Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:799

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
200.220.713/01; 200.220.715/01; 200.220.715/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

In het kader van de waardering van de onderneming dient naar het oordeel van het hof te worden uitgegaan van de intrinsieke waarde en niet van de DCF-methode. In het kader van een echtscheiding wordt de onderneming niet verkocht maar als stand alone voortgezet. De man beschikt over onvoldoende financiële middelen om de pensioenaanspraken van de vrouw te kunnen aftorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 28 maart 2018

Zaaknummers : 200.220.713/01, 200.220.715/01 en 200.220.715/02

Rekestnummers rechtbank : FA RK 16-662 en FA RK 16-9418 (bodemprocedure)

FA RK 16-938 (voorlopige voorzieningen)

Zaaknummers rechtbank : C/09/504240 en C/09/523357 (bodemprocedure)

C/09/504930 (voorlopige voorzieningen)

In de zaak met nummers 200.220.713/01 en 200.220.715/01 (hoofdzaak)

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Moszkowicz te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Boender-Radder te Den Haag.

In de zaak met nummer 200.220.715/02 (wijziging voorlopige voorzieningen)

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Boender-Radder te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Moszkowicz te Amsterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 7 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 mei 2017 van de Rechtbank Den Haag.

De man heeft op 26 september 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel alsmede houdende een verzoek tot wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 maart 2016 van de Rechtbank Den Haag ingediend.

De vrouw heeft op 6 november 2017 een verweerschrift op het incidenteel appel, tevens verweer inzake het verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 30 augustus 2017 een brief van 30 augustus 2017 met bijlage:

- op 3 januari 2018 een brief van 2 januari 2018 met bijlagen;

- op 18 januari 2018 een V-formulier van 17 januari 2018 met bijlagen;

- op 18 januari 2018 een V-formulier van diezelfde datum met als bijlage een brief van 18 januari 2018;

van de zijde van de man:

  • -

    op 9 januari 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 11 januari 2018 een V-formulier van 10 januari 2018 met bijlagen;

  • -

    op 18 januari 2018 een V-formulier van 17 januari 2018 met bijlagen.

De zaak is op 19 januari 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, [naam tolk] , tolk in de Engelse taal en [financieel adviseur van de vrouw] , financieel adviseur van de vrouw;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en [financieel adviseur van de man] , financieel adviseur van de man.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij voorlopige voorzieningen van 16 maart 2016 is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, de som welke de man met ingang van 16 maart 2016 voorlopig zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 4.000,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij beschikking van 9 mei 2017 is de echtscheiding tussen de in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde partijen uitgesproken. Voorts is - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld, onder voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 21 augustus 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

In de zaak met nummers 200.220.713/01 en 200.220.715/01 (hoofdzaak)

1. In geschil zijn de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, hierna ook: partneralimentatie en verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2. De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen (met uitzondering van de daarin uitgesproken echtscheiding én met uitzondering van die onderdelen van de bestreden beschikking waartegen geen grieven zijn opgeworpen en in zoverre de beschikking op deze onderdelen te bekrachtigen) en, opnieuw rechtdoende, eventueel onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de man te veroordelen om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te betalen van € 8.000,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een zodanige bijdrage als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

  • -

    het verzoek van de man om de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen conform het voorstel van de man (alsnog) af te wijzen;

  • -

    de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen aan de hand van het door de vrouw in het geding gebrachte formulier ‘Verdelen en verrekenen’ respectievelijk conform het verdelingsvoorstel van de vrouw, met inachtneming van respectievelijk overeenkomstig de grieven (met toelichting) van de vrouw;

  • -

    een deskundige te benoemen, welke deskundige de waarde van de ondernemingen van de man casu quo de waarde van de aandelen dient te bepalen alsmede te bepalen dat de door de deskundige te maken kosten door de man dienen te worden gedragen.

Kosten rechtens.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in principaal appel: de vrouw in haar appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen;

in incidenteel appel:

partneralimentatie

in de overweging van de beschikking van het hof op te nemen dat de behoefte van de vrouw
€ 3.455,- netto per maand bedraagt;

woning te [plaats 1]

  • -

    te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering van de echtelijke woning te [plaats 1] , bij gebreke waarvan de te dezen te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële leveringsakte;

  • -

    alsmede te bepalen dat partijen de kosten van de notaris en de overige kosten van de levering van de woning bij helfte dienen te dragen;

woning te [plaats 2] /voormalige eenmanszaak

primair:

te bepalen dat de vrouw de helft van de kosten van de verbouwing ad (1/2 van € 128.355,85 + p.m.) van de woning dient te voldoen, alsmede te bepalen dat partijen alsdan ieder recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst rekening houdend met de kosten van de makelaar, de notaris en andere verkoopkosten;

subsidiair:

te bepalen dat de woning aan de man wordt toegedeeld tegen de waarde welke volgt uit het taxatierapport (productie 27) en de kosten van de verbouwing voor rekening van de man blijven, alsmede te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering van de woning te [plaats 2] , bij gebreke waarvan de te dezen te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de notariële leveringsakte, alsmede te bepalen dat partijen de kosten van de notaris en de overige kosten van de levering van de woning bij helfte dienen te dragen;

[bank 1]

primair:

te bepalen dat de vrouw de volgende documenten/informatie dient over te leggen:

- een overzicht van alle bankrekeningen op naam van de vrouw (met dien verstande op naam

  • -

    [namen] ) welk overzicht wordt bevestigd door de bank met de opmerking dat het alle rekeningen betreffen die de vrouw nu en in het verleden bij de bank heeft aangehouden;

  • -

    een afschrift van het saldo op de bankrekeningen bij voornoemde bank per peildatum;

  • -

    een toelichting waar het geldbedrag van £ 61.894,77 is gebleven alsmede een toelichting waarnaar het bedrag van £ 24,399,41 is overgemaakt (de boeking van 9 september 2008) en te bepalen dat de vrouw wegens overbedeling de helft van haar vermogen dat is ondergebracht bij [bank 1] aan de man dient te voldoen;

subsidiair:

te bepalen dat de vrouw de helft van het bedrag £ 61.894,77 aan de man dient te voldoen;

[vermogensbeheerder]

  • -

    te bepalen dat de man aan de vrouw wegens toedeling van de beleggingsportefeuille bij [vermogensbeheerder] op naam van de vrouw met nummer [nummer] binnen 14 dagen na datum van de beschikking van het hof een bedrag dient te voldoen van de 1/2 van $ 2.948,20 + p.m.;

  • -

    de beleggingsportefeuille bij [vermogensbeheerder] op naam van de vrouw met nummer [nummer] aan de vrouw toe te delen onder bepaling dat de vrouw de helft van het saldo per peildatum ad 1/2 van $ 7.622,92 aan de man dient te voldoen;

pensioen van de vrouw

  • -

    te bepalen dat de vrouw (recente) informatie verstrekt over het opgebouwde pensioen bij de werkgever van de vrouw in [land] ; het pensioen dat is opgebouwd bij [verzekeringsmaatschappij] via haar werkgever [werkgever] ;

  • -

    te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na indiening van de beschikking van het hof overgaat tot ondertekening van de formulieren opdat de opgebouwde pensioenrechten kunnen worden verevenend, bij gebreke waarvan de te dezen te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de betreffende documenten;

pensioen van de man

vervangende toestemming te verlenen opdat de opbouw van het pensioen in eigen beheer kan worden stopgezet, bij gebreke waarvan de te dezen te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de vrouw onder de betreffende documenten;

overleggen van stukken

te bepalen dat de vrouw de volgende stukken in het geding dient te brengen:

  • -

    bankafschrift per peildatum (26 januari 2016) van de rekeningen bij de [bank 2] waaronder met nummer [nummer] ;

  • -

    een brief waaruit volgt dat de levensverzekering bij het [ministerie van veteranenzaken] op naam van de overleden man van de vrouw is opgegeven (het hof begrijpt: opgeheven) en welke waarde deze verzekering had op de datum dat de verzekering zou zijn
    opgeheven;

  • -

    een brief waaruit volgt dat de levensverzekering bij de [medische aansprakelijkheidsverzerking] op naam van de overleden man is opgeheven en welk waarde deze verzekering had op de datum dat de verzekering zou zijn opgeheven alsmede bewijs waaruit volgt naar welke rekening het geld is overgeboekt;

  • -

    een brief waaruit volgt dat het Fonds [pensioenverzekering] zou zijn opgeheven en een afschrift waaruit volgt wat de waarde is van dit fonds en naar welke rekening het bedrag is overgemaakt;

  • -

    opstelling van de fiscalist van de vrouw, [fiscalist van de vrouw] (dan wel zijn vervanger, waarnemer of opvolger), waaruit volgt over welke vermogensbestanddelen de vrouw in 2015, 2016 en 2017 beschikte met daarbij opgenomen de waarde van de bestanddelen aan het begin en het einde van het jaar;

  • -

    informatie over de waarde van het vermogen dat is opgebouwd via [fonds] ;

  • -

    informatie waaruit volgt waar het bedrag van [bank 3] (zijnde een bedrag van in ieder geval $ 178.856,-) is gebleven;

  • -

    informatie waaruit volgt waar het door de vrouw ontvangen bedrag van [naam] ad
    € 40.000,- is gebleven;

  • -

    overzicht met de daarbij onderliggende stukken waaruit volgt waar de verkoopopbrengst van de woning in [land] is gebleven;

  • -

    een onderbouwd overzicht van de gelden die door de vrouw zijn overgemaakt naar haar zoon in de periode van 25 april 2009 tot de peildatum;

(onbekend) vermogen (voorwaardelijk)

te bepalen dat de vrouw aan de man een nog nader te formuleren bedrag dient te voldoen in verband met de toedeling van de thans nog onbekende vermogensbestanddelen dan wel vermogensbestanddelen waarvan de waarde nog niet bekend is wegens overbedeling;

rekening-courant schuld

  • -

    te bepalen dat de vrouw de helft van een eventuele naheffing met betrekking tot de rekening-courantschuld ad € 552.000,- dient te dragen (naar rato van het saldo zoals in de verdeling is betrokken);

  • -

    te bepalen dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is voor de rekening-courant schuld;

vermogensoverzicht

- te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te voldoen van € 242.742,62 + p.m. dan wel een bedrag dat het hof in goede justitie juist acht;

- te bepalen dat de positieve vermogensbestanddelen worden aangewend ter aflossing van de schulden waaronder in ieder geval de rekening-courant schuld en de hypothecaire geldlening welke rust op de woning te Veelerveen.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans hetgeen door de man is verzocht af te wijzen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden. Kosten rechtens.

Procesrechtelijk

5. De advocaat van de vrouw heeft bij voormelde faxbrief van 18 januari 2018 alsmede ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen de omvang van de (financiële) stukken die de advocaat van de man vlak voor de zitting nog heeft overgelegd. Nu deze stukken op verzoek het hof zijn overgelegd, de mondelinge behandeling tussentijds is geschorst voor een leespauze, en de adviseur van de vrouw de gelegenheid is geboden achteraf nog schriftelijk op die stukken te reageren, van welke mogelijkheid hij geen gebruik heeft gemaakt, is het hof van oordeel dat de regels van een goede procesorde voldoende in acht zijn genomen. Het hof zal deze stukken dan ook toelaten tot het geding.

6. Het hof ziet aanleiding eerst de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te bespreken. Het hof stelt daarbij voorop dat als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift, te weten 26 januari 2016, heeft te gelden. Als peildatum voor de bepaling van de waarde daarvan, geldt in beginsel de datum van de feitelijke verdeling.

Verdeling

Aandelen [holding 1]

7. De man is directeur-grootaandeelhouder van de topholding [holding 1] , van welke vennootschap hij 100% van de aandelen houdt. Deze vennootschap houdt alle aandelen in de tussenholding [tussenholding] , welke vennootschap 100% van de aandelen houdt in:

  1. [holding] B.V.

  2. [holding] B.V.

  3. [holding] B.V.

  4. [holding] B.V.

  5. [holding] B.V.

  6. [holding] B.V.

[holding] B.V. houdt 100% van de aandelen in:

  1. [holding] B.V.

  2. [holding] B.V.

  3. [holding] B.V. (thans: [holding] B.V.).

8. De vrouw komt op tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen waarde van de aandelen van de man in [holding 1] per de peildatum van € 54.084,-. De adviseur van de vrouw geeft in zijn brief van 31 juli 2017 aan dat hij de door de adviseur van de man gekozen waarderingsmethode - die de rechtbank heeft gevolgd - niet juist vindt. Hij is van mening dat:

  • -

    de waarde op basis van toekomstige kasstromen (de DCF-methode) moet worden gewaardeerd;

  • -

    verlieslatende ondernemingen buiten de waardering moeten blijven.

9. De adviseur van de man geeft in zijn rapportage van 6 juli 2016 aan dat voor de bepaling van de waarde van de aandelen in [holding 1] moet worden uitgegaan van de intrinsieke balansgeoriënteerde waarde. Met deze methode wordt afgerekend wat feitelijk aanwezig is. Daarmee worden alle in het verleden behaalde resultaten in de verdeling betrokken. Dit sluit volgens de man het meest aan bij de onderhavige (echtscheidings)situatie. Verder speelt/spelen ook mee:

  • -

    de onzekere situatie waarin het concern zich bevindt;

  • -

    de matige resultaten;

  • -

    de afhankelijkheid van een aantal grote klanten;

  • -

    de afhankelijkheid van het netwerk van de man; en de omstandigheid

  • -

    dat [holding 1] in 2013 50% van de aandelen in [tussenholding] B.V. (thans: [tussenholding] ) heeft overgenomen van de toenmalige medeaandeelhouder tegen de intrinsieke waarde.

10. Ter terechtzitting zijn de standpunten van de adviseurs met hen besproken. De adviseur van de vrouw heeft hierbij de betrouwbaarheid van het rapport van de adviseur van de man aan de orde gesteld. Naar het oordeel van het hof heeft hij hiervoor geen enkel steekhoudend argument naar voren gebracht. Zijn stellingen ter terechtzitting dat i) het rapport is gebaseerd op door de man verstrekte gegevens, waarop geen accountantscontrole is toegepast ii) de afwaardering van de Chinese debiteuren zich niet laat verklaren iii) in 2014 een negatieve correctie is doorgevoerd met onduidelijke reden, zijn alle door de adviseur van de man afdoende weerlegd. Daarnaast acht het hof de nadere toelichting die de adviseur van de man in zijn brief van 25 september 2017 naar aanleiding van de brief van 31 juli 2017 van de adviseur van de vrouw heeft gegeven toereikend.

11. Het hof overweegt voorts als volgt. De waardering van een onderneming op basis van kasstromen wordt in het kader van een overdracht van die onderneming veelal als uitgangspunt genomen. Nu in een echtscheidingssituatie de onderneming vaak niet wordt overgedragen aan een derde, maar wordt voortgezet door een van de echtgenoten, dient in die situatie afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval de meest geschikte waarderingsmethode te worden bepaald. De nadelen van de DCF-methode (waardering op basis van vrije kasstromen) zijn onder meer:

  • -

    de onzekerheid met betrekking tot de prognoses/resultaatsverwachtingen;

  • -

    de keuze van de vermogenskostenvoet. Hoe hoger de vermogenskostenvoet des te lager de waarde van de aandelen.

Verder geldt dat in geval de onderneming op basis van kasstromen worden gewaardeerd, voor de ondernemersbeloning moet worden uitgegaan van een genormaliseerd inkomen. Dit inkomen moet dan ook worden gehanteerd bij de berekening van de partneralimentatie. Anders bestaat het gevaar dat de te verwachten winst twee keer wordt meegenomen, zowel bij de partneralimentatie als bij de waardering in het kader van de verdeling. Voorts moet bij het hanteren van de DCF-methode in aanmerking worden genomen of de (in casu forse) rekening-courantschuld kan worden afgelost. Het aflossen van die schuld aan de B.V. is een inkomende geldstroom voor de B.V. Tevens dient rekening te worden gehouden met de pensioenverplichtingen.

12. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de aandelen in het onderhavige geval dienen te worden gewaardeerd op basis van de intrinsieke waarde. Het hof acht de argumenten die de adviseur van de man voor deze waarderingsmethode heeft aangevoerd voldoende steekhoudend. Gezien de leeftijd van de man van thans 57 jaar, alsmede zijn slechte gezondheidstoestand acht het hof een waardering op basis van kasstromen een onzekere waarderingsmethode. Het hof zal derhalve conform het rapport van de adviseur van de man uitgaan van de daarin berekende intrinsieke waarde van de aandelen per de peildatum van
€ 54.084,-. Het verzoek van de vrouw op kosten van de man een deskundige te benoemen, zal ook in hoger beroep worden afgewezen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

Schuld in rekening-courant bij [holding 1]

13. Tussen partijen is niet in geschil dat de rekeningcourant-schuld bij [holding 1] per peildatum € 552.928,- bedraagt. De vrouw zet haar vraagtekens bij het oplopen van deze schuld tot een dergelijk hoog bedrag. Volgens de man is een groot deel van de schuld ontstaan door opnames ter bestrijding van de kosten van de zoon van de vrouw uit een eerdere relatie. Ter terechtzitting heeft de man verklaard dat de schuld mede is ontstaan door opnames om de lasten van het hierna te melden onroerend goed te [plaats 1] te voldoen. De man is van mening dat de vrouw de helft van deze schuld dient te dragen.

14. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ter zake voormelde schuld terecht heeft beslist dat partijen de rekening-courantschuld gezamenlijk dienen te dragen en derhalve dat een ieder voor de helft daarvan draagplichtig is. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De man heeft met zijn productie 80 naar het oordeel van het hof voldoende inzicht gegeven in het verloop van de rekening-courantschuld. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd. Nu hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor deze schuld reeds uit de wet voortvloeit, hoeft het hof daarover geen beslissing meer te nemen. Het desbetreffende verzoek van de man zal worden afgewezen.

Pensioen in eigen beheer

15. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het haar toekomende deel van het binnen [holding 1] opgebouwde pensioen moet worden afgestort. Volgens de vrouw is afstorting mogelijk zonder dat daardoor de liquiditeit van de bedrijfsvoering in gevaar komt.

16. Volgens de man zijn er onvoldoende liquide middelen beschikbaar en kunnen deze ook niet beschikbaar worden gemaakt om kapitaal af te storten voor het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraak. Hierdoor zou de continuïteit van de bedrijfsvoering van de vennootschap en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar komen. Voor zover al sprake zou zijn van effectief aanwezig pensioenvermogen, brengt de postrelationele solidariteit tussen partijen met zich dat dit in gelijke mate tussen partijen moet worden verdeeld, aldus de man. De man verzoekt het hof in incidenteel appel vervangende toestemming te verlenen om het pensioen in eigen beheer te kunnen stopzetten, conform de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer.

17. Het hof stelt het volgende voorop. De verplichting om in beginsel tot afstorting over te gaan is gebaseerd op de eisen van redelijkheid en billijkheid. De beantwoording van de vraag of daarop in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij zal de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren slechts dan tot ontkennende beantwoording van die vraag kunnen leiden indien de vereveningsplichtige stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen. (Vgl. HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:AZ2658). Vaststaat dat de man pensioen in eigen beheer heeft opgebouwd bij [holding 1] . De vrouw heeft recht op de helft van het ouderdomspensioen voor zover opgebouwd tijdens de huwelijkse periode en het bijzonder partnerpensioen. Op basis van commerciële grondslagen dient ten behoeve van de totale pensioenaanspraken van de vrouw een bedrag van € 220.185,- te worden afgestort (productie 103 van de man in hoger beroep). Indien het ouderdomspensioen voor de vrouw moet worden afgestort, geldt dat de man recht heeft op eenzelfde bedrag. (Vgl. HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693). Naar het oordeel van het hof heeft de man met de door hem overgelegde financiële gegevens voldoende inzichtelijk gemaakt, dat het de vennootschap aan middelen ontbreekt om het pensioen te kunnen afstorten. Zulks volgt ook uit de brief van 25 september 2017 van de adviseur van de man. Daarnaast blijkt uit de overgelegde aangiften inkomstenbelasting van de man dat de aanzienlijke vordering in rekening-courant die [holding 1] heeft op de man niet is te incasseren, aangezien sprake is van een aanzienlijk negatief vermogen van de man in box 3. De man beschikt dus ook in privé over onvoldoende financiële middelen. Dit brengt mee dat [holding 1] financieel gezien in “zwaar weer” verkeert. Het verzoek van de vrouw tot afstorting dient derhalve te worden afgewezen.

18. Wat de door de man verzochte vervangende toestemming tot stopzetting van de pensioenopbouw in eigen beheer betreft, overweegt het hof dat ook de vrouw belang heeft bij die stopzetting. Bij na 1 januari 2017 ongewijzigd voortgezette pensioenopbouw wordt de pensioenaanspraak immers op grond van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer in één keer belast tegen 52% en is een revisierente van 20% verschuldigd. De vrouw heeft niet gesteld dat zij niet bereid is de vereiste toestemming te geven. Zij klaagt alleen dat de man haar daarover niet heeft benaderd. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de vrouw de door de man verzochte medewerking zal verlenen. Het hof is voorts van oordeel dat de onderhavige verzoekschriftprocedure zich niet leent voor een dergelijk verzoek. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Belastingschulden

19. Partijen strijden over de draagplicht ten aanzien van diverse belastingschulden. Het hof overweegt dat alle belastingschulden van partijen die zien op de periode tot de peildatum 26 januari 2016 gemeenschapsschulden betreffen die door partijen, ieder voor de helft dienen te worden gedragen. Door aldus te bepalen, is de rechtbank derhalve niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. Dit brengt mee dat de partij die een belastingschuld die betrekking heeft op de periode tot 26 januari 2016, na de peildatum heeft voldaan, voor de helft een regresrecht heeft op de andere partij. Het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw de helft van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2015 aan hem dient te voldoen, zal het hof dan ook bij gebrek aan belang afwijzen.

Rekening op naam van de vrouw bij de [leningverstrekker]

20. De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij een bedrag van $ 49.167,- aan de gemeenschap heeft onttrokken door dit bedrag vlak voor de peildatum 26 januari 2016 op te nemen van haar voormelde Amerikaanse bankrekening en op een bankrekening van haar zoon te storten. Volgens de vrouw had zij de gelden nodig voor haar levensonderhoud (inclusief dat van haar zoon) nu de man niets meer betaalde en zij de echtelijke woning moest verlaten.

21. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Volgens de man heeft de vrouw tot circa anderhalve maand na de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 maart 2016, waarbij een partneralimentatie van € 4.000,- per maand is bepaald, nog bedragen opgenomen met de bankpas van de man. Daarnaast heeft de man - nadat de vrouw eerst op 16 maart 2016 de woning had verlaten - tot 9 mei 2017 maandelijks de voorlopige partneralimentatie van € 4.000,- naar haar overgemaakt.

22. Het hof acht het in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw vanaf de peildatum in een zodanige financiële noodsituatie verkeerde, dat zij de van haar Amerikaanse bankrekening opgenomen gelden moest opnemen en vervolgens gedwongen was deze aan te wenden voor haar levensonderhoud. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld door deze gelden aan de gemeenschap te onttrekken, zodat zij de gelden aan de gemeenschap dient te vergoeden. Gelet op de door de vrouw zelf overgelegde productie 16 bij haar verweerschrift in eerste aanleg was - anders dan de vrouw stelt - de Amerikaanse rekening op de peildatum nog niet opgeheven, zodat ook het positieve saldo per de peildatum in de verdeling dient te worden betrokken. De bestreden beschikking zal in zoverre worden bekrachtigd.

Voormalige echtelijke woning aan [adres te] [plaats 1]

23. Partijen zijn het eens met de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de voormalige echtelijke woning in die zin dat de woning wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting de daaraan verbonden hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen. De vrouw is echter van mening dat de rechtbank van een te lage waarde - € 515.000,- - is uitgegaan en wenst dat de woning opnieuw wordt getaxeerd door een door het hof te benoemen makelaar/taxateur.

24. Volgens de man onderbouwt de vrouw niet waarom een nieuwe taxatie nodig is. De man heeft immers een gevalideerd taxatierapport laten opmaken. Indien het hof een nieuwe makelaar benoemt, dienen de kosten daarvan door de vrouw te worden gedragen, aldus de man.

25. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ter zake de waarde van de voormalige echtelijke woning terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel leiden. Mede in het licht van de door de man overgelegde WOZ-aanslag 2017, waaruit een waarde van de woning naar waardepeildatum 1 januari 2016 blijkt van € 451.000,- (productie 37 in hoger beroep), komt het hof de door de rechtbank bepaalde waarde alleszins redelijk voor. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden bekrachtigd.

26. Het hof ziet voorts geen aanleiding te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering van de woning aan de man, nu de vrouw haar medewerking heeft toegezegd (randnummer 5.1 Reactie op aanvullende reactie, ingekomen bij het hof op 18 januari 2018). Het daartoe strekkende verzoek van de man zal derhalve worden afgewezen.

27. De man heeft nog verzocht te bepalen dat partijen ieder de helft van de kosten van de levering van de voormalige echtelijke woning dienen te dragen. Nu de rechtbank zulks al heeft bepaald, zal het hof dit verzoek van de man afwijzen.

Inboedel voormalige echtelijke woning

28. Gebleken is dat tussen partijen inmiddels overeenstemming bestaat ter zake de verdeling van de inboedel van de voormalige echtelijke woning, zodat het hof daarover niet meer hoeft te oordelen.

Onroerend goed aan [adres te] [plaats 2] , met de daarin gevestigde eenmanszaak restaurant [eenmanszaak] (hierna: het onroerend goed te [plaats 1] )

29. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat het onroerend goed te [plaats 1] primair moet worden verkocht en geleverd aan een derde.

30. De vrouw wenst niet mee te betalen aan een eventuele restschuld wegens onderwaarde van het onroerend goed. Zij wenst evenmin mee te dragen in de schulden van de volgens de man in 2015 opgeheven eenmanszaak.

31. De man stelt een bedrag van € 128.355,85 aan verbouwingskosten te moeten maken. Deze verbouwing is volgens hem nodig om het onroerend goed te kunnen verkopen. Het pand staat al tien jaar te koop, verkeert in slechte staat en is gelegen in aardbevingsgebied. De vrouw dient - naast de helft van de eventuele restschuld van het onroerend goed en de helft van de schulden van de eenmanszaak - tevens de helft van deze verbouwingskosten te dragen, aldus de man.

32. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap een grote discretionaire bevoegdheid heeft. Nu geen van partijen in beginsel het onroerend goed te [plaats 1] toegedeeld wenst te krijgen, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft beslist dat het onroerend goed dient te worden verkocht en geleverd aan een derde waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de hypothecaire geldlening en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

33. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de draagplicht bij helfte als bedoeld in artikel 1:100 BW, evenmin waar het de passiva van de (voormalige) eenmanszaak betreft. Volgens vaste rechtspraak kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken van de draagplicht bij helfte. Dergelijke omstandigheden doen zich naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet voor. Het betreffende verzoek van de vrouw zal het hof dan ook afwijzen.

34. Ten aanzien van de door de man gestelde verbouwingskosten overweegt het hof als volgt. Op de voet van artikel 3:172 BW zijn beide partijen draagplichtig voor de lasten van het onroerend goed te [plaats 1] , ieder voor de helft. De deelgenoot die meer heeft betaald dan de helft heeft voor het meerdere regres op de andere deelgenoot. Conform artikel 3:170 BW kunnen handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden door ieder der deelgenoten zelfstandig worden verricht. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten gezamenlijk. Nu er sprake is van renovatie van het onroerend goed te [plaats 1] beschouwt het hof dat niet als gewoon onderhoud. De deelgenoten dienen in beginsel overleg te voeren over het te verrichten onderhoud en daarover gezamenlijk te beslissen. De vrouw kan niet gedwongen worden mee te betalen aan een verbouwing. Het daartoe strekkende verzoek van de man zal derhalve worden afgewezen.

35. Gelet op de moeizame verhouding tussen partijen zal het hof hierna de door partijen te volgen route ter zake de wijze van verdeling (verkoop en levering aan een derde) van het onroerend goed te [plaats 1] aangeven en vervolgens in het dictum opnemen.

36. Partijen dienen binnen zes weken na de datum van deze beschikking een taxateur/makelaar aan te wijzen, hetzij één gezamenlijk benoemde taxateur/makelaar, hetzij ieder één taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen.

37. Partijen zullen in overleg met de taxateur/makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het onroerend goed te [plaats 1] , bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de taxateur/makelaar het onroerend goed te koop aanbieden tegen een partijen bindende marktconforme vraagprijs.

38. Partijen zullen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het onroerend goed te [plaats 1] , de best haalbare prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag welk aanbod het beste is, dan zal de taxateur/makelaar dat naar beste weten en kunnen bindend bepalen.

39. Iedere partij is bij overdracht van het onroerend goed te [plaats 1] aan een derde gehouden de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

40. De verkoopopbrengst van het onroerend goed te [plaats 1] zal na aflossing van de hypothecaire geldlening en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen worden verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk worden gedragen.

Pensioen van de vrouw

41. De man heeft zijn incidentele grief 8 ter zake het pensioen van de vrouw ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

Bankrekeningen van de vrouw

42. De man wenst nadere informatie over en verdeling van de saldi per peildatum van de volgende bankrekeningen van de vrouw:

a. [account] account bij [bank 1]

b. [vermogensbeheerder] (nummer [nummer] )

c. [vermogensbeheerder] (nummer [nummer] ).

43. Het hof is van oordeel dat de vrouw met productie 2 bij haar verweerschrift in incidenteel appel genoegzaam heeft aangetoond dat de rekening als vermeld onder a. reeds in 2010 is opgeheven. Wat de door de man overigens verzochte informatie met betrekking tot mogelijke rekeningen van de vrouw bij de [bank 1] betreft, verwijst het hof naar hetgeen hierna onder rechtsoverweging 47 wordt overwogen.

44. Van de rekening vermeld onder b. heeft de rechtbank reeds bepaald dat het saldo per peildatum bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. De man toont in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet aan dat dit saldo per peildatum $ 2.948,20 bedroeg, zoals hij stelt. Dit volgt ook niet uit het door hem als productie 78 overgelegde overzicht. Zijn verzoek om het saldo van voormelde rekening per peildatum te bepalen op
$ 2.948,20 zal dan ook worden afgewezen. De vrouw heeft op haar beurt niet onderbouwd dat de rekening vóór de peildatum is gesloten, zoals zij stelt in haar ‘reactie op aanvullende reactie’ van 18 januari 2018. De bestreden beschikking zal ter zake de verdeling van voormelde rekening derhalve worden bekrachtigd.

45. Ten aanzien van de rekening vermeld onder c. overweegt het hof dat tussen partijen vaststaat dat deze rekening op de peildatum aanwezig was. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de gelden op deze rekening bestemd waren om de studie en schoolkosten en de schulden van haar zoon te kunnen voldoen, maar neemt ter zake wisselende standpunten in en heeft haar stelling in het geheel niet aangetoond. Het hof zal het saldo van deze rekening dient derhalve alsnog in de verdeling betrekken. Nu het saldo per peildatum onbekend is, kan het hof hierbij geen concreet bedrag vermelden.

Overig vermogen van de vrouw

46. De man vermoedt dat de vrouw over meer vermogen beschikt dan zij heeft opgegeven en wenst daarom dat zij een groot aantal stukken in geding brengt. De vrouw verweert zich daartegen en stelt dat zij niet gehouden is stukken over te leggen van vermogensbestanddelen uit het verleden.

47. Het hof overweegt als volgt. Indien de man van mening is dat de vrouw over meer vermogen beschikt dan zij opgeeft, rust op hem de bewijslast. De vrouw dient inlichtingen te geven over de omvang van haar vermogen op de peildatum. Zij is op grond van artikel 1:83 BW niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording, hetgeen naar het oordeel van het hof de strekking is van het verzoek van de man. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen. De overige verzoeken van de man die zijn gebaseerd op de gestelde aanwezigheid van positief vermogen bij de vrouw, delen hetzelfde lot.

Partneralimentatie

48. De vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen tot een partneralimentatie van € 8.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Behoefte

49. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de netto behoefte van de vrouw per abuis € 100,- te hoog heeft vastgesteld, door € 200,- in aanmerking te nemen voor de post ‘reservering belasting’, terwijl in de bestreden beschikking wordt overwogen dat die post voor € 100,- zal worden meegenomen. De netto behoefte van de vrouw bedraagt dan € 3.495,- per maand in plaats van € 3.595,-, waarvan de rechtbank is uitgegaan.

50. De advocaat van de vrouw heeft zich ter terechtzitting akkoord verklaard met het standpunt van de man zodat kan worden uitgegaan van een netto behoefte van € 3.495,- per maand, door het hof in redelijkheid begroot op € 5.500,- bruto per maand.

Behoeftigheid

51. De vrouw meent dat zij voldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie en heeft onderbouwd dat zij geen vermogen meer heeft. Zij verwijst naar haar in eerste aanleg overgelegde stukken.

52. Volgens de man heeft de vrouw verschillende inkomstenbronnen. Zo zou zij een topfunctie bekleden bij [holding] B.V. en werkzaamheden verrichten bij en inkomsten ontvangen via [holding] B.V. en [holding] B.V., bij welke ondernemingen ook haar zoon uit een eerdere relatie is betrokken. Voorts voert de man aan dat de vrouw mogelijk reeds pensioen opneemt en daarnaast over een vermogen van ruim
€ 1.000.000,- beschikt, hetgeen volgens hem blijkt uit haar uitgavenpatroon gedurende de echtscheidingsprocedure. De man is derhalve van mening dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

53. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij geen inkomen heeft en behoefte heeft aan een bijdrage van de man. Uit de door het hof opgevraagde en vervolgens door de vrouw overgelegde aangifte IB 2016 (productie 18) blijkt dat de vrouw een bedrag van € 46.219,- aan buitenlands pensioen en sociale uitkeringen heeft ontvangen. Ter terechtzitting heeft de vrouw desgevraagd geen valide verklaring kunnen geven voor deze inkomsten, die zij zelf aan de belastingdienst heeft opgegeven.

54. Voorts heeft de vrouw erkend dat zij 20 uur per maand bij de [internationale school] , waar de voertaal Engels is, heeft gewerkt. Gelet hierop en op het universitaire opleidingsniveau alsmede de werkervaring van de vrouw, is het hof van oordeel dat van haar in redelijkheid verwacht mag worden dat zij zich naast haar inkomen uit pensioen en sociale uitkeringen een bruto inkomen van € 20.000,- per jaar moet kunnen verschaffen, door haar dienstverband bij de [internationale school] weer op te pakken en verder uit te breiden. Dit komt neer op een totaal bruto inkomen van € 5.518,15 per maand, waarmee de vrouw - gelet op haar behoefte van € 5.500,- bruto per maand - in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het verzoek van de vrouw om partneralimentatie moet derhalve reeds om die reden worden afgewezen.

Draagkracht

55. De draagkrachtberekening van de man (productie 87) is ter terechtzitting met partijen doorgenomen. Gelet op de hiervoor besproken pensioenverplichtingen en rekening-courantverhouding die beide niet gedekt zijn, is het hof van oordeel dat de vennootschap naast het salaris van de man geen dividend kan uitkeren. Zoals hierboven reeds is overwogen, heeft de man voorts een dusdanig hoge schuld in box 3 aan [holding] B.V., dat - mocht er nog resterende behoeftigheid zijn bij de vrouw - de man geen draagkracht heeft om enige partneralimentatie te voldoen.

56. Aan het voorwaardelijke verzoek van de man om limitering dan wel nihilstelling van de partneralimentatie komt het hof niet toe.

In de zaak met nummer 200.220.715/02 (wijziging voorlopige voorzieningen)

57. De man verzoekt de beschikking voorlopige voorzieningen van de Rechtbank Den Haag van 16 maart 2016 te wijzigen of in te trekken en te bepalen dat de door hem te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 9 mei 2017 tot en met de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op nihil wordt vastgesteld dan wel op een bedrag en met ingang van een datum welke het hof in goede justitie juist acht.

58. De vrouw verzoekt het hof de man in zijn wijzigingsverzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, althans hetgeen door de man is verzocht af te wijzen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden. Kosten rechtens.

59. De man stelt zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter in de beschikking van 16 maart 2016 is uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens en/of dat de omstandigheden na de dagtekening van voormelde beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd dat alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de beschikking niet in stand kan blijven. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank in de bodemzaak bij haar beschikking van 9 mei 2017 heeft geoordeeld dat hij geen draagkracht heeft. Volgens de man moet de voorlopige onderhoudsbijdrage in redelijkheid met ingang van 9 mei 2017 op nihil worden gesteld.

60. Volgens de vrouw is geen sprake van een evident, zeer sprekend geval van een onjuiste beslissing van de voorzieningenrechter. Voorlopige voorzieningen bevatten naar hun aard ordemaatregelen. Daarmee verhoudt zich in beginsel geen verzoek tot wijziging met terugwerkende kracht. De vrouw had de bijdrage van de man nodig omdat zij door hem zonder middelen op straat was gezet, aldus de vrouw.

61. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan een beschikking voorlopige voorzieningen als thans aan de orde op verzoek van partijen of één van hen worden gewijzigd door de rechtbank die of het gerechtshof dat de beschikking heeft gegeven, indien de omstandigheden na de beschikking zodanig zijn gewijzigd dat alle betrokken belangen in aanmerking genomen, die voorziening niet in stand kan blijven. Het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven maakt het in artikel 2.6.5 mogelijk bij het hof wijziging te vragen van een voorlopige voorziening die de rechtbank heeft gegeven indien het hoger beroep bij het hof aanhangig is en voldoende samenhang bestaat tussen de voorziening waarvan wijziging wordt verzocht en de hoofdzaak. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van het hof voldaan nu in het hoger beroep met betrekking tot de hoofdzaak ook de partneralimentatie in geschil is.

62. Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht het hof uit hetgeen in de stukken en ter terechtzitting naar voren is gebracht genoegzaam gebleken dat de man ten tijde van de bestreden beschikking van 9 mei 2017 geen draagkracht had om enige partneralimentatie te kunnen voldoen. Het hof zal derhalve de bij beschikking van 16 maart 2016 bepaalde voorlopige partneralimentatie voor de periode van 9 mei 2017 tot 21 augustus 2017 op nihil stellen. Over terugbetaling van eventueel in die periode te veel door de vrouw ontvangen partneralimentatie hoeft het hof geen beslissing te nemen, nu de man volgens zijn onweersproken stelling de voorlopige bijdrage in die periode niet heeft voldaan.

Bewijsaanbod

63. Het hof gaat voorbij aan het algemeen bewijsaanbod van partijen nu dit onvoldoende concreet en specifiek is.

Proceskosten

64. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaken zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Andersluidende verzoeken zullen worden afgewezen.

65. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

In de zaak met nummers 200.220.713/01 en 200.220.715/01 (hoofdzaak)

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 9 mei 2017 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in aanvulling daarop:

deelt toe aan de vrouw de beleggingsportefeuille bij [vermogensbeheerder] met nummer [nummer] , onder de verplichting de helft van het saldo per peildatum 26 januari 2016 aan de man te voldoen;

verstaat dat beide partijen, ieder voor de helft, draagplichtig zijn voor de schulden van de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’;

bepaalt ter zake het onroerend goed aan [adres te] [plaats 2] , dat partijen binnen zes weken na de datum van deze beschikking een taxateur/makelaar dienen aan te wijzen, hetzij één gezamenlijk benoemde taxateur/makelaar, hetzij ieder één taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen. Ieder van partijen is gehouden de taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;

bepaalt dat partijen in overleg met de taxateur/makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het onroerend goed aan [adres te] [plaats 2] , bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de taxateur/makelaar het onroerend goed te koop aanbieden tegen een partijen bindende marktconforme vraagprijs;

bepaalt dat partijen in overleg met de taxateur/makelaar een verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het onroerend goed aan [adres te] [plaats 1] , de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de taxateur/makelaar naar beste weten en kunnen bindend bepalen welk aanbod het beste is;

bepaalt dat nadat de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het onroerend goed aan [adres te] [plaats 2] aan derden;

bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van het onroerend goed aan [adres te] [plaats 1] ;

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen;

bepaalt dat iedere partij bij overdracht aan een derde gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

In de zaak met nummer 200.220.715/02 (wijziging voorlopige voorzieningen)

Het hof:

wijzigt de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 16 maart 2016 ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, doch enkel en alleen voor de periode ingaande
9 mei 2017;

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man met ingang van
9 mei 2017 tot aan 21 augustus 2017 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, I. Obbink-Reijngoud en L.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2018.