Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:798

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
200.217.765/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige. Kort na beschikking rechtbank, waarin alimentatie is vastgesteld op € 233,- per maand, zijn vader en zoon een alimentatie van € 50,- per maand overeengekomen. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.217.765/01

zaaknummer rechtbank : C/10/508295 FA RK 16-6859

beschikking van de meervoudige kamer van 28 maart 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.M.E. van Dijsseldonk te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

geboren [in] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

advocaat mr. J.P.M. Castelein te Dordrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 19 juni 2017 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De jongmeerderjarige heeft op 4 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    een journaalbericht van 23 juni 2017 met bijlagen, ingekomen op 26 juni 2017;

  • -

    een journaalbericht van 13 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de jongmeerderjarige:

- een journaalbericht van 11 januari 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.4

Het hof heeft bij faxbericht van 15 januari 2018 partijen bericht dat het graag nog voorafgaand aan de zitting, de volgende stukken van partijen zou ontvangen:

van de zijde van [de vader] (de vader):

- jaaropgaven 2016 en 2017, met draagkrachtberekeningen;

van de zijde van [de zoon] (de zoon):

  • -

    jaaropgaven 2016 en 2017 van zijn moeder ( [de vrouw] );

  • -

    de bedragen die de zoon ontvangt van DUO aan studiefinanciering (gewone beurs en/of aanvullende beurs) sinds de datum dat hij meerderjarig is geworden (5 februari 2016) en de eventueel daaraan ten grondslag liggende stukken.

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om deze stukken voor donderdag 18 januari 2018 10.00 uur bij het hof in te dienen.

2.5

Nadien zijn bij het hof ingekomen:

van de zijde van de man:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 januari 2018 met bijlagen, ingekomen op 18 januari 2018;

van de zijde van de jongmeerderjarige

- een journaalbericht van 18 januari 2018, ingekomen op diezelfde datum.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 19 januari 2018 plaatsgevonden.

Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de jongmeerderjarige, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast;

  • -

    de jongmeerderjarige is de zoon van de man en [de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw);

  • -

    het huwelijk van de man en de vrouw is op 28 maart 2012 ontbonden;

  • -

    bij de echtscheidingsbeschikking van 21 maart 2012 van de rechtbank Amsterdam is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren een bedrag van € 350,- per maand;

  • -

    bij beschikking van 2 februari 2016 is voormelde beschikking van de rechtbank Amsterdam gewijzigd en is bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2015 in de kosten van verzorging en opvoeding, welke bijdrage sinds 5 februari 2016 geldt als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren een bedrag van € 233,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gesloten overeenkomst van 21 februari 2016 gewijzigd en is bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige met ingang van 16 augustus 2016 € 233,- per maand bedraagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2

De man kan zich daarmee niet verenigen. Hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de jongmeerderjarige alsnog af te wijzen, althans de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding op een zodanig bedrag vast te stellen als het hof vermeent te behoren. Kosten rechtens.

4.3

De jongmeerderjarige verweert zich daartegen en verzoekt de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek in hoger beroep ongegrond te verklaren of af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt het volgende vast. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 28 maart 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. In het aan die beschikking gehechte ouderschapsplan waren de man en de vrouw een kinderalimentatie overeengekomen van € 350,- per maand. In 2015 en begin 2016 heeft tussen de man en de vrouw een procedure gespeeld, die is uitgemond in de beschikking van 2 februari 2016. De man heeft destijds – kort samengevat - verzocht om de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2015 op nihil te stellen. De rechtbank heeft daarbij de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 233,- per maand met ingang van 1 juli 2015. Daarbij is bij de berekening van de kinderalimentatie in die procedure uitgegaan van de volgende gegevens:

  • -

    een behoefte van de (thans) jongmeerderjarige van € 322,50 per maand;

  • -

    een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.214,- per maand en een draagkracht van € 239,- per maand (rekening houdend met de omstandigheid dat de man de helft van de woonlasten in [land] voldoet);

  • -

    een bruto inkomen van de vrouw van € 978,- per maand bij [naam taxibedrijf] en een inhouden pensioenpremie van € 82,- per maand, geen extra vakantietoeslag, een WW-uitkering van € 1.487,- over twee maanden in 2015 en een kindgebonden budget van € 364,- per maand. De draagkracht van de vrouw is vastgesteld op nihil, rekening houdend met de omstandigheid dat de vrouw de helft van de woonlasten in [land] voldoet;

  • -

    een zorgkorting van 15% aan de zijde van de man, waarbij het tekort aan draagkracht gelijkelijk over de man en de vrouw is verdeeld.

5.2

Drie dagen na de uitspraak van 2 februari 2016 is de jongmeerderjarige meerderjarig geworden.

5.3

Vervolgens hebben de man en de jongmeerderjarige op zondag 21 februari 2016 een overeenkomst gesloten waarin zij het volgende hebben bepaald:

“[de jongmeerderjarige] ontvangt € 50,- per maand aan kinderalimentatie.

Om [de jongmeerderjarige] te simuleren om een baantje te hebben voor minimaal 12 uur per week krijgt [de jongmeerderjarige] € 25,- extra kinderalimentatie. Dit is alleen van toepassing als [de jongmeerderjarige] daadwerkelijk werkt.”

5.4

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking geoordeeld dat, gezien de gang van zaken – waaronder het korte tijdsverloop na de beschikking van 2 februari 2016, geen wijziging in de gegevens sinds die beschikking, het ontbreken van juridische hulp bij het opstellen van de overeenkomst – het niet aannemelijk is dat bij partijen volledig inzicht bestond in hetgeen de uitkomst zou zijn geweest van toepassing van de wettelijke maatstaven en de uitwerking daarvan volgens de Tremanormen. De rechtbank oordeelde vervolgens dat partijen daar derhalve evenmin bewust van hebben kunnen afwijken, dat sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de bij beschikking van 2 februari 2016 bepaalde bijdrage en de overeengekomen bijdrage, waardoor vaststaat dat de door partijen overeengekomen bijdrage is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zodat wijziging daarvan gerechtvaardigd is. Aangezien kort voor het aangaan van de overeenkomst de kinderalimentatie door de rechtbank is vastgesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze bijdrage opnieuw te berekenen. De door de man te betalen alimentatie voor de jongmeerderjarige heeft de rechtbank dan ook vastgesteld op € 233,- per maand met ingang van 16 augustus 2016, de datum waarop het (inleidende) verzoekschrift van de jongmeerderjarige bij de rechtbank is ingediend.

5.5

Het hof ziet aanleiding om de grieven van de man per onderwerp te bespreken.

Bewuste afwijking wettelijke maatstaven?

5.6

In zijn meest verstrekkende grief (4) stelt de man dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het hof ziet aanleiding deze grief als eerste te bespreken. Indien partijen immers bewust zouden zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, is artikel 1:401 lid 5 BW niet van toepassing. Bij de beoordeling van de vraag of partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, geldt dat het bij de uitleg van de tussen partijen aangegane alimentatieovereenkomst aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in het convenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. onder meer HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1974). Van een dergelijke afwijking kan naar het oordeel van het hof pas sprake zijn als partijen op de hoogte waren van de wettelijke maatstaven en daarvan bewust zijn afgeweken. Naar het oordeel van het hof heeft de man dit onvoldoende aangetoond. Weliswaar voert hij aan dat aan de overeengekomen bijdrage van € 50,- per maand een berekening ten grondslag heeft gelegen, maar die berekening heeft het hof niet gezien. De jongmeerderjarige heeft gesteld en het hof acht het aannemelijk, dat hij zich onder druk gezet voelde door de man en zijn stiefmoeder om het convenant te ondertekenen, aangezien hij bang was dat het contact met zijn vader anders zou verminderen en dat hij de gevolgen van het contract niet kon overzien, gezien zijn beneden gemiddelde intelligentie en zijn mogelijke stoornis in het autistisch spectrum. Voorts heeft de jongmeerderjarige betwist dat de man hem een bedenktijd heeft gegeven van twee weken. De man mocht er dan ook naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet op vertrouwen dat de jongmeerderjarige ervan op de hoogte was dat hij bewust van de wettelijke maatstaven afweek. Het hof gaat dan ook voorbij aan deze grief van de man.

Overeenkomst aangegaan met grove miskenning wettelijke maatstaven

Vervolgens ligt aan het hof de vraag voor of, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de overeenkomst van 21 februari 2016 is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van artikel 1:401 lid 5 BW, hetgeen de man in de grief 5 ontkent. Daarvan kan sprake zijn als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of omdat partijen uitgingen van onjuiste en onvolledige gegevens tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven kan zich bovendien voordoen, wanneer de toekomstverwachting van partijen te optimistisch of te weinig realistisch was (vgl. HR 19 november 1982, NJ 1983, 101).

5.7

Naar het oordeel van het hof lijkt inderdaad, zoals de rechtbank heeft overwogen, er sprake van te zijn dat de door de man en de jongmeerderjarige op 21 februari 2016 gesloten overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Bij de beschikking van 2 februari 2016 heeft de rechtbank immers de kinderalimentatie vastgesteld op € 233,- per maand en nog geen negentien dagen daarna zijn partijen een kinderalimentatie overeengekomen van € 50,- per maand. Behoudens het bereiken van de leeftijd van achttien jaren hebben zich – hoewel de man in grief 3 anders betoogt - in die periode van negentien dagen geen andere omstandigheden voorgedaan die een dergelijke wijziging van de alimentatie rechtvaardigen. De man beroept zich weliswaar op de omstandigheid dat de jongmeerderjarige is gestart met een MBO2-opleiding, maar daarvan is pas sprake met ingang van 1 september 2016. Ook is de man pas met ingang van 1 augustus 2016 gestart met zijn nieuwe baan. Het inkomen van de vrouw is weliswaar veranderd, maar dit is verlaagd, zodat dit geen reden kan zijn voor een verlaging van de door de man te betalen alimentatie.

5.8

Derhalve zal het hof thans beoordelen of de door partijen overeengekomen alimentatie evident in strijd is met de uitkomst, waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Naar het oordeel van het hof heeft de man (in de grieven 1 en 6) terecht aangevoerd dat de rechtbank een herberekening had moeten maken op basis van alle feiten en omstandigheden, waaronder ook de draagkracht van de moeder van de jongmeerderjarige (de vrouw). Het hof zal dit alsnog doen. Nu a) de rechtbank bij de bestreden beschikking de ingangsdatum van de wijziging van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 21 februari 2016 heeft vastgesteld op 16 augustus 2016, b) de jongmeerderjarige geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld voor wat betreft de periode van 21 februari 2016 tot 16 augustus 2016 en c) hij met ingang van 1 september 2016 is gestart met een MBO2-opleiding, gaat het hof uit pragmatisch oogpunt ervan uit dat de behoefte van de jongmeerderjarige van 16 augustus tot 1 september 2016 op hetzelfde bedrag moet worden gesteld als voor de periode na 1 september 2016.

Behoefte jongmeerderjarige

5.9

Het hof overweegt als volgt. De tabellen van het NIBUD voorzien niet in de berekening van de behoefte van jongeren ouder dan 18 jaar. Anders dan de man (primair) meent, ziet het hof geen aanleiding om aan te sluiten bij de eerder bij beschikking van 2 februari 2016 vastgestelde behoefte van de destijds minderjarige. Immers, die behoefte is vastgesteld op basis van de Nibudtabel, waarbij voor de periode van jongmeerderjarigheid niet meer kan worden aangesloten (vgl. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:854). Deze tabel houdt rekening met de kinderbijslag en het kindgebonden budget, waar de jongmeerderjarige geen aanspraak meer op maakt sinds hij achttien is geworden. Bovendien dient de jongmeerderjarige met ingang van de datum van het bereiken van zijn jongmeerderjarigheid zijn premie Zorgverzekeringswet zelf te betalen. Het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen geeft aan dat voor de behoeftebepaling van studerende kinderen in het algemeen aansluiting kan worden gezocht bij de WSF-norm, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is, alsmede dat hij aanspraak maakt op studiefinanciering. Zowel de man (zijn subsidiaire standpunt) als de jongmeerderjarige meent dat bij die norm moet worden aangesloten, zodat het hof die zal toepassen, maar partijen verschillen van mening over de vraag waar die toepassing toe leidt. In de visie van de man bedraagt de behoefte van de jongmeerderjarige met toepassing van de WSF-norm € € 504,52 per maand, terwijl de jongmeerderjarige stelt dat dit € 590,- per maand bedraagt.

5.10

Niet ter discussie staat dat de jongmeerderjarige een MBO2-opleiding volgt. De WSF-norm is het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud vermeerderd met het verschuldigde lesgeld (zie Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen). Op grond van artikel 3.18 Wet Studiefinanciering 2000 bedraagt het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud per 1 januari 2016 € 501,51 per maand. Verder blijkt uit de door de jongmeerderjarige - als productie 3 bij journaalbericht van 18 januari 2018 - overgelegde brief van 26 september 2016 van de Dienst Uitvoering Onderwijs dat het lesgeld € 1.137,- bedraagt voor het schooljaar 2016-2017, ofwel € 94,75 per maand. Het hof acht het dan ook alleszins redelijk om in de onderhavige zaak aan te sluiten bij de door de jongmeerderjarige gestelde behoefte van € 590,- per maand.

5.11

Daarop brengt het hof in mindering de basisbeurs van € 82,30 per maand. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de zorgtoeslag van € 88,- per maand eveneens in mindering moet worden gebracht op dit bedrag, zal het hof daarbij aansluiten. Naar het oordeel van het hof heeft de jongmeerderjarige, gelet op de door hem overgelegde stukken, voldoende aangetoond dat hij tot op heden niet in aanmerking komt voor een aanvullende beurs in verband met het inkomen van de man. Weliswaar heeft de man ter zitting meegedeeld dat hij tegen het besluit van de DUO om de jongmeerderjarige geen aanvullende beurs te verlenen, bezwaar heeft gemaakt, maar op dit bezwaar is nog niet beslist.

5.12

Voor zover de man zich op het standpunt stelt dat de jongmeerderjarige in staat moet worden geacht een bijbaantje te zoeken en de inkomsten daarvan in mindering dienen te worden gebracht op de behoefte van de jongmeerderjarige, overweegt het hof als volgt. Op grond van art. 1:392 lid 2 BW in verbinding met art. 1:395a BW speelt de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van de ouders. Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien, bijvoorbeeld door te werken (vgl. HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2234). Daarenboven overweegt het hof dat voldoende is vast komen te staan dat de jongmeerderjarige niet in staat is om naast zijn opleiding, en gezien zijn problematiek, nog nevenwerkzaamheden te verrichten en dat hij – onweersproken – heeft gesteld dat hij vergeefs heeft gesolliciteerd voor een dergelijk bijbaantje.

5.13

Op grond van het vorenstaande stelt het hof de behoefte van de jongmeerderjarige vast op (afgerond) € 420,- per maand.

5.14

Artikel 1:397 lid 2 BW bepaalt dat indien meerdere bloedverwanten tot het verstrekken van levensonderhoud aan dezelfde persoon verplicht zijn, ieder van hen gehouden is een deel te voldoen van het bedrag, dat de tot onderhoud gerechtigde behoeft. Bij de bepaling van dit deel wordt rekening gehouden met ieders draagkracht en met de verhouding waarin een ieder tot de gerechtigde staat. Het hof zal in het navolgende beoordelen in hoeverre de ouders van de jongmeerderjarige dan ook dienen bij te dragen in de behoefte van de jongmeerderjarige. Nu partijen beiden uitgaan van de forfaitaire benadering voor de bepaling van de draagkracht in het kader van de kinderalimentatie zal het hof daarbij aansluiten.

Draagkracht vrouw

5.15

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw en de man hun netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

5.16

Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de man met betrekking tot het niet betrekken van de vrouw in de procedure, aangezien de jongmeerderjarige in hoger beroep financiële gegevens van de vrouw heeft overgelegd en daarmee haar financiële situatie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Uit de door de jongmeerderjarige overgelegde jaaropgaven blijkt dat de vrouw in 2016 aan inkomsten heeft ontvangen: a) een Ziektewetuitkering van € 2.157,- en b) een WW-uitkering van € 11.435,-, ofwel een bruto jaarinkomen van € 13.592,-. Het netto besteedbaar inkomen stelt het hof vast op € 906,- per maand. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van de jongmeerderjarige.

Draagkracht man

5.17

De man heeft – als producties 13 en 14 bij brief van 17 januari 2018 - twee draagkrachtberekeningen overgelegd. Daarin worden opgevoerd: een netto besteedbaar inkomen van € 2.696,- per maand in 2016 en € 2.533,- in 2017, een forfaitaire woonlast en de woonlasten voor de woning van de man en de vrouw in [land] (€ 573,- en een forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand). Ter zitting heeft de man verklaard dat hij wenst uit te gaan van de werkelijke woonlasten en niet de forfaitaire. Verder heeft hij toegelicht dat zijn huur in Nederland € 776,- per maand bedraagt, waarvan zijn huidige echtgenote de helft voldoet, zodat € 388,- voor zijn rekening komt.

5.18

Ter zitting heeft de jongmeerderjarige laten weten dat hij de inkomensgegevens van de man niet betwist en dat hij instemt met het rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man.

5.19

De draagkracht van de man per maand is dan ook (70% x [NBI minus (werkelijke huur + bijstandsnorm + woonlasten [land] )]:

  • -

    in 2016: 70% x [2.696,- minus (€ 388,- + € 890,- + € 573,- + € 95,-)] is) € 525,- ;

  • -

    in 2017: 70% x [2.533,- minus (€ 388,- + € 905,- + € 573,- + € 95,-)] is) € 400,-.

Het hof merkt daarbij op dat het conform het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen is uitgegaan van de bijstandsnormen over 2016 (€ 890,-) en 2017
(€ 905,-).

Conclusie

5.20

Uit het voorgaande blijkt dan ook dat de door partijen aangegane alimentatieovereenkomst van 21 februari 2016 is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Op basis van de wettelijke maatstaven bedraagt de door de man te betalen alimentatie voor de jongmeerderjarige immers een aanzienlijk hoger bedrag dan zij met elkaar zijn overeengekomen, zodat sprake is van een wanverhouding.

5.21

Nu de jongmeerderjarige geen hogere bijdrage verzoekt dan de door de rechtbank vastgestelde, zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de hoogte van de alimentatie jongmeerderjarige bekrachtigen.

Ingangsdatum

5.22

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 – gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:

i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

5.23

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de ingangsdatum bepaald op 16 augustus 2016. De man kan zich daar niet mee verenigen (grief 7). Hij stelt niet de mogelijkheid te hebben gehad om rekening te houden met een hogere alimentatie, omdat hij nog de volledige woonlasten voldoet van de woning in [land] . Naar het oordeel van het hof slaagt deze grief van de man niet. Het hof heeft thans bij de bepaling van zijn draagkracht immers volledig rekening gehouden met de woonlasten van de woning in [land] . Dit kan dan ook niet de reden zijn van het ontbreken van financiële ruime. Gesteld, noch gebleken is van andere financiële omstandigheden aan de zijde van de man die een latere ingangsdatum rechtvaardigen.

5.24

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen zij het met verbetering van gronden.

Proceskosten

5.25

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5.26

Het hof beslist als volgt.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, I. Obbink-Reijngoud en L.H.M. Zonneberg, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en is op 28 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.