Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:749

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.197.906/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder en ontzegging omgang met vader wegens de jarenlange strijd tussen ouders waaraan geen einde komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/66.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.197.906/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1972

zaaknummer rechtbank : C/09/462189

beschikking van de meervoudige kamer van 21 maart 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.H. Benard te Dordrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de stiefvader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de stiefvader.

Als degene wiens/wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

[de gecertificeerde instelling] ,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

Verder procesverloop in hoger beroep

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn (tussen)beschikking van 25 januari 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking zijn in de zaak met zaaknummer 200.197.906/02 de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangs-/zorgregeling en de dwangsom met onmiddellijke ingang geschorst totdat op het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.197.906/01 is beslist ten aanzien van het gezag en de omgangs-/zorgregeling, en is in de zaak met zaaknummer 200.197.906/01, alvorens nader te beslissen:

- de behandeling van de zaak ten aanzien van het gezag over, de omgangs-/zorgregeling met betrekking tot de minderjarige en de dwangsom aangehouden tot zaterdag 24 juni 2017 pro forma;

- bepaald dat de gecertificeerde instelling het hof voor de pro forma datum informeert over de uitkomst van het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) met betrekking tot de vragen zoals onder rechtsoverweging 9 van de beschikking geformuleerd en nader adviseert ten aanzien van het gezag en de invulling van de omgangs-/zorgregeling;

- bepaald dat partijen het hof voor de pro-formadatum schriftelijk berichten over de gewenste voortgang van de onderhavige procedure, waaronder de wenselijkheid van een zitting, onder opgave van verhinderdata, of de gewenste afdoeningswijze;

- iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgangs-/zorgregeling en de dwangsom aangehouden.

Nadien zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de gecertificeerde instelling:

- een e-mailbericht van 18 juli 2017 met als bijlage de rapportage voortgang NIFP-onderzoek van 21 juli 2017;

- een e-mailbericht van 22 november 2017 met als bijlage de rapportage voortgang NIFP-onderzoek van 22 november 2017;

van de zijde van de moeder:

- een brief van 18 januari 2018 met bijlagen, ingekomen op 22 januari 2018.

De mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 200.197.906/01 is op 7 februari 2018 voortgezet.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de stiefvader;

- de gecertificeerde instelling vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

Verdere motivering van de beslissing

1. Uit de overgelegde e-mailberichten blijkt dat het NIFP-onderzoek bij het Haags Ambulatorium niet is gestart, omdat er geen bevestiging van de zijde van de moeder is dat het onderzoek kan starten.

2. De moeder stelt mee te willen werken aan het NIFP-onderzoek, maar dat dit wel op een voor de minderjarige veilige manier dient te geschieden. De psycholoog van de minderjarige heeft tegen het onderzoek geadviseerd, omdat de geplande gesprekken te lang van duur waren voor de minderjarige. Doordat de vader contact heeft gezocht met de psycholoog van de minderjarige is de vertrouwensband tussen de minderjarige en zijn psycholoog verbroken. De vader dwarsboomt voorts het wisselen van huisarts door de minderjarige, zodat er geen nieuwe psycholoog kan worden gezocht voor de minderjarige en hij nu zonder vertrouwenspersoon is. Ook op school verschijnt de vader en voelt ook die plek niet meer veilig voor de minderjarige. Er wordt hem geen rust en veiligheid gegund door de vader.

3. De vader is van mening dat de moeder gewoon moet meewerken aan het onderzoek, desnoods onder dreiging van een dwangsom. De vader en zijn vrouw hebben wel meegewerkt aan het onderzoek. Het is in het belang van de minderjarige om beweging in de zaak te krijgen en contact met zijn vader te hebben. De moeder is verplicht om te zorgen dat de minderjarige naar de vader gaat. De vader heeft geen toestemming verleend voor het wijzigen van de huisarts van de minderjarige, omdat hij het van belang acht dat degene die al jarenlang betrokken is als huisarts aanblijft.

4. De gecertificeerde instelling stelt dat er zoveel geprobeerd is en dat de strijd tussen de ouders zo geëscaleerd is, dat onduidelijk is wat nog mogelijk is. Ook door de gecertificeerde instelling is contact opgenomen met de psycholoog van de minderjarige om te horen waarom zij tegen het geplande onderzoek adviseerde. De gecertificeerde instelling ziet geen enkele verbetering voor de minderjarige en acht zijn situatie ernstig.

Gezag

5. Het hof overweegt als volgt. Uit het raadsrapport van 26 februari 2015 blijkt dat ook toen al sprake was van een jarenlange onveilige en onstabiele gezinssituatie doordat de ouders letterlijk en figuurlijk over het hoofd van de minderjarige strijd voerden. Nu, drie jaar later, blijkt er geen enkele verbetering te zijn in de verhouding tussen de ouders en kan gesteld worden dat deze uitzichtloos verstoord is. De moeder heeft diverse malen niet meegewerkt aan onderzoeken en hulpverlening. Zo is het traject ‘Kinderen uit de Knel’ niet van de grond gekomen omdat de moeder niet wenst mee te werken. Ook de door de rechtbank benoemde bijzondere curator heeft het onderzoek niet volledig kunnen uitvoeren omdat de moeder haar medewerking weigerde. De ouders zijn niet in staat gebleken hun verantwoordelijkheid voor de minderjarige te nemen en hun strijd te staken door het belang van de minderjarige boven hun eigen belangen te laten prevaleren. Zij blijven hangen in verwijten en wantrouwen en diskwalificeren elkaar als ouders. De minderjarige zit al jaren klem en verloren tussen de ouders, is ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling en heeft niet de noodzakelijke hulpverlening gekregen. Gebleken is dat de vader zijn toestemming diverse keren heeft onthouden aan het inschakelen van hulpverlening voor de minderjarige en het wisselen van huisarts. Daarbij blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat het vooral de vader lijkt te zijn die de problemen volledig aan de moeder toeschrijft en geen enkel inzicht heeft in zijn eigen aandeel daarin. Beide ouders hebben er een aandeel in dat voor de minderjarige niet een wenselijke situatie kan ontstaan waarin hij contact heeft met beide ouders en hij onbezorgd kan opgroeien. Naar het oordeel van het hof dient er een einde te komen aan de schrijnende situatie van de minderjarige, zodat hij - thans 13 jaar oud - zich de laatste jaren van zijn kind zijn kan richten op de eigen ontwikkeling.

6. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat vast staat dat de onderlinge verhouding tussen de ouders dusdanig verstoord is, dat het delen van het gezag - in welke vorm dan ook - in strijd moet worden geacht met de belangen van de minderjarige. Het hof acht het niet verantwoord om het gezamenlijk gezag van de ouders te laten voortduren en acht het van belang dat de moeder als verzorgende ouder alleen zal worden belast met het ouderlijk gezag. Het hof zal aldus beslissen.

Omgangsregeling

7. Nu de moeder alleen het gezag over de minderjarige heeft, kan het hof op grond van het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek een omgangsregeling vaststellen, dan wel aan de vader het recht op omgang voor bepaalde of onbepaalde tijd ontzeggen.

8. Het hof is van oordeel dat omgang tussen de vader en de minderjarige op dit moment ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige en in strijd is met zijn zwaarwegende belangen. Daar komt bij dat de minderjarige bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met de vader heeft doen blijken. Door de jarenlange strijd tussen de ouders is de minderjarige beschadigd in zijn ontwikkeling. Het contact met de vader is verbroken in 2014 na diverse AMK-meldingen. De minderjarige is bang voor en boos op de vader. Hij is bang voor de woedeaanvallen van de vader en zegt door hem te zijn geslagen. Uit het raadsrapport van 26 februari 2015 blijkt uit informatie van de huisarts dat de vader op een onaangename manier met de minderjarige communiceerde. Voorts blijkt uit het rapport dat de raad zorgen heeft over het temperament van de vader en de wijze waarop hij zich opstelt naar de minderjarige. De moeder heeft zich niet actief opgesteld om de knelpunten op te lossen waardoor deze voor de minderjarige alleen maar groter zijn geworden. De minderjarige is een kwetsbaar kind dat gebaat is bij rust en stabiliteit. Hij is voor zijn verzorging afhankelijk van de moeder en dient zo spoedig mogelijk weer hulpverlening te krijgen om zijn traumatische verleden te kunnen verwerken. Een met spanning en angst omgeven omgang met de vader is stellig niet in het belang van de minderjarige.

9. Het voorgaande brengt mee dat het belang van de minderjarige zich tegen vaststelling van een omgangsregeling verzet. Het hof zal de bestreden beschikking wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling vernietigen en de vader de omgang met de minderjarige ontzeggen. Dit brengt mee dat het hof het verzoek om een dwangsom aan de omgangsregeling te verbinden, zal afwijzen.

De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 mei 2016 en - met wijziging van het ouderschapsplan van 10 september 2008 en de nadien door partijen in onderling overleg overeengekomen zorgregeling - opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het gezag over de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2004, geboren te [geboorteplaats] , voortaan alleen aan de moeder toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank Den Haag;

ontzegt de vader de omgang met de minderjarige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, I. Obbink-Reijngoud en N.P.C. van Wijk, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier en is op 21 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.