daarom gezegd dat ik de door de heer [naam schade-expert] opgestelde verklaring eerst met mijn vrouw wilde doorlezen, voordat ik deze zou tekenen. De heer [naam schade-expert] drong vervolgens aan dat ik dan toch in ieder geval een paraaf zou zetten, wat ik heb gedaan. Vergelijk hiervoor de paraaf op de verklaring met mijn handtekening op het schadeformulier. De heer [naam schade-expert] heeft mij toegezegd dat hij de verklaring zou uitwerken en via de verzekeringsmaatschappij aan mij zou opsturen zodat ik deze kon doorlezen en vervolgens kon ondertekenen en retour sturen. (…)

Er staan diverse zaken in de verklaring die onvolledig zijn, dan wel niet kloppen. Omdat ik door de toezegging van de heer [naam schade-expert] in de veronderstelling was dat ik nog aanvullingen cq wijzigingen kon aanbrengen, heb ik hier ten tijde van ons gesprek geen aandacht aan besteed. (…)

Alle bovenstaande zaken geven aan dat door mijn gebrekkige Nederlands er zaken in het rapport van ITEB zijn opgenomen die niet of slechts gedeeltelijk door mij zo zijn verklaard. Dat mijn paraaf onder een verklaring staat komt door het aandringen van de heer [naam schade-expert] en door het feit dat hij heeft toegezegd dat ik later wijzigingen en/of aanvulling kon maken.”

17. In het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 29 juni 2016 ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. I.M. Davids is het volgende opgenomen:

“Dhr. [appellant] verklaart:

(…). Er is een misverstand. Ik ben bezig met talen, ik wil Nederlands goed leren. Ik ben in 2004 of 2005 in Nederland gekomen. (…)

(De raadsheer-commissaris vraagt of [appellant] goed begrijpt wat zij zegt. Mr. Arslan laat weten dat hij zo nodig even tolkt en dat zijn cliënt graag zelf zijn verhaal wil doen.)

[naam schade-expert] komt naar mijn huis. Weet niet meer datum. Hij belt mij. Ik was in fysio. Hij zei ik kom voor jouw letselschade. Ik zeg: wij hebben verkeerd gedaan? Hij zegt: ik kom naar u. Hij kwam naar mij toe. Ik vraag: koffie drinken? Hij begon met vragen hoe heb je het gedaan. Ik zeg: weet niet. Hij vroeg hoe hard de auto’s reden. Ik zeg: ik weet niet. Hij vraagt nog telefoonnummer geven. Ik zeg: nee, op formulier. Kun je wel zien. Hij zegt: waar rijden. Ik zeg: naar crèche. Hij zegt: boodschappen? Ik zeg: ja eerst boodschappen. Er was niemand anders aanwezig bij gesprek. Toen mijn Nederlands nog slechter. Ik ga nu nog meer Nederlands leren, want ik wil nooit meer zo een misverstand.(…). Ik zei meneer [naam schade-expert] : ik snap het niet. Ik wilde het papiertje niet ondertekenen, alleen paraaf zetten. Hij zei: het komt goed. (…). Toen brief kwam (raadsheer-commissaris: dit betreft brief 13 oktober 2011 van Allianz met de weigering uit te keren) begreep ik brief niet. Mijn vrouw heeft de brief gelezen. (…) Daarna met mijn vrouw naar mijn buurman gegaan. Kun je voor ons een goed briefje tekenen? (…) Ik vertelde wat er precies is gebeurd en mijn vrouw vertaalde het.

(De raadsheer-commissaris constateert dat meneer weliswaar Nederlands spreekt, en veel begrijpt van wat zij vraagt, maar niet alles. Bovendien merkt zij dat hij niet in de volzinnen spreekt die opgenomen zijn in de verklaring van meneer [naam schade-expert] (van ITEB). Voor de opmerking van mr. Haase die hierop volgt wordt verwezen naar haar verklaring hieronder.)

(…) Mr. Haase verklaart:

Meneer [naam schade-expert] was bij het kortgeding. Hij constateerde toen dat [appellant] tijdens het gesprek tussen [appellant] en hem veel beter Nederlands sprak dan tijdens de zitting. U constateert nu iets, maar dat heeft meneer [naam schade-expert] ook gedaan. Tijdens zittingen is het Nederlands van [appellant] aanzienlijk veel slechter dan anders. Zo nodig willen wij meneer [naam schade-expert] opnieuw horen.

De raadsheer-commissaris heeft geconstateerd dat [appellant] een paar keer tijdens de zitting in het Turks met mr. Arslan heeft gesproken als hij de vraag niet goed begreep of

antwoorden niet kon verwoorden.

18. [appellant] heeft als getuige op 28 oktober 2016 (bijgestaan door een tolk) als volgt verklaard met betrekking tot zijn hiervoor reeds genoemde verklaring van 18 oktober 2011.

“(…) Ik praat Nederlands met mijn buurman.

Ik vertelde het aan mijn vrouw in het Turks en zij vertelde het in het Nederlands aan de buurman. Ik vertelde soms ook dingen rechtstreeks aan de buurman in het Nederlands. Ik kon toen nog slechter Nederlands dan nu. (…)”

19. Getuige [Y] heeft op 28 oktober 2016 verklaard:

“Het klopt dat ik de buurman ben van meneer [appellant] . (…) In 2007 hebben wij de huizen gekocht en we wonen er sinds 2008. Toen ik meneer leerde kennen was zijn Nederlands erg slecht en ik had moeite om hem te begrijpen. Ik heb samen met zijn vrouw, die alles vertaalde omdat ze beter Nederlands sprak, hem geholpen om de verklaring op te stellen. (…) Ik heb meneer [appellant] geholpen met de verklaring omdat zijn Nederlands slecht was.”

20. Getuige [echtgenote] heeft op 28 oktober 2016 verklaard:

“Onze buurman is bij ons gekomen om te helpen de verklaring op te stellen. De taal van mijn man was niet goed genoeg om dat te doen en schriftelijk ben ik niet goed genoeg om zelf de verklaring op te stellen.”

21. Het hof is, gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen, van oordeel dat onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat [appellant] het Nederlands op 19 september 2011 zodanig slecht beheerste dat moet worden geoordeeld dat als gevolg daarvan de door hem toen ondertekende verklaring geen goede weergave vormt van zijn beantwoording van de door [naam schade-expert] gestelde vragen. Verder is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [naam schade-expert] [appellant] heeft toegezegd dat hij de verklaring zou uitwerken en via de verzekeringsmaatschappij aan hem zou opsturen zodat hij deze kon doorlezen en vervolgens kon ondertekenen en retour sturen.

Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat [appellant] in elk geval in staat is gebleken (rubriek B van) het schadeaangifteformulier te lezen en te beantwoorden, waaruit – zoals ook de rechtbank heeft overwogen – een behoorlijk begrip van het Nederlands blijkt, zowel ten aanzien van lezen als schrijven.

Verder acht het hof van belang dat [appellant] het gesprek met [naam schade-expert] alleen heeft gevoerd en dus kennelijk bijstand van een tolk toen niet onontbeerlijk achtte. Weliswaar houdt zijn getuigenverklaring in dat hij [naam schade-expert] heeft gezegd dat hij het Nederlands onvoldoende machtig was, maar [naam schade-expert] verklaart het tegendeel en verklaart voorts dat hij beslist een tolk zou hebben ingeschakeld als hij had getwijfeld aan het begripsvermogen en vermogen tot formuleren van [appellant] .

In dit verband acht het hof het ongeloofwaardig dat [naam schade-expert] , zoals [appellant] verklaart, zou hebben gezegd dat [appellant] op dat moment kon volstaan met een paraaf voor administratieve doeleinden en dat zijn verklaring nog zou worden uitgewerkt en vervolgens nogmaals aan hem zou worden voorgelegd. Een dergelijke handelswijze zou immers slechts zin hebben als er inderdaad nog iets viel uit te werken, maar niet valt in te zien wat dat zou moeten zijn als [appellant] hem niet nauwkeurig zou hebben laten weten wat er niet klopte aan de opgestelde verklaring. Dat laatste heeft [appellant] nu juist kennelijk niet gedaan, als wordt afgegaan op de opmerking van [appellant] dat hij aan de onvolledigheden en onjuistheden in de verklaring geen aandacht heeft besteed.

Over de geloofwaardigheid van de verklaringen van [appellant] bestaat bij het hof verder twijfel doordat [appellant] in het kort geding heeft aangevoerd dat hij zijn bij de aanrijding betrokken auto dringend nodig heeft om naar zijn werk te gaan, dat de auto op dat moment niet verzekerd was en hij deze ook niet elders kon verzekeren (prod. 10 bij inleidende dagvaarding, p. 8), terwijl achteraf is gebleken dat de auto al sinds 6 december 2011 – derhalve geruime tijd voor het uitbrengen van de dagvaarding in kort geding – niet meer op zijn naam stond.

Van (aanvullend) belang acht het hof ook dat [appellant] zich noch bij het kort geding op 11 januari 2012, noch bij de in eerste aanleg gehouden getuigenverhoren heeft doen bijstaan door een tolk.

De verklaring van de echtgenote van [appellant] dat het Nederlands van [appellant] niet goed genoeg was om een verklaring op te stellen en de verklaring van de buurman van [appellant] dat zijn Nederlands slecht was, leggen daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal. Hetzelfde geldt voor de hiervoor onder 16 weergegeven constatering van de raadsheer-commissaris dat [appellant] weliswaar Nederlands spreekt en veel begrijpt van wat zij vraagt, maar niet alles en dat hij niet in de volzinnen spreekt die opgenomen zijn in de verklaring van [naam schade-expert] . Niet uit te sluiten valt immers dat [appellant] zijn beheersing van het Nederlands toen (bewust of onbewust) slechter voorstelde dan zij in werkelijkheid was.

Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat [appellant] in hoger beroep geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan en het hof geen aanleiding ziet ambtshalve gelegenheid voor (nadere) bewijsvoering te bieden.

22. Het hof gaat er derhalve van uit dat [appellant] op 19 september 2011 tegenover [naam schade-expert] daadwerkelijk heeft verklaard zoals weergegeven in de door hem ondertekende verklaring van die datum. Uitgaande van die verklaring en van de inhoud van het door [appellant] ondertekende schadeaangifteformulier, is het hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat er bij [appellant] opzet tot misleiding van Allianz Benelux bestond met betrekking tot de toedracht van de aanrijding. Dit moet in het bijzonder worden aangenomen met betrekking tot de volgende, in het eindvonnis onder 2.13 genoemde, omstandigheden:

- [appellant] heeft tegenover ITEB (en in het schadeaangifteformulier, hof) opzettelijk een onjuiste verklaring gegeven over de snelheid waarmee hij reed tijdens het ongeval;

- De verklaring die [appellant] vervolgens heeft gegeven voor het feit dat hij stil stond tijdens de aanrijding (als gevolg van een passerende fietser), is mede gelet op het rapport van MVOA van 28 februari 2014 ongeloofwaardig;

- [appellant] heeft in strijd met de waarheid tegenover ITEB verklaard dat hij tijdens het ongeval op weg was naar de oppas van zijn kind. Toen Allianz daarover nadere informatie verlangde heeft hij aanvankelijk ontkend deze adresgegevens te hebben (op zichzelf reeds ongeloofwaardig) en deze gegevens pas na bevel van de rechtbank ter beschikking gesteld. Nadat hieruit bleek dat uiterst ongeloofwaardig is dat [appellant] op weg was naar de oppas, heeft hij een ander – nauwelijks gemotiveerd – standpunt ingenomen;

- [appellant] heeft tegenover ITEB verklaard dat [bestuurder] rubriek A van het schadeaangifteformulier zelf heeft ingevuld, terwijl uit het onderzoek van ITEB is gebleken dat [bestuurder] helemaal geen Nederlands kan schrijven.

23. Aan dit alles doet niet af dat [appellant] kennelijk kort na ontvangst van de brief van 13 oktober 2011 van Allianz Benelux, waarin vergoeding van zijn cascoschade werd geweigerd, de voor het eerst bij antwoordconclusie na enquête overgelegde verklaring van 18 oktober 2011 heeft opgesteld en daarin op belangrijke punten een andere lezing geeft van de gebeurtenissen rond de aanrijding. Immers, uit de omstandigheid dat [appellant] op 18 oktober 2011 – toen Allianz Benelux hem had gewezen op de onhoudbaarheid van zijn eerdere verklaringen in het schadeaangifteformulier en tegenover [naam schade-expert] – zijn lezing veranderde, blijkt op geen enkele wijze dat die eerdere verklaringen niet opzettelijk misleidend waren. Overigens heeft Allianz Benelux er naar het oordeel van het hof terecht op gewezen dat ook de nieuwe lezing, inhoudende dat [appellant] (nagenoeg) stilstond doordat hij had geremd voor een onbekend gebleven fietser, gelet op de situatie ter plaatse niet aannemelijk is.

24. Gelet op het voorgaande faalt grief 1 in het principaal appel, die ervan uitgaat dat aan [appellant] niet kan worden tegengeworpen dat de verklaring van 19 september 2011 onjuistheden en onvolledigheden bevat. Hetzelfde geldt voor grief 2 in het principaal appel, waarmee [appellant] betoogt dat hij zijn lezing van de feiten rond de aanrijding na het bekend worden van nieuwe informatie niet heeft aangepast, en voor de daarop voortbouwende grieven 3 en 4 in het principaal appel.

25. Nu het hof met de rechtbank van oordeel is dat sprake is van opzettelijke misleiding van Allianz Benelux door [appellant] , heeft Allianz Benelux, gelet op art. 3.4.2 van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden en artikel 7:941 lid 4 en 5 BW, aan [appellant] vergoeding van zijn cascoschade mogen weigeren en heeft zij de verzekeringsovereenkomst op goede gronden opgezegd. Allianz Benelux is niet gehouden de registratie van gegevens betreffende [appellant] in diverse registers wegens opzettelijke misleiding ongedaan te maken. In dit verband merkt het hof nog op dat [appellant] in zijn memorie van grieven onder 11 tot en met 19 een juridisch kader schetst voor de beoordeling van de geoorloofdheid van de registraties, zonder dat hij daaraan evenwel (door het formuleren van grieven of anderszins) gevolgen verbindt voor de beoordeling van het vonnis van de rechtbank.

26. De grieven in het principaal appel leiden niet tot vernietiging van het bestreden eindvonnis, dat derhalve zal worden bekrachtigd. Daarbij past dat [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal appel zoals hierna vermeld. Nu geen van de grieven in het principaal appel slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld, niet vervuld. Het hof komt derhalve aan behandeling van het incidenteel beroep niet toe.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 23 september 2015, waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden begroot op € 711,-- aan verschotten (griffierecht) en op € 2.235,-- aan salaris voor de advocaat (2,5 punten, tarief II) en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, P.M. Verbeek en D.A. Schreuder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.