Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:786

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
22-001741-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens opzet heling, meermalen gepleegd, tot een taakstraf. Het hieruit verkregen wederrechtelijk voordeel wordt geschat op € 6.500,- en ter ontneming van dat voordeel wordt aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

Naar het oordeel van het hof ligt in de hoofdelijkheid van de civielrechtelijke veroordeling besloten dat de bijdrageplicht van de veroordeelde jegens de overige hoofdelijk verbondenen zich uitstrekt tot ten minste het aan hem toe te rekenen deel van de hoofdschuld, zijnde het door hem ontvangen bedrag van € 6.500,-. Dat betekent dat de vordering van het openbaar ministerie tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat zal worden afgewezen, dit omdat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel met het oog op het vorenoverwogene dient te worden vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001741-17 PO

Parketnummer: 09-715753-12

Datum uitspraak: 30 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2017 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar],

[adres].

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Den Haag van 31 maart 2017 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

opzetheling, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een taakstraf.

De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 31 maart 2017 het bedrag waarop het hieruit wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 6.500,- en ter ontneming van dat voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen laatstgenoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 16 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 6.500,- en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 6.500,- en dat aan de veroordeelde – gelet op artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht – de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 0,-.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Het hof gaat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de verklaring van de veroordeelde dat hij voor het ter beschikking stellen van zijn bankrekening € 6.500,- van het totale door het Waarborgfonds naar zijn rekening overgemaakte bedrag van € 32.353,57 mocht houden. Deze verklaring wordt ondersteund door de overige stukken in het dossier.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een civiel vonnis d.d. 9 juli 2014 overgelegd waaruit blijkt dat de veroordeelde hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van € 32.353,57 aan het Waarborgfonds, te vermeerderen met rente en kosten.

Op grond van het negende lid (voorheen het achtste lid) van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

dienen aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht te worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.

Naar het oordeel van het hof ligt in de hoofdelijkheid van de civielrechtelijke veroordeling besloten dat de bijdrageplicht van de veroordeelde jegens de overige hoofdelijk verbondenen zich uitstrekt tot ten minste het aan hem toe te rekenen deel van de hoofdschuld, zijnde het door hem ontvangen bedrag van € 6.500,-. Het hof zal dan ook een bedrag € 6.500,- in mindering brengen op het op € 6.500,- geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat dient met het oog op het vorenoverwogene te worden vastgesteld op nihil. Dat betekent dat de vordering van het openbaar ministerie tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat zal worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. E. van Die en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Dijk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 maart 2018.